ECLI:NL:RBGEL:2025:10979

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/913
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herhaald zelfstandig verzoek om schadevergoeding wegens niet-plaatsing in gewenste functie

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland wordt het herhaalde verzoek om schadevergoeding van eiser behandeld. Eiser stelt dat hij in 1999 ten onrechte niet is geplaatst in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau bij het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en verzoekt om schadevergoeding van € 300.000. De rechtbank oordeelt dat het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2013 van toepassing is, omdat het schadeveroorzakend handelen in 1999 heeft plaatsgevonden. Eiser heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die zijn verzoek om schadevergoeding kunnen onderbouwen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen, omdat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de afwijzing evident onredelijk is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen recht heeft op schadevergoeding en ook geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/913

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, minister

(gemachtigden: mr. A. van der Bent en mr. D.J. Diederix).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het herhaalde verzoek om schadevergoeding dat eiser doet, omdat hij naar zijn mening in 1999 ten onrechte niet is geplaatst in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau bij het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en hij naar zijn overtuiging in dat verband beschikt over nieuw “bewijs”. Eiser heeft doordat hij niet is benoemd in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau materiële en immateriële schade geleden en verzoekt om vergoeding hiervan tot een bedrag van € 300.000. De rechtbank zal aan de hand van wat eiser aanvoert en in het licht van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordelen of de minister het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers herhaalde verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Eiser krijgt daarom geen gelijk en heeft geen recht op schadevergoeding van de minister. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij brief van 27 oktober 2023 heeft eiser de minister verzocht om vergoeding van schade die hij heeft begroot op € 300.000.
2.1.
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen.

Feiten

3. Eiser was aanvankelijk vanuit het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en later vanuit de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (Stichting DLO) tewerkgesteld bij het IAC te Wageningen.
3.1.
In het kader van een reorganisatie bij het IAC eind jaren negentig is de functie van eiser van Hoofd Financiële Zaken opgeheven. Bij besluit van 6 april 1999 is eiser geplaatst in de functie van Eerste Medewerker Financiële Zaken.
3.2.
In juni 2004 heeft eiser gebruik gemaakt van de zogenaamde FPU [1] Plus-regeling en is hem ontslag verleend.
3.3.
Vanaf 2005 heeft eiser beroepsprocedures bij deze rechtbank gevoerd om op te komen tegen wat hij in 2005 heeft aangeduid als "fraude" bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In de beroepsprocedures heeft eiser aangevoerd dat het besluit uit 1999 om hem te plaatsen in de functie van Eerste Medewerker Financiële Zaken (en niet in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau) op oneigenlijke gronden is genomen en heeft hij verzocht om het plaatsingsbesluit te herzien. In een aantal procedures heeft hij ook verzocht om schadevergoeding.
3.3.1.
Onder deze procedures waarin eiser (mede) heeft verzocht om schadevergoeding, kan worden geschaard de procedure geregistreerd onder zaaknummer 07/2177. De rechtbank heeft het beroep tegen de in bezwaar door de minister gehandhaafde afwijzing van de verzoeken om herziening en schadevergoeding bij uitspraak van 12 november 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld, dat de persoonlijke redenen die ten grondslag zouden liggen aan eisers ontslag en het reorganisatiebesluit van 2004 niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. [2]
3.3.2.
In de procedure geregistreerd onder zaaknummer 15/7446 is eveneens sprake geweest van een verzoek om schadevergoeding. De minister heeft aan het in beroep ter toetsing voorliggende besluit op bezwaar ten grondslag gelegd, dat het reorganisatiebesluit van 1997 niet heeft te gelden als nieuwe informatie op grond waarvan aanleiding bestaat terug te komen van eerdere in deze kwestie genomen besluiten. De rechtbank heeft bij uitspraak van 31 maart 2016 [3] het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard en geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek om schadevergoeding. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. [4]
3.3.3.
In de beroepsprocedure geregistreerd onder zaaknummer 17/4019 [5] heeft de rechtbank bij uitspraak van 4 juli 2018 ten aanzien van de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek om schadevergoeding geoordeeld, dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Verder valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat het zoekraken van het dossier van eiser, hoe ongelukkig ook, moet worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. In het hoger beroep tegen deze uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat de rechtbank met juistheid het standpunt van de minister heeft onderschreven dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken en dat er geen aanleiding was om terug te komen van de afwijzing van eerdere verzoeken. [6]
3.4.
De laatste procedure die eiser heeft gevoerd voorafgaand aan de onderhavige beroepsprocedure betreft de hoger beroepsprocedure, geregistreerd onder zaaknummer 22/2681, die heeft geleid tot de uitspraak van de CRvB van 12 oktober 2023. [7] In deze procedure heeft de CRvB een uitspraak van de rechtbank [8] waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, bevestigd. [9]

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Aan het verzoek om schadevergoeding dat eiser bij brief van 27 oktober 2023 bij de minister heeft ingediend, heeft eiser ten grondslag gelegd dat hem in de procedure bij de CRvB, geregistreerd onder zaaknummer 22/2681 en genoemd in overweging 3.4, in 2022 is gebleken dat de minister in 2004 (vervroegde) pensionering heeft afgedwongen door (dreiging met) toepassing van het civiele recht, terwijl het bestuursrecht van toepassing was. Eiser stelt dat daarmee in 2004 sprake is geweest van bedrog en dat hij als gevolg daarvan gebruik heeft gemaakt van de FPU Plus-regeling, hetgeen zijn ontslag c.q. uitdiensttreding heeft meegebracht, terwijl hij dat niet wilde en hij nog steeds geplaatst wilde worden in de leidinggevende functie van Hoofd Bedrijfsbureau. Dit bedrog uit 2004, dat hem in 2022 als nieuw feit is gebleken, bevestigt volgens eiser het beleid van de minister, dat tussenkomst van de rechter als gevolg van - in dit geval door eiser - gestarte procedures, door de minister niet wordt geaccepteerd. Dit beleid is er de oorzaak van dat hij in 1999 niet is geplaatst in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau. Eiser heeft een schadevergoeding verzocht van € 300.000 ter compensatie van misgelopen inkomsten op basis van schaal 12, gederfde inkomsten door vervroegde pensionering, pensioenuitkeringen en samengestelde wettelijke interest.
4.1.
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister heeft daartoe overwogen dat over de kwestie al meermaals tot en met de CRvB is geprocedeerd en de laatste uitspraak dateert van 12 oktober 2023. Zowel het laatste hoger beroep hierover als de eerdere (hoger) beroepen zijn ongegrond geacht en de rechter heeft al meerdere malen aangegeven dat geen aanspraak bestaat op schadevergoeding in deze kwestie.
4.2.
Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Aan de motivering van het gehandhaafde primaire besluit heeft de minister toegevoegd dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Afbakening van het geschil
5. Uit de gedingstukken blijkt, en op de zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd, dat het eiser in deze procedure te doen is om het verkrijgen van een schadevergoeding, omdat hij in 1999 ten onrechte niet is geplaatst in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau. Eiser wil de in bezwaar gehandhaafde weigering van de minister om tot schadevergoeding over te gaan in beroep laten toetsen door de rechtbank. Eiser heeft niet bedoeld in deze procedure (opnieuw) herziening te vragen van het plaatsingsbesluit dat in 1999 is genomen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding van eiser een zelfstandig schadevergoedingsverzoek betreft. Dit brengt met zich dat uitsluitend het verzoek om schadevergoeding zal worden beoordeeld en dat herziening van het plaatsingsbesluit uit 1999 geen onderwerp van geschil is in dit geding.
Overgangsrecht voor schadevergoeding
6. Het gestelde schadeveroorzakend handelen waarop eiser zijn zelfstandig schadeverzoek baseert, heeft plaatsgevonden in 1999, toen eiser werd geplaatst in de functie van Eerste Medewerker Financiële Zaken en niet in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau. Nu het gestelde schadeveroorzakend handelen heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2013, blijft conform het overgangsrecht voor schadevergoeding [10] het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2013 van toepassing op de afdoening van het verzoek om schadevergoeding. Dit recht behelst, anders dan het vanaf 1 juli 2013 geldende recht, dat het verzoek om schadevergoeding niet bij de rechtbank wordt ingediend, maar bij het bestuursorgaan en dat het bestuursorgaan daarop een zelfstandig schadebesluit neemt dat vatbaar is voor bezwaar, beroep en hoger beroep. [11] Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van 7 maart 2024 een voor beroep vatbaar bestuursrechtelijk besluit is, tot beoordeling waarvan zij op grond van het overgangsrecht over zal gaan.
Toetsingskader
7. De minister heeft op het verzoek van eiser om schadevergoeding beslist met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. In dit artikel is het volgende bepaald:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
7.1.
De bestuursrechter zal aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. [12]
7.1.1.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen: feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Op de aanvrager rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. [13]
Standpunt eiser
8. Eiser stelt dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De minister heeft in 2004 gedreigd een procedure bij de kantonrechter op te starten en onder die dreiging is eiser akkoord gegaan met het (aanvragen van) de FPU Plus-regeling uitmondend in ontslag. Uit de procedure bij de CRvB geregistreerd onder zaaknummer 22/2681, genoemd in overweging 3.4, heeft eiser echter afgeleid dat wat betreft zijn pensionering niet het civiele recht maar het bestuursrecht van toepassing was. Toen is eiser duidelijk geworden dat de minister in 2004 dus een, naar zijn zeggen, oneigenlijk middel heeft gebruikt om hem te dwingen tot pensionering, althans gebruik te maken van de FPU Plus-regeling om ontslag te bewerkstelligen. Daarmee is volgens eiser sprake van bedrog. Het (op de hoogte geraken van dit) bedrog is volgens eiser een nieuw feit en bevestigt volgens hem het beleid van de minister om het starten van gerechtelijke procedures, zoals eiser heeft gedaan, en de tussenkomst van de rechter als gevolg daarvan, niet te dulden. Dit beleid is er de oorzaak van dat hij in 1999 niet is geplaatst in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau.
Standpunt minister
9. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de stelling van eiser dat bij zijn FPU Plus-ontslag bij de stichting DLO ten onrechte de civiele weg is gekozen niet klopt, omdat eiser voorafgaand aan zijn (overeengekomen) FPU Plus-ontslag werkzaam was bij de stichting DLO op basis van een arbeidsovereenkomst.
Eiser heeft in zijn herhaalde verzoek geen nieuw gebleken feiten dan wel veranderde omstandigheden aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Gelet daarop heeft de minister het bezwaar van tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding terecht met toepassing van artikel 7:3, onder b, van de Awb kennelijk ongegrond geacht.
Oordeel rechtbank
10. In de brief van 27 oktober 2023 heeft eiser verzocht om schadevergoeding. Bij dat verzoek heeft eiser drie bijlagen overgelegd, te weten:
1. aanvulling op beroepschrift 28 maart 2022, gedateerd 31 mei 2022;
2. instellen hoger beroep van 28 november 2022;
3. brief van 28 juli 2023 aan de CRvB.
In de bijlagen 1 en 2 heeft eiser verwezen naar een e-mail van de minister aan de rechtbank van 10 mei 2022 in de zaak met zaaknummer 22/1647.
10.1.
Uit het verzoek om schadevergoeding en de bijlagen begrijpt de rechtbank dat eiser zich op het standpunt stelt dat de e-mail van 10 mei 2022 het bewijs bevat dat in 2004 sprake was bedrog, dat hij dit bewijs pas op 10 mei 2022 in handen heeft gekregen en dat dit dus een nieuw feit is.
10.2.
De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Uit de alinea in de e-mail van 10 mei 2022 over de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) per 1 januari 2020 heeft eiser ten onrechte de conclusie getrokken dat hij in 2004, ten tijde van zijn FPU Plus-ontslag, nog ambtenaar was en dus onder het bestuursrecht viel.
Of eiser in 2004 ambtenaar was of niet, is een vraag die losstaat van de invoering van de WNRA per 1 januari 2020. De e-mail van 10 mei 2022 is dus geen nieuw ‘bewijs’, en dus ook geen nieuw feit.
10.3.
Indien eiser van mening is dat hij ten tijde van het FPU-ontslag nog ambtenaar was, en dat de minister toen ten onrechte heeft gedreigd met inschakeling van de kantonrechter, dan had hij dat ook al bij alle voorgaande verzoeken om schadevergoeding kunnen aanvoeren, zoals eiser tijdens de zitting ook heeft bevestigd. De rechtbank is verder op geen enkele wijze gebleken dat de plaatsing in de functie van Eerste Medewerker Financiële Zaken onmiskenbaar onjuist is, zodat de rechtbank geen redenen ziet waarom de afwijzing van het herhaalde verzoek om schadevergoeding evident onredelijk zou zijn.
10.4
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en dat de minister het verzoek om schadevergoeding van eiser dus terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen schadevergoeding van de minister toegekend. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug en krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. J.M. Hollebrandse en
mr. P.L. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Flexibel Pensioen en Uittreden.
2.Zie uitspraak van deze rechtbank van 4 juli 2018 op het beroep geregistreerd onder zaaknummer 17/4019, ECLI:NL:RBGEL:2018:2951 (niet gepubliceerd), overweging 1.7.
3.ECLI:NL:RBGEL:2016:1774 (niet gepubliceerd).
4.CRvB 8 december 2018 , ECLI:NL:CRVB:2016:4709 (niet gepubliceerd).
6.CRvB 4 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2318.
8.Zie uitspraak van 21 oktober 2022 op het beroep geregistreerd onder zaaknummer 22/1647, ECLI:NL:RBGEL:2022:5907 (niet gepubliceerd).
9.De CRvB heeft geoordeeld dat een schikkingsvoorstel geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb en de intrekking van een schikkingsvoorstel evenmin. De correspondentie tussen appellant en de minister betreft dus een informatieve briefwisseling. De rechtbank heeft het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
10.Artikel IV, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten
11.Per 1 juli 2013 is deze procedure vervangen door de verzoekschriftprocedure van 8:88 van de Awb en verder. Artikel 8:90 van de Awb heeft betrekking op de zelfstandige schadevergoedingsverzoeken, ter onderscheiding van de onzelfstandige schadevergoedingsverzoeken in artikel 8:91 van de Awb.. Zie ook artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb dat bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen.
12.Uitspraken CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115) en CRvB 26 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:301.
13.Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2330.