ECLI:NL:RBGEL:2025:11090

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
ARN 23/6577
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:88 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure

Verzoeker heeft een schadevergoeding gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen. De rechtbank heeft het college en de Staat in de gelegenheid gesteld te reageren en heeft zonder zitting uitspraak gedaan met toestemming van partijen.

De rechtbank beoordeelt dat de redelijke termijn is overschreden. De termijn van behandeling van het bezwaar en beroep mag in beginsel respectievelijk een half jaar en anderhalf jaar duren. In deze zaak heeft de procedure, exclusief een periode van aanhouding op verzoek van partijen, ruim twee jaar geduurd, wat een overschrijding van ruim twee maanden betekent.

De rechtbank kent op grond hiervan een immateriële schadevergoeding toe van €500 aan verzoeker, te betalen door de Staat, omdat de overschrijding aan de rechtbank is toe te rekenen. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding van €453,50 toegekend aan verzoeker. De uitspraak is gedaan door rechter Heijmans en griffier Ebbers.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €500 schadevergoeding en €453,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen

(gemachtigde: mr. V.M.L. Vranken).
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), derde-partij.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het college van
22 augustus 2023.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om schadevergoeding. Het college heeft hierop gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij het verzoek, omdat verzoeker heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. [1]
1.3.
De rechtbank doet met toestemming van partijen zonder zitting uitspraak op het verzoek om schadevergoeding. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Over de schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn moet met overeenkomstige toepassing van de artikelen 8:88 en verder van de Algemene wet bestuursrecht worden beslist.
3.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van verzoeker.
3.2.
De redelijke termijn in een zaak als deze begint op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De hiervoor genoemde omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Uitgegaan wordt van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
3.3.
Het bezwaarschrift in deze zaak is op 25 maart 2023 door het college ontvangen. De redelijke termijn is geëindigd met de intrekking van het beroep. [3] De rechtbank neemt de periode waarin partijen hebben verzocht om aanhouding niet mee in de berekening. Partijen hebben op 5 juni 2025 verzocht om aanhouding. De procedure heeft zonder die periode van aanhouding twee jaar en ruim twee maanden geduurd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een termijn van meer dan twee jaar gerechtvaardigd te achten. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim twee maanden is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding voor immateriële schade van € 500.
3.4.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is aan de rechtbank toe te rekenen. De Staat moet daarom de schadevergoeding betalen.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan verzoeker van € 500.
4.1.
De rechtbank ziet aanleiding om aan verzoeker een proceskostenvergoeding toe te kennen voor in verband met het schadeverzoek gemaakte kosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een wegingsfactor van 0,5). [4] De Staat moet de proceskosten aan verzoeker vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van € 500 aan schadevergoeding aan verzoeker;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210).
2.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.ABRvS 11 december 2024 ECLI:NL:RVS:2024:5120, ro. 5.3.
4.ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294, ro. 2.2.