ECLI:NL:RBGEL:2025:11022

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
ARN 23/2023
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor vleeskalverenhouderij en strijdig gebruik van het bestemmingsplan

Deze uitspraak betreft een omgevingsvergunning die op 24 februari 2023 is verleend aan een veehouderij voor de bouw van een kalverenstal. Eiseres, Stichting Milieuwerkgroepen Ede, heeft beroep ingesteld tegen deze vergunning, omdat zij van mening is dat de vergunning in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college niet bevoegd was om af te wijken van de functieaanduiding intensieve veehouderij. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van alle partijen aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat het college niet de bevoegdheid had om af te wijken van de functieaanduiding. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De proceskosten van eiseres worden vergoed, evenals het griffierecht. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor het college om de bevoegdheid tot afwijking van de functieaanduiding goed te onderbouwen en de juiste procedures te volgen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/2023
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Milieuwerkgroepen Ede, uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college
(gemachtigde: A.G.J. Polman, H. Landeweerd en L. Egbers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats 2] (de veehouderij)
(gemachtigden: mr. Tj. P. Grünbauer en ing. G.J. Nap).
Partijen worden hierna genoemd: eiseres, het college en de veehouderij.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college op 24 februari 2023 heeft verleend aan de veehouderij. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 24 februari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan de veehouderij voor het bouwen van een kalverenstal. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze omgevingsvergunning. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [persoon A] en gemachtigde, de gemachtigden van het college en namens de veehouderij [persoon B], [persoon C] en gemachtigden.
2.2. De rechtbank heeft op dezelfde dag het beroep van eiseres tegen een natuurvergunning voor de veehouderij behandeld (zaaknummer 23/5139).
Beoordeling door de rechtbank

I. Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De veehouderij exploiteert een vleeskalverenhouderij aan de [locatie] in [plaats 2]. Op 23 december 2021 heeft de veehouderij bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw van een kalverenstal aan de [locatie] in [plaats 2]. De aanvraag ziet op de vergunningplichtige activiteiten ‘bouwen’, ‘strijdig gebruik’ en ‘milieu.’ [1]
3.1.
Op de aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure [2] van toepassing. Het ontwerpbesluit om de vergunning te verlenen heeft vanaf 2 november 2022 ter inzage gelegen. Eiseres is een stichting die, kort gezegd, opkomt voor de bescherming en verbetering van het leefmilieu in de gemeente Ede en heeft op 5 december 2022 een zienswijze ingediend op het ontwerpbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning op 24 februari 2023 verleend.
Het toepasselijke recht
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, maar in deze zaak geldt nog het oude recht omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is ingediend. [3]

III. De beroepsgronden

Ingetrokken beroepsgronden
5. Eiseres heeft haar beroepsgronden gericht tegen de activiteiten ‘bouwen’ en ‘milieu’ voor wat betreft de onduidelijkheid van de omvang van de vergunning, in het bijzonder de aanduidingen van de vergunde stal(len) en het maximaal aantal dieren ingetrokken.
Strijdig gebruik
De vergunde afwijking
6. Met de omgevingsvergunning is afgeweken van het bestemmingsplan Agrarisch Buitengebied Ede 2012. [4] Op grond van dit bestemmingsplan heeft de veehouderij de bestemming ‘agrarisch’ met een bouwvlak dat samenvalt met een functieaanduiding intensieve veehouderij. Deze functieaanduiding maakt het mogelijk dat naast een grondgebonden agrarisch bedrijf ook een intensieve veehouderij [5] als hoofdtak is toegestaan. Het college is afgeweken van het bestemmingsplan met de volgende binnenplanse afwijkingen:
  • de overschrijding van het aantal m2 bedrijfsbebouwing van 5000 m2 naar 6150 m2 (op grond van artikel 3.4.7 van de planregels).
  • de situering van de nieuwbouw deels buiten het bouwvlak en te dicht bij de perceelgrens (op grond van artikel 3.4.1 van de planregels en artikel 3.4.6 van de planregels).
Afwijking van functieaanduiding intensieve veehouderij?
7. Eiseres stelt dat het vergunde plan niet alleen deels buiten het bouwvlak, maar ook deels buiten de functieaanduiding intensieve veehouderij ligt, terwijl daar geen vergunning voor is verleend. Dit betekent volgens eiseres dat de nieuw te bouwen stal voor dat deel niet gebruikt mag worden als vleeskalverenstal. Het college had de aanvraag om die reden moeten afwijzen, althans voor het aangevraagde plan een procedure buitenplanse afwijking of bestemmingsplanwijziging moeten toepassen.
7.1.
Het college erkent in het verweerschrift dat stal K deels buiten het bouwvlak en daarmee deels buiten de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ ligt, maar is van mening dat hij met de afwijking van het bouwvlak ook impliciet kon afwijken van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij.’
7.2.
De rechtbank heeft partijen op 17 oktober 2025 aangekondigd dat op de zitting in ieder geval de bevoegdheid van het college tot afwijking van de functieaanduiding aan de orde zal komen.
7.3.
Op de zitting heeft het college volstaan met de verklaring dat het binnen de gemeente de standaardpraktijk is om tegelijkertijd met de afwijking van het bouwvlak af te wijken van de functieaanduiding intensieve veehouderij omdat de veehouderij anders niets zou hebben aan alleen de afwijking van het bouwvlak. Ook in eerdere rechtszaken is volgens het college nooit geoordeeld dat dit niet mag. [6]
7.4.
De veehouderij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond in de weg staat. Subsidiair heeft zij hetzelfde standpunt ingenomen als het college en in aanvulling daarop nog een uitspraak genoemd, waaruit ook zou volgen dat de praktijk van het college is toegestaan. [7]
Relativiteitsvereiste
7.5.
Het relativiteitsvereiste houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op grond van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. [8]
7.5.1.
Eiseres is een rechtspersoon die volgens haar statuten onder andere opkomt voor de belangen van
“het bevorderen van alle aktiviteiten en maatregelen die dienen ter bescherming en verbetering van het leefmilieu in de ruimste zin, in eerste instantie gericht op het gebied van de gemeente Ede”en
“het bestrijden van alle aantastingen van het leefmilieu in de gemeente Ede en voor zoveel nodig of wenselijk haar omgeving; met name ook die aantastingen welke veroorzaakt worden door lawaai, lucht-, water- en bodemverontreiniging.” [9]
Zij beroept zich erop dat er een extra afwijking nodig is van het bestemmingsplan. Dit betoog ziet op de norm van een “goede ruimtelijke ordening.” [10]
7.5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste niet aan eiseres kan worden tegengeworpen, omdat zij zich beroept op de norm van een goede ruimtelijke ordening en deze norm strekt tot bescherming van een veelheid van ruimtelijk relevante belangen, zoals het belang van individuele eisers bij het behoud en/of herstel van een goed leef-, woon- werk en ondernemingsklimaat, maar ook algemene belangen. [11] De belangen waarvoor eiseres volgens haar statuten opkomt, te weten de bescherming van en het bestrijden van aantasting van het leefmilieu in de gemeente Ede, vallen daar naar het oordeel van de rechtbank onder. Dat betekent dat de rechtbank de beroepsgrond inhoudelijk zal beoordelen.
De afwijking van het bestemmingsplan
7.6.
Een binnenplanse afwijking kan alleen worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking. [12] In dit geval heeft de gemeenteraad bij het opstellen van het bestemmingsplan bepaald dat het college op grond van artikel 3.4.1 van de planregels met de volgende binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan kan afwijken:
3.4.1
Overschrijding van het bouwvlak
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het bouwen van een gebouw dat de grenzen van het bouwvlak overschrijdt, met inachtneming van de volgende bepalingen:
a.
de overschrijding is alleen toelaatbaar voor zover plaatsing in het bouwvlak niet mogelijk of niet doelmatig is;
b.
de overschrijding mag niet meer bedragen dan 5 meter;
c.
het overschrijden van het bouwvlak mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
d.
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan.
7.7.
Nog daargelaten dat afwijking van de functieaanduiding intensieve veehouderij niet in de omgevingsvergunning wordt omschreven, valt de verlening toestemming voor een afwijking van deze functieaanduiding niet binnen de reikwijdte van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.4.1 van de planregels. Die afwijkingsbevoegdheid geldt namelijk alleen voor een afwijking van het bouwvlak en bevat geen uitdrukkelijke mogelijkheid om ook de uitbreiding van intensieve veehouderij te vergunnen. Het college was dus niet bevoegd om op basis van deze afwijkingsbevoegdheid een impliciete afwijking – wat hier verder ook van zij - van de functieaanduiding “intensieve veehouderij” toe te staan.
7.7.1.
Dat de afwijkingsmogelijkheid om het bouwvlak te vergroten anders zinledig zou worden omdat het bouwvlak strak om de functieaanduiding “intensieve veehouderij” is gelegd, volgt de rechtbank niet. De gronden buiten het bouwvlak zouden in dit geval met toepassing van artikel 3.4.1 in overeenstemming met de agrarische bestemming mogen worden bebouwd. Bovendien geldt dat niet alle bouwvlakken in dit bestemmingsplan samenvallen met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dat het standpunt van het college vaste praktijk is, maakt niet dat die praktijk juridisch ook juist is. Het college heeft dus niet onderkend dat naast een toestemming voor de afwijking van het bouwvlak óók toestemming voor de afwijking van de functieaanduiding intensieve veehouderij was vereist. Deze binnenplanse bevoegdheid voorziet daar niet in.
7.7.2.
De door het college en veehouderij genoemde uitspraken doen daar niet aan af. Hieruit volgt namelijk niet dat de rechtbank of Afdeling eerder wel zo’n (impliciete) afwijking van de functieaanduiding intensieve veehouderij via de binnenplanse afwijking van het bouwvlak heeft beoordeeld en geaccepteerd.
7.8.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat onder 18 in op de gevolgen daarvan. De rechtbank zal hierna de andere beroepsgronden beoordelen in het kader van finale geschillenbeslechting.
De binnenplanse afwijkingsvoorwaarden
Afwijking van het bouwvlak (artikel 3.4.1 van de planregels)
8. Eiseres stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor overschrijding van het bouwvlak zoals opgesomd in artikel 3.4.1 van de planregels. Overschrijding van het bouwvlak is volgens eiseres alleen toelaatbaar voor zover plaatsing in het bouwvlak niet mogelijk is. Volgens de ‘Toelichting handelen in strijd’ van 19 juli 2022 is plaatsing binnen het bouwvlak wel mogelijk. Daarnaast is de overschrijding van het bouwvlak alleen toelaatbaar voor zover plaatsing in het bouwvlak niet doelmatig is. De overschrijding is niet doelmatig omdat de stal niet kan worden gebruikt nu er ook een afwijking van de functieaanduiding nodig is. Verder is in de omgevingsvergunning niet gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Tot slot is het vergunde bouwplan ook in strijd met artikel 3.4.1, sub d, van de planregels, omdat geen sprake kan zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van een illegale stal buiten de functieaanduiding intensieve veehouderij.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet omdat niet alleen kan worden afgeweken als plaatsing in het bouwvlak niet mogelijk is, maar ook als plaatsing in het bouwvlak niet doelmatig is. In de door eisers bedoelde Toelichting is onderbouwd waarom plaatsing binnen het bouwvlak in dit geval niet doelmatig is, te weten in verband met het risico op brandoverslag en de veilige bereikbaarheid van de stallen. Eiseres heeft deze onderbouwing niet betwist. Dat, zoals hiervoor is overwogen, ook een afwijking van de functieaanduiding nodig is, maakt dat niet anders. Dat is een andere beoordeling dan de beoordeling of voor de overschrijding van het bouwvlak wordt voldaan aan de binnenplanse afwijkingsvoorwaarden. Verder heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat met de overschrijding van het bouwvlak sprake is van een onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Hiervan heeft het college namelijk onweersproken gesteld dat daarvan geen sprake is nu de overschrijding maar vijf meter bedraagt op terrein in eigendom van de veehouderij en er voldoende afstand bestaat tussen deze overschrijding en de omliggende functies. Tot slot geldt dat de landschappelijke inpassing is geborgd in de vergunningvoorschriften waarin staat dat het project overeenkomstig de tekening ‘landschappelijke inpassing’ van 19 juli 2022 landschappelijk ingepast moet worden.
Afwijking situering (artikel 3.4.6 van de planregels)
9. Eiseres stelt dat uit de omgevingsvergunning niet blijkt dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.4.6. van de planregels.
9.1.
Op grond van artikel 3.4.6 van de planregels kan een binnenplanse afwijking worden verleend voor het verkleinen van de afstand van de bebouwing tot de as van de weg en de zijdelingse/achterste bouwperceelsgrens met inachtneming van de volgende bepalingen:
a. het verkleinen van de afstand is vanuit stedenbouw- en verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar;
b. het verkleinen van de afstand is noodzakelijk voor een verantwoorde bedrijfsvoering;
c. er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen;
d. het verkleinen van de afstand leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet omdat uit de toelichting op de aanvraag van 10 september 2019, onderdeel van de vergunning, volgt dat wel degelijk een beoordeling heeft plaatsgevonden van deze voorwaarden. Zo is onderbouwd dat (a) de betreffende bouwperceelgrens grenst aan een stuk grond van cliënt waar geen openbare verkeersbewegingen plaatsvinden zodat het verkleinen van de afstand vanuit stedenbouwkundig- en verkeerskundig oogpunt aanvaardbaar is en (b) de te realiseren stal wordt gebouwd naast de bestaande bebouwing. De kap- en nokrichting is verder gelijk aan die van de naastgelegen stal. Het verkleinen van de afstand is volgens de toelichting esthetisch gezien noodzakelijk en aan de achterzijde van de stal bevinden zich geen woningen in de nabijheid. (c) deze aspecten zijn ook berekend en getoetst in de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten slotte is overwogen dat zich direct achter de betreffende bouwperceelgrens een stuk grond van de veehouderij bevindt en er geen nieuwe gevoelige functies binnen de afstand toegevoegd (d). Eiseres heeft deze onderbouwing niet betwist.
Milieu
De vergunde milieu-activiteiten
10. De veehouderij heeft een vergunning aangevraagd voor de activiteit ‘milieu’ omdat zij meer vleeskalveren gaat houden dan eerder vergund. Op basis van een eerdere vergunning van 28 januari 2020 [13] mocht de veehouderij de volgende aantallen dieren in de volgende stallen houden:
  • Stal C: 14 vleeskalveren (Rav-code: A4.100);
  • Stal D: 140 vleeskalveren (“);
  • Stal E: 64 vleeskalveren (“);
  • Stal G: 250 vleeskalveren (“);
  • Stal I: 516 vleeskalveren (“);
  • Stal J: 158 vleeskalveren (“);
  • Stal O: 512 vleeskalveren (met chemische luchtwasser, Rav-code: A4.4).
10.1.
De op 24 februari 2023 vergunde situatie is als volgt:
  • Stal D: 110 vleeskalveren (Rav-code: A4.100);
  • Stal E: 12 vleeskalveren (“);
  • Stal G: 250 vleeskalveren (“);
  • Stal I: 516 vleeskalveren (“);
  • Stal J: 158 vleeskalveren (“);
  • Stal L: 512 vleeskalveren (met chemische luchtwasser, Rav-code: A4.4);
  • Stal K: 660 vleeskalveren (met chemische luchtwasser, Rav-code: A4.4).
Revisievergunning
11. Eiseres stelt dat in de omgevingsvergunning ten onrechte niet wordt toegelicht waarom ervoor is gekozen om een extra revisievergunning te verlenen nu het hier de bouw van een enkele stal betreft. In de vergunning ontbreekt ook een overzicht van de voorheen afgegeven vergunningen die door de revisievergunning worden vervangen. Er wordt alleen een revisievergunning van 28 januari 2020 genoemd maar daarvan is in de vergunning vermeld dat de bestaande vergunning niet (gedeeltelijk) is vervallen. De revisievergunning van 2020 en 2023 zullen dus naast elkaar blijven bestaan. Het is bovendien onduidelijk welke andere vergunningen daar eerder nog aan vooraf gingen. Eiseres hecht eraan dat het college toelicht wat aan deze veehouderij wanneer precies is vergund en waarom nu is gekozen voor een extra revisievergunning omdat het een piekbelaster is.
11.1.
Zoals het college heeft toegelicht, heeft de veehouderij een revisievergunning aangevraagd die ook als zodanig is vergund. Op grond van de wet vervallen alle eerder voor de inrichting geldende vergunningen zodra de revisievergunning onherroepelijk wordt. [14] Op 28 januari 2020 is een revisievergunning verleend die onherroepelijk is, zodat alle daarvoor verleende toestemmingen zijn vervallen en dat zal ook gaan gelden voor deze revisievergunning, waarmee de revisievergunning van 28 januari 2020 zal vervallen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ammoniak
12. Eiseres betwijfelt of aan de maximale emissie-eis van 2,5 kg NH₃/dier/jaar wordt voldaan omdat in de nieuwe stal K een luchtwasser wordt toegepast met emissiefactor 0,18 kg NH₃/dier/jaar. Volgens eiseres kan niet worden gegarandeerd dat de luchtwassers op de juiste manier worden gebruikt en onderhouden, waardoor het onzeker is of de emissiereductie zal worden gehaald. Eiseres verwijst hiervoor naar recente uitspraken over emissiearme stalsystemen. [15]
12.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft met de enkele stelling dat zij twijfelt aan de juistheid van de onderbouwing op dit punt geen begin van onderbouwing voor haar standpunt gegeven dat het systeem niet op de juiste manier zou worden gebruikt of onderhouden. De verwijzing naar de genoemde uitspraken is hiertoe onvoldoende omdat die uitspraken niet gaan over het type luchtwasser dat in deze zaak is vergund.
Geur
13. Eiseres voert aan dat een berekening van de voorgrondbelasting van geur kennelijk ontbreekt. De vergunning maakt hier ook geen melding van. Hierdoor is onbekend of de voorgrondbelasting al dan niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie.
Daarnaast maakt de vergunning geen melding van extra maatregelen om de geurbelasting laag te houden, zoals een verhoging van uitstroom of verticale uitstroom.
Eiseres verwijst hiervoor naar uitspraken van de Afdeling [16] waarin het rapport van de Wageningen Universiteit van maart 2018 aan de orde komt. In dat onderzoek is geconcludeerd dat de geurreductie van gecombineerde luchtwassystemen in de praktijk veel lager is dan de reductie waarvan in de Regeling geurhinder en veehouderij is uitgegaan. Daarom is de Rgv op 20 juli 2018 ook gewijzigd. Deze vergunning is na die wijziging verleend. Er is niet gebleken dat de gewijzigde geuremissiefactoren zijn toegepast. In ieder geval is het college niet op dit punt ingegaan en is onduidelijk of bij de berekening van de geurbelasting is aangenomen dat de luchtwasser een lagere geurreductie heeft.
13.1.
De beroepsgrond mist feitelijke grondslag omdat er wel degelijk een geurberekening ten grondslag aan de vergunning ligt waarin wordt geconcludeerd dat de maximaal toegestane geurbelasting niet wordt overschreden. Het college heeft toegelicht dat er hierom geen aanleiding is om (de door eiseres genoemde) maatregelen in de vergunning voor te schrijven. Verder geldt dat, nog daargelaten dat de door eiseres genoemde uitspraken zien op gecombineerde luchtwassystemen en het hier over chemische luchtwassystemen gaat, het college de aanvraag heeft getoetst aan de Wgv en Rgv en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarbij is uitgegaan van verouderde regels.
Luchtkwaliteit
14. Eiseres voert aan dat ongemotiveerd wordt gesteld dat de aangevraagde situatie onder de drempel voor niet in betekenende mate (NIBM) van 1,2 µg/m³ fijnstof blijft. Hierdoor is er geen zekerheid dat de aanvraag daadwerkelijk onder die drempel blijft en had een verspreidingsberekening moeten worden uitgevoerd. Dit is ten onrechte niet gebeurd, temeer nu het een van de NIBM-uitzonderingsgebieden betreft en het college de vergunning heeft verleend ondanks de toename van fijnstof. Verder wijst eiseres op het rapport “2021-0018 Bijlage bevolkingsgewogen gemiddelden per gemeente” waaruit blijkt dat in de gemeente Ede fijnstof (PM10) uitkomt op 17,1 ten opzichte van het landelijke gemiddelde van 15,9. Eiseres wijst hierbij op de WHO-advieswaarde van 15,0.
14.1.
De beroepsgrond slaagt niet omdat het college in de vergunning heeft onderbouwd dat het aspect fijnstof niet in de weg staat aan verlening van de vergunning. Het college heeft in die onderbouwing toegelicht dat een verspreidingsberekening in dit geval niet nodig is omdat de toename blijft onder de drempel voor NIBM van 1,2 µg/m³ en dat weliswaar sprake is van een uitzonderingsgebied, maar dat dat niet betekent dat geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Dat mag in dit geval namelijk wel omdat geen sprake is van een overschrijding van de ondergrens van 800 kilogram fijnstof per jaar en in de aangevraagde situatie sprake is van een totale fijnstof emissie van 60,30 kilogram. Dat uit een rapport, zonder nadere duiding, volgt dat fijnstof in de gemeente Ede hoger uitkomt dan het landelijke gemiddelde, is onvoldoende voor het oordeel dat het college deze vergunning, waarin is beoordeeld dat fijnstof in dit specifieke geval niet in betekenende mate bijdraagt, niet kon verlenen. Verder geldt dat de advieswaarden van de WHO juridisch niet bindend zijn. [17]
Vergunningvoorschriften
Extra voorschriften
15. Eiseres verzoekt om artikel 2.1 aan te vullen met
“met uitzondering van het (tijdelijk) uitzetten van de luchtwassers”. Zo wordt geborgd dat het uitzetten van de luchtwassers niet kan worden gelegitimeerd onder verwijzing naar artikel 2.1.
Eiseres verzoekt om artikel 5.7 aan te vullen met
“en andere gevelopeningen”omdat voorkomen moet worden dat het bedrijf gebruik maakt van geperforeerde wanden, of iets dergelijks. In artikel 5.2 is daarnaast volgens eiseres ten onrechte niet opgenomen gedurende maximaal hoeveel uren incidentele afwijkingen zijn toegestaan. Het college neemt dit in andere omgevingsvergunningen wel op. Tot slot verzoekt eiseres om een bodem-bepaling toe te voegen die wel in andere vergunningen zit.
15.1.
Het college heeft toegelicht dat de voorgestelde toevoeging aan voorschrift 2.1 geen meerwaarde heeft omdat dit afzonderlijk handhaafbaar is op grond van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Datzelfde geldt voor het voorschrift over het nulsituatie-bodemonderzoek nu daarvoor de bodemvoorschriften uit hoofdstuk 2 en 3 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden. Ook toevoegingen aan voorschrift 5.7 zijn niet nodig nu er geen andere gevelopeningen zijn waardoor ongewenst geluid zou kunnen ontsnappen.
15.2.
Aan een omgevingsvergunning voor milieu worden voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van de bescherming van het milieu. [18]
15.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voorschriften in dit concrete geval bij deze veehouderij nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Dat een deel van deze voorschriften ook in andere omgevingsvergunningen staan, betekent niet dat die ook in dit geval nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Natuur
Aanhaakverplichting gebiedsbescherming?
16. Eiseres stelt dat het college er ten onrechte van uit gaat dat de vergunning kan worden verleend nu deze overeen zou komen met de aanvraag voor de natuurvergunning. Zij onderbouwt dit met verschillende beroepsgronden die zijn gericht tegen de AERIUS-berekening, de stelling dat nog onzeker is dat een natuurvergunning wordt verleend en verschillende beroepsgronden over de manier van salderen en het overschatte rendement van de luchtwassers.
16.1.
De aanvraag in deze zaak ziet op bouwen, strijdig gebruik en milieu. Als voor zulke activiteiten ook een natuurvergunning [19] nodig is, kan de aanvrager er voor kiezen om deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd te doorlopen. Dit betekent dat de aanvrager een afzonderlijke natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor de activiteiten kan aanvragen. Als de aanvrager hiervoor niet kiest, dan geldt de verplichting om alle activiteiten in één vergunning aan te vragen en moet voor dit deel gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen verlenen. [20]
16.2.
Uit de omgevingsvergunning volgt dat de veehouderij op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning voor dit project een separate natuurvergunning heeft aangevraagd. In dat geval is een aanhaakverplichting niet aan de orde en kunnen deze beroepsgronden over natuur in deze zaak niet aan de orde komen. Dat de aangevraagde natuurvergunning het bouwplan niet zou dekken is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk nu zij in deze procedure alleen een oordeel kan geven over de omgevingsvergunning.
Aanhaakverplichting soortenbescherming?
17. Eiseres stelt dat in de omgevingsvergunning ongemotiveerd wordt gesteld dat maatwerkvoorschriften ter voorkoming van lichthinder niet nodig zijn. Er ontbreekt ecologisch onderzoek waaruit blijkt dat geen sprake is van verstoring van bijvoorbeeld vleermuizen als gevolg van de nieuwe stal. Vooral omdat deze buiten het bouwvlak, en dus in het meer donkere gebied, komt.
17.1.
De rechtbank vat deze beroepsgrond zo op dat eiseres heeft bedoeld te stellen dat ten onrechte niet is aangehaakt in verband met een benodigde ontheffing voor soortenbescherming. De beroepsgrond slaagt niet omdat het college heeft toegelicht dat sprake is van gesloten stallen met een beperkte lichthinder en daardoor voorschriften niet zinvol zijn. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks, als er al vleermuizen aanwezig zijn, sprake zal zijn van relevante lichthinder op basis waarvan een aanhaakverplichting zou gelden voor soortenbescherming.
Conclusie en gevolgen
18. Omdat het beroep gegrond is wordt het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om een bestuurlijke lus toe te passen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Hoewel de rechtbank partijen ruim voor de zitting heeft bericht dat de bevoegdheid voor afwijking van de functieaanduiding op de zitting zou worden besproken, heeft het college geen inzicht gegeven of en op welke manier hij dan wel bevoegd zou zijn om af te wijken van deze functieaanduiding. Het is ook niet uitgesloten dat niet het college, maar de gemeenteraad voor deze afwijking bevoegd is via de verklaring van geen bedenkingen. [21] Ook hierover heeft het college zich niet uitgelaten. Het is daarom aan het college om alsnog te beoordelen of hij bevoegd is om een afwijking van de functieaanduiding intensieve veehouderij te verlenen en zo ja, of zo’n afwijking in redelijkheid kan worden verleend en zo nee, om in dat geval de gemeenteraad om een verklaring van geen bedenkingen te vragen. Het college zal dus een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
18.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college de proceskosten van eiseres vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 365,- aan haar vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van eiseres van €1.814,-;
  • draag het college op het griffierecht van eiseres van € 365,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Dit staat in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Er gelden ook nog aanvullingen in latere parapluplannen, maar die zijn voor deze afwijkingen niet van belang.
5.Dit is in de planregels gedefinieerd als een “niet-grondgebonden agrarisch bedrijf voor het houden van vee en pluimvee – zelfstandig of als neventak – waarbij dit houden van vee en pluimvee geheel of nagenoeg plaatsvindt in gebouwen. Het houden van melkrundvee, schapen of paarden wordt niet aangemerkt als intensieve veehouderij.”
6.Het college heeft op de zitting een uitspraak van de rechtbank Gelderland genoemd van 30 april 2019, zaaknummer ARN 18/4390, r.o. 13.2 en een uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2017, zaaknummer 201600147/1/A1, r.o. 4.1.
7.De gemachtigde van de veehouderij noemde een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2015, met zaaknummer 14/968, r.o. 4-6.
8.Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Artikel 2, eerste lid, onder I en II van de statuten van eiseres van 5 oktober 1972.
10.Als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo.
11.Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.14.
12.Zie artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo.
13.Dit betreft een ‘revisievergunning’.
14.Artikel 2.6, vierde lid, van de Wabo.
15.Uitspraken van de Afdeling van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2622 en ECLI:NL:RVS:2022:2624.
18.Artikel 2.22 en artikel 2.14 van de Wabo.
19.Als bedoeld (toen) in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
20.Zie bijvoorbeeld AbRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159, r.o. 20.3.
21.Zie artikel 2.27 van de Wabo in combinatie met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht.