De rechtbank Gelderland behandelde beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen van de Dienst Toeslagen op bezwaar tegen een besluit op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank oordeelde dat het eerste beroep ontvankelijk is voor zover ingediend namens eiseres, de aanvrager van de toeslagen, maar niet-ontvankelijk voor zover ingediend namens eiser, de toeslagpartner zonder rechtstreeks belang. Het tweede beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen procesbelang meer had.
De dienst had niet binnen de wettelijke beslistermijn van achttien weken beslist op het bezwaar van eiseres. Na ingebrekestelling bleef de dienst in gebreke. Daarom verklaarde de rechtbank het eerste beroep gegrond, legde een termijn van twee weken op om alsnog te beslissen en stelde een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 vast.
De rechtbank wees ook proceskosten toe aan eiseres, waaronder vergoeding van het griffierecht en reiskosten, maar wees het verzoek om portokosten en verletkosten af. Tevens werd wettelijke rente toegekend over de vergoedingen. Het vonnis bevatte tevens een toelichting op de ontvankelijkheid en het belanghebbende begrip in bestuursrechtelijke procedures.