De werkneemster, werkzaam bij Kinderthuiszorg, had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die na drie contracten niet werd verlengd. Zij vermoedde dat dit verband hield met haar zwangerschap en stelde zwangerschapsdiscriminatie vast.
De werkgever stelde dat het niet verlengen voortkwam uit gebrek aan vertrouwen in de werkneemster, maar kon dit niet concreet onderbouwen. De werkneemster had positieve beoordelingen en had de vereiste opleiding afgerond, wat normaal leidt tot een contract voor onbepaalde tijd.
De kantonrechter oordeelde dat de werkneemster voldoende feiten had gesteld om discriminatie te vermoeden en dat de werkgever dit vermoeden niet had weerlegd. Daarom werd vastgesteld dat sprake was van verboden onderscheid op grond van geslacht.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een materiële schadevergoeding van €8.793,84 en een immateriële schadevergoeding van €2.500,00, vermeerderd met wettelijke rente. Het verzoek tot vernietiging van de studieovereenkomst werd afgewezen wegens gebrek aan belang.
De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd en de veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.