5.7.De Kroon heeft in het KB overwogen dat het beroep op zelfrealisatie niet afdoet aan de noodzaak tot onteigening van het beoogde perceel. Daartoe heeft de Kroon – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“(…)
Allereerst merken Wij in het algemeen op, dat verzoeker bij een voorgenomen onteigening moet aantonen dat het doel waarvoor onteigend wordt niet op een andere manier te bereiken is. Van belang hierbij is dat wanneer een grondeigenaar aangeeft bereid en in staat te zijn om de aan zijn gronden gegeven bestemmingen zelf te realiseren, onteigening in beginsel niet noodzakelijk is. Wij stellen daaraan de eisen dat de grondeigenaar op zijn minst aannemelijk moet maken dat hij over voldoende kennis, kapitaal en expertise beschikt om het plan te kunnen uitvoeren en daarop gerichte plannen moet kunnen overleggen.
Hierop kan een uitzondering worden gemaakt, indien verzoeker een andere vorm van planuitvoering wenst dan de grondeigenaar. Onteigening is dan pas gerechtvaardigd, indien verzoeker aantoont dat in het publieke belang dringend behoefte bestaat aan de door hem gewenste vorm van planuitvoering. Welke vorm van planuitvoering in het publieke belang is, staat in eerste instantie ter beoordeling van de gemeenteraad. Of de grondeigenaar zelf tot planuitvoering in staat is, hangt af van de door verzoeker gekozen vorm van planuitvoering. In verband hiermee moet de grondeigenaar zich op de hoogte kunnen stellen van de gewenste vorm van planuitvoering. In het algemeen kan deze worden gevonden in de toelichting op het bestemmingsplan, de bijbehorende regels of een beeldkwaliteitsplan of inrichtingsschets. Ook uit een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening kan de gewenste wijze van uitvoering worden opgemaakt.
Bij een beoogde zelfrealisatie dient de grondeigenaar zijn plannen terzake tijdig en op een duidelijke manier aan de gemeente kenbaar te maken. Tijdig houdt in dat het zelfrealisatieverzoek voor de start van de onteigeningsprocedure, te weten het verzoekbesluit ex artikel 78, eerste lid van de onteigeningswet, is voorgelegd aan verzoeker, zodat de gemeenteraad dit verzoek kan meewegen in de afweging van de onteigeningsnoodzaak. Daar staat voor de gemeente de plicht tegenover om in ieder geval vóór de terinzagelegging van het ontwerpraadsbesluit tot onteigening voldoende duidelijkheid te verschaffen over de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering.
In het Masterplan dat door de gemeenteraad van Maasdriel is vastgesteld op 12 december 2019 is het ruimtelijk kader vastgelegd voor de realisatie van de [naam plan] . Dit bevat de uitgangspunten voor de ruimtelijke opzet en invulling van het gebied. Verzoeker wil volgens dit Masterplan een woonwijk met een bepaalde stedenbouwkundige samenhang: een grote groenplek met water in het midden als natuurlijk hart en met groene vertakkingen in oostelijke en westelijke richtingen. Aan de randen wordt de organisch gegroeide bebouwingsstructuur voortgezet. In het beeldkwaliteitsplan worden de eisen aan de bebouwing vastgelegd om eenheid na te streven. Verzoeker wil dus een bepaalde vorm van inrichting van het gebied en een samenhangende ruimtelijke ontwikkeling. Binnen dit kader is op 14 oktober 2021 het bestemmingsplan vastgesteld dat de realisatie van de nieuwe woonwijk mogelijk maakt. De verkavelingskaart uit het Masterplan is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan, dat tegelijk met de vaststelling van het bestemmingsplan is vastgesteld. Deze kaart is ook opgenomen in de toelichting op het bestemmingsplan.
Uit het logboek, de bewijsstukken en het behandelde op de hoorzitting blijkt dat reclamant 1[de heer [gedaagde] – de rechtbank]
in een overleg van 15 juni 2020 zijn zelfrealisatieplan met verzoeker heeft besproken. Op 28 augustus 2020 is weer overleg tussen reclamant 1 gevoerd. Verzoeker stuurt naar aanleiding van dit overleg op 14 september 2020 een e-mail aan reclamanten. Daarin geeft verzoeker aan in reactie op de voorgestelde initiatieven dat hij er de voorkeur aan geeft dat reclamanten hun percelen invullen volgens de kaders uit het Masterplan. In deze e-mail spreekt verzoeker over de zelfrealisatieplannen van reclamanten. Verzoeker wil overwegen mee te werken aan beide initiatieven, mits die voldoen aan de ruimtelijke eisen, er een integrale afspraak volgt over alle drie de percelen, er overeenstemming is over de exploitatiebijdrage in de gemeentelijke plan- en realisatiekosten en reclamanten aantonen dat ze in staat en bereid zijn om de bestemming zelf te realiseren. Voor het plan van reclamant 1 geldt dat de inrichting moet voldoen aan het beeldkwaliteitsplan. Hierop nemen reclamanten een ontwikkelaar in de arm om hen bij te staan. Op 26 maart 2021 heeft deze ontwikkelaar een gesprek met verzoeker. Op 6 april 2021 stuurt verzoeker een e-mail aan de ontwikkelaar waarin de exploitatiebijdrage wordt toegelicht. Deze vinden reclamanten veel te hoog (reactie per e-mail op 22 april en 9 juni 2021). Hierna volgt geen inhoudelijk gesprek meer over de zelfrealisatie. In de aanbiedingsbrieven aan reclamanten van 7 juli 2021 en het herhaald bod van 6 augustus 2021 wordt aangegeven door verzoeker dat er nog over zelfrealisatie kan worden gesproken. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan op 14 oktober 2021 wordt ten aanzien van het zelfrealisatieplan van reclamant 1 door de gemeenteraad opgemerkt dat de gemeente voor de verkavelingsopzet bewust kiest voor de ontwikkeling van een hofje met woningen, zodat het terrein van reclamanten ( [gegevens perceel 1] en [gegevens perceel 3] ) efficiënt kan worden verkaveld in acht gelijkmatige en gewilde (courante) kavels voor vrijstaande woningen. De plannen van reclamanten gaan daarentegen uit van zes in plaats van acht woningen en van een andere verkavelingsopzet met in ieder geval 1 grotere kavel. Dit leidt volgens verzoeker tot een incourante verkavelingsopzet, gelet op de ervaringen met de recente ontwikkeling van de naastgelegen [naam plan 2] . Dat is niet wenselijk volgens verzoeker. Tijdens de hoorzitting op 21 juni 2022 geeft verzoeker aan dat een eventueel zelfrealisatieplan dient te voldoen aan het Masterplan en de daarin opgenomen verkavelingskaart. Deze kaart is ook in de toelichting op het bestemmingsplan is opgenomen en in het tegelijk met het bestemmingsplan vastgestelde Beeldkwaliteitsplan.
Uit het voorgaande overwegen Wij dat reclamanten zich bij de vorming van hun zelfrealisatieplannen zullen moeten conformeren aan hetgeen daarover in het bestemmingsplan, het exploitatieplan, het Masterplan en het beeldkwaliteitsplan door verzoeker is vastgelegd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de hoorzitting is verklaard maken Wij op dat de zelfrealisatieplannen van reclamanten niet passen binnen deze door de verzoeker gestelde kaders. Verzoeker wil volgens het Masterplan een woonwijk met een bepaalde stedenbouwkundige samenhang (zie 2e alinea van ad 1.2). Op grond hiervan wil hij dat reclamanten een integraal plan indienen voor alle drie de percelen, dat in de door hem gewenste vorm van uitvoering voor het gebied past. Dat integrale plan is niet ingediend.(…)
Strikt genomen passen de plannen wel binnen het bestemmingsplan, maar in de toelichting ervan is aangegeven dat de ruimtelijke invulling van de percelen moet voldoen aan de verkavelingskaart uit het Masterplan. Dat is gelet op het bovenstaande niet het geval. Deze kaart is daartoe opgenomen in de plantoelichting. Enkel om eventueel toekomstige kleine aanpassingen aan de verkavelingsopzet mogelijk te maken, is het bestemmingsplan flexibel gemaakt. Daarom zijn alleen de hoofdinfra- en groenstructuur en het totaalaantal te realiseren woningen vastgelegd in het bestemmingsplan.
Gelet hierop overwegen Wij dat de door verzoeker gewenste vorm van uitvoering conform het Masterplan in het publiek belang is. Verzoeker heeft tijdens de onderhandelingen met reclamanten en tijdens de hoorzitting nogmaals benadrukt dat afwijking bij de ruimtelijke invulling van de verkavelingskaart uit het Masterplan niet mogelijk is. Dit betekent dat het zelfrealisatieplannen van reclamant 1 en reclamante 2 niet voldoen aan de door verzoeker gewenste vorm van uitvoering van het bestemmingsplan. Gelet hierop staat vast dat uitvoering van het bestemmingsplan door reclamanten niet op de door verzoeker gewenste wijze is verzekerd. Daarmee is Ons duidelijk dat zelfrealisatie overeenkomstig de uitvoering van verzoeker niet aan de orde is.
Verder is Ons niet gebleken dat reclamanten in staat en bereid zijn het bestemmingsplan op hun gronden zelf te realiseren. De door reclamanten ingehuurde ontwikkelaar is dan wel een professionele partij, die geacht moet worden over voldoende kennis, kapitaal en expertise te beschikken om het plan uit te kunnen voeren. Maar beide reclamanten hebben niet tijdig een concreet, op uitvoering gericht plan overlegd voor hun gronden. Ook is geen plan voor grondplannummer 3 ( [gegevens perceel 2] ) ingediend. Reclamanten hebben niet duidelijk inzicht gegeven door wie, wanneer en op welke wijze hun voornemens tot zelfrealisatie tot uitvoering gebracht kunnen worden. Enkel de stelling dat zij in staat en bereid zijn de bestemming uit te voeren conform het Masterplan en dat kostenverhaal via het exploitatieplan is verzekerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Uit het logboek, de overgelegde stukken en het verklaarde tijdens de hoorzitting overwegen Wij verder dat verzoeker en reclamanten ook nu nog geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de mogelijkheid van de door reclamanten voorgestane zelfrealisatieplannen. Feit is dat reclamanten hun voornemen tot zelfrealisatie kenbaar hebben gemaakt aan verzoeker. Maar de verdere uitwerking van de plannen zijn na april 2021 gestrand als gevolg van een verschil van mening over de hoogte van de exploitatiebijdrage die reclamanten moeten betalen. Partijen hebben hierover een verschillend standpunt en volharden hierin. Dit is een punt waar partijen samen niet uit zijn gekomen. Dit vormt geen beletsel om tot onteigening te kunnen verzoeken. Immers, verzoeker heeft naar Ons oordeel beide zelfrealisatieplannen zorgvuldig en serieus onderzocht, onder meer gelet op de e-mail van 14 september 2020 en alle gesprekken die sinds 2019 zijn gevoerd met reclamanten.
Gelet op het bovenstaande kan het beroep op zelfrealisatie naar Ons oordeel niet slagen.
(…)”