ECLI:NL:RBGEL:2025:10274

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
AWB - 23 _ 7905
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inzake verzoek om inzage in penitentiair dossier

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen de beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser had verzocht om inzage in zijn penitentiair- en inrichtingsdossier op basis van artikel 51b van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). De staatssecretaris verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk, stellende dat er een andere rechtsgang openstond. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de staatssecretaris dit ten onrechte heeft gedaan. De rechtbank concludeert dat de beslissing op het verzoek om inzage niet valt onder de vrijheidsbenemende maatregelen zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser had recht op een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank eiser een schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de schadevergoeding verdeeld wordt over de staatssecretaris en de Staat der Nederlanden. De rechtbank heeft de staatssecretaris ook veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en
de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid [1]
(gemachtigde: mr. E.W.B. Wilting).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen de beslissing op zijn verzoek op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) om inzage in en een afschrift van zijn penitentiair- en inrichtingsdossier. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij een beslissing op een verzoek om toepassing van artikel 51b van de Wjsg gaat het immers niet om de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of andere vrijheidsbenemende maatregelen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Ook krijgt eiser een schadevergoeding van € 1.000 wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 23 maart 2023 heeft de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de penitentiaire inrichting Arnhem beslist dat eiser op zijn verzoek inzage krijgt in zijn penitentiair- en inrichtingsdossier. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
Bij uitspraak van 24 mei 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank zich onbevoegd verklaard om te beslissen op het door eiser ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. [2]
2.2.
Met het bestreden besluit van 29 november 2023 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
2.5.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris legt hieraan ten grondslag dat voor eiser een andere rechtsgang openstond dan het maken van bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb in dit geval namelijk niet van toepassing. Uit artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) volgt dat een gedetineerde beklag kan doen bij de beklagcommissie [4] over een besluit van de directeur van de penitentiaire inrichting.
Het toetsingskader
3.1.
Op grond van artikel 1:6, aanhef en onder a en c, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijk beslissingen en andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. In dat geval staan de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep op de bestuursrechter dus niet open.
3.2.
Op grond van artikel 60 van de Pbw kan een gedetineerde bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende beslissing van de directeur van de penitentiaire inrichting. In artikel 69 van de Pbw is bepaald dat de klager en de directeur tegen de uitspraak van de beklagcommissie beroep kunnen instellen bij een door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ingestelde beroepscommissie.
3.3.
Op grond van artikel 51b, tweede lid, van de Wsjg heeft de betrokkene, onverminderd het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens, het recht om op diens schriftelijke verzoek uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien.
3.4.
In artikel 23 van de Wjsg is bepaald dat een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 18 geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. In artikel 51b, eerste lid, van de Wjsg is bepaald dat artikel 23 van overeenkomstige toepassing is op tenuitvoerleggingsgegevens.
Heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eiser betoogt dat in zijn geval geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder a of c, van de Awb. Deze artikelonderdelen zijn namelijk alleen van toepassing op vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder s, van de Pbw en niet op verzoeken op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming of de Wjsg. Dit betekent dat hij op grond van de Awb bezwaar kon maken tegen het besluit van 23 maart 2023. De staatssecretaris heeft zijn bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Ter onderbouwing wijst eiser op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2023. [5]
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Eiser wijst er namelijk terecht op dat een beslissing op een verzoek om inzage, en voor zover dat kan afschriften, op grond van artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg niet valt onder artikel 1:6, aanhef en onder a en c, van de Awb. Bij een beslissing op een dergelijk verzoek gaat het immers niet om de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of andere vrijheidsbenemende maatregelen.
4.1.1.
De rechtbank concludeert vervolgens dat voor eiser twee procedures openstonden. In het algemeen geldt dat een gedetineerde op grond van artikel 60 van de Pbw bij de beklagcommissie beklag kan doen over een besluit van de directeur van de penitentiaire inrichting. Eiser had dus de in de Pbw genoemde procedure kunnen volgen. Maar voor eiser stond ook de in de Wjsg genoemde procedure open. Zoals volgt uit de onder 3.3 en 3.4 genoemde artikelen is een beslissing op een inzageverzoek als bedoeld in artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Het besluit van 23 maart 2023 betreft een dergelijk besluit. Voor eiser stond dus ook de weg van bezwaar op grond van de Awb open. Dat betekent dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [6]
De hoorplicht
5. Omdat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de staatssecretaris het bezwaar van eiser inhoudelijk had moeten beoordelen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het beoordelen van de beroepsgrond van eiser dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De staatssecretaris moet namelijk een nieuw besluit op bezwaar nemen.
Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
6. Eiser verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn [7] is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de staatssecretaris en de rechtbank is behandeld, het processuele gedrag van eiser tijdens de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.
6.2.
De redelijke termijn voor de behandeling van het beroep inclusief de bezwaarschriftprocedure bedraagt in beginsel maximaal twee jaren, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden bestaat recht op een schadevergoeding van € 500, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In deze zaak betekent dit het volgende.
6.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de staatssecretaris op 30 maart 2023 tot de datum waarop de rechtbank deze einduitspraak doet, zijn twee jaren en ongeveer acht maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer of minder dan twee jaren te stellen. De redelijke termijn is dus met ongeveer acht maanden overschreden. De rechtbank stelt de schadevergoeding vast op een bedrag van € 1.000.
6.4.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is zowel aan de staatssecretaris als de rechtbank toe te rekenen. In dat geval wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid verdeeld over de staatssecretaris en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) betaalt het deel dat aan de rechtbank wordt toegerekend. De staatssecretaris heeft de redelijke termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar met twee maanden overschreden. Het bezwaarschrift is namelijk op 30 maart 2023 door de staatssecretaris ontvangen en het bestreden besluit is genomen op 29 november 2023. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, zes maanden, moet worden toegerekend aan de rechtbank. Dit betekent dat € 250 (2/8 deel) ten laste komt van de staatssecretaris, en dat € 750 (6/8 deel) ten laste komt van de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat de staatssecretaris het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de staatssecretaris nog geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het bezwaar van eiser, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de staatssecretaris daarvoor zes weken.
7.1.
Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de staatssecretaris een schadevergoeding van € 250 aan eiser betaalt, en dat de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) een schadevergoeding van € 750 aan eiser betaalt.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een veroordeling van de staatssecretaris in de door eiser gemaakte reiskosten, bestaat in deze zaak geen aanleiding. Op 30 oktober 2025 zijn namelijk meerdere zaken van eiser op zitting behandeld en in de uitspraak van 12 november 2025 [8] in een van de andere zaken van eiser die dag heeft de rechtbank al bepaald dat de reiskosten van eiser moeten worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 29 november 2023;
 draagt de staatssecretaris op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 750 aan eiser;
 veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van een schadevergoeding van € 250 aan eiser;
 bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 184 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de minister voor Rechtsbescherming.
2.Voorzieningenrechter rechtbank Gelderland 24 mei 2023, zaaknummer ARN 23/1875 (niet gepubliceerd).
3.Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210).
4.De staatssecretaris spreekt over de Commissie van Toezicht.
5.Voorzieningenrechter rechtbank Noord-Nederland 26 april 2023 (ECLI:NL:RBNNE:2023:1622).
6.Zie rechtbank Gelderland 6 december 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:8645 en ECLI:NL:RBGEL:2024:8650).
7.Als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
8.Rechtbank Gelderland 12 november 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9593).