De zaak betreft een ontbindingsverzoek van Alliander tegen een werknemer, [verweerster], wegens vermeend frauduleus handelen met betrekking tot niet-geregistreerde verlofuren en een verstoorde arbeidsverhouding.
Alliander stelde dat [verweerster] 307 verlofuren niet had geregistreerd terwijl zij deze wel had genoten, en dat zij haar Individueel Keuze Budget (IKB) ten onrechte had laten uitbetalen, wat zou duiden op opzettelijke misleiding en onrechtmatig voordeel. Daarnaast werd een verstoorde arbeidsrelatie aangevoerd als alternatieve grond voor ontbinding.
De kantonrechter oordeelde dat [verweerster] niet op de hoogte was van de verplichting tot voorafgaande verlofregistratie en dat er een feitelijke tijd-voor-tijd regeling bestond, waardoor verwijtbaarheid ontbreekt. Ook was er onvoldoende bewijs voor een duurzame verstoring van de arbeidsrelatie. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen.
Verder werd Alliander veroordeeld om [verweerster] toe te laten tot haar werkzaamheden en in de proceskosten. Een verklaring voor recht over het vermeend verwijtbaar handelen werd eveneens afgewezen.