ECLI:NL:RBGEL:2025:11157

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/222
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonsanctie opgelegd aan werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van werknemer na langdurige ziekte

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 19 december 2025, wordt de loonsanctie van het UWV aan eiseres, een B.V., beoordeeld. De loonsanctie is opgelegd omdat eiseres volgens het UWV niet voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor haar werknemer, die sinds augustus 2021 arbeidsongeschikt is. De rechtbank stelt vast dat er na 52 weken van arbeidsongeschiktheid onenigheid is blijven bestaan over de verhouding tussen thuiswerken en werken op kantoor. Eiseres heeft zich bij de re-integratie-inspanningen te lang beperkt tot het eerste spoor en heeft het tweede spoor niet tijdig ingezet. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiseres ongegrond is, omdat zij onvoldoende heeft aangetoond dat zij aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank concludeert dat de loonsanctie terecht is opgelegd en dat eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierechten of proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige en adequate re-integratie-inspanningen door werkgevers, vooral in het tweede spoor, wanneer er twijfels zijn over de structurele werkhervatting van een werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/222

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. C. Lubberts).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] , werknemer (gemachtigde: mr. A. Holtland).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de door het UWV aan eiseres opgelegde verlenging van haar loondoorbetalingsverplichting aan werknemer [derde-partij] , omdat eiseres volgens het UWV niet al haar verplichtingen tot re-integratie van de werknemer is nagekomen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
Het UWV heeft de loondoorbetalingsverplichting van eiseres bij besluit van 19 juli 2023 verlengd tot 19 augustus 2024. Met het bestreden besluit van 14 november 2023 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de opgelegde loonsanctie gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres met R. Knipscheer, (indirect) bestuurder van eiseres, de werknemer met zijn gemachtigde alsmede de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

De niet betwiste feiten
2. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten door partijen niet betwist zijn.
2.1.
Werknemer is in 2010 bij eiseres in dienst getreden als projectcoördinator gedurende 32 uur per week. Op 23 augustus 2021 is hij wegens ziekte voor dit werk uitgevallen.
2.2.
In de Periodieke evaluatie van 15 juni 2022 schrijft de bedrijfsarts verbonden aan de Arbodienst van eiseres, onder meer het volgende.
“Er zijn structurele beperkingen in de prikkelverwerking (omgang met omgevingsgeluid, frequente storingen, intensief collegiaal contact etc.), echter dit lijkt geen structurele beperking voor de inzet in het eigen werk daar meneer met enige aanpassing het volledige eigen werk kan verrichten. Langdurige blootstelling aan (te) veel prikkels kan wel zorgen voor een afname van de duurzame inzetbaarheid. Gezien er geen beperkingen zijn kan het verzuim worden gesloten en is een vervolgafspraak niet geïndiceerd. Indien er een blijvend vraagstuk blijft over de geschiktheid van het eigen werk kan een arbeidsdeskundige worden ingezet. Ook kan een deskundigenoordeel bij het UWV worden gevraagd.”
2.3.
Eiseres heeft op 18 juli 2022 een deskundigenoordeel (DO) aangevraagd over (volgens de aanvraag) de vraag: “kan mijn werknemer op een bepaalde datum zijn eigen werk weer volledig doen (zonder aanpassing van zijn taken en uren)?” In de toelichting op de aanvraag heeft eiseres uiteengezet dat de werknemer zijn werk volledig kan en wil doen, maar niet op kantoor en wel vanwege te veel prikkels. Om de prikkels tegen te gaan, is de kantoorruimte aangepast, waardoor de werknemer alleen en afgesloten “zit”. De werknemer heeft meer behoefte aan flexibiliteit en het naar kantoor komen beperkt hem in zijn werkzaamheden, waardoor hij aan het einde van de dag minder geconcentreerd is. Eiseres vindt het noodzakelijk dat er in een projectorganisatie zo veel mogelijk op kantoor wordt gewerkt in verband met kennisoverdracht en teamvorming. Omdat de werknemer zijn werk niet volledig op kantoor kan verrichten, is hij voor 95% beter gemeld. Hij is dus nog niet volledig hersteld en daarom wordt om een DO gevraagd.
2.4.
Op 9 augustus 2022 heeft het UWV eiseres laten weten geen DO te kunnen geven, omdat er volgens het UWV geen geschil is tussen eiseres en de werknemer over de arbeids(on)geschiktheid van de werknemer. Er is sprake van een arbeidsrechtelijke kwestie, een deskundigenoordeel is dan niet nodig. Het UWV gaat ervan uit dat eiseres verder werkt aan re-integratie. Daarbij kan eiseres weer haar Arbodienst of bedrijfsarts inschakelen, aldus het UWV.
2.5.
De bedrijfsarts heeft op 24 augustus 2022 de Eerstejaarsevaluatie verricht. Daarin heeft hij opgetekend:
“Concrete oplossingen voor de situatie op het werk met de structurele beperkingen van meneer nog niet gevonden. Medisch gezien zijn er structureel aanwezige beperkingen (welke reeds bekend zijn) waarmee werkgever en werknemer samen een werkbare situatie moeten creëren.”
De bedrijfsarts adviseert om een expertisebureau in te schakelen voor verdere adviezen over de inzet in werk. Verdere monitoring van deze inzet zal via de re-integratie- en preventieadviseur worden gedaan.
2.6.
Eiseres heeft daarop re-integratieburo Effectyf ingeschakeld. Uit de rapportage van Effectyf van 30 november 2022, aangeduid als een plan van aanpak en opgesteld door een consultant/coach, blijkt onder meer het volgende.
Het traject is gestart op 4 november 2022 met als doel “directe coaching” met het oog op de re-integratie in het eerste spoor. Werknemer is op 23 augustus 2021 gedeeltelijk uitgevallen, en werkt zestien uur in zijn eigen werk. Werknemer wil graag zijn werk doen en ziet kans om weer volledig aan het werk te gaan door zelf de regie te nemen. Voor duurzaamheid en continuïteit van de werkzaamheden zullen er volgens de consultant/coach omgevingseisen aangepast moeten worden. Dit houdt verband met als storend ervaren randvoorwaarden die inherent zijn aan de arbeidsbeperking van de werknemer. Werknemer is aangewezen op een eigen, prikkelarme werkomgeving met de mogelijkheid om aan te sluiten bij collegiale zaken en besprekingen. De coaching richt zich op het verbeteren van de belastbaarheid, de werkplek, de arbeidsomgeving en de werknemersvaardigheden van de werknemer, aldus het rapport.
2.7.
In de Periodieke evaluatie van 21 februari 2023 schrijft de bedrijfsarts onder meer het volgende. De begeleiding bij de inzet in het werk is vertraagd door uitval van de begeleider. Er is een vervanger ingezet. Als de passendheid een structureel vraagstuk blijft, dan kan een arbeidsdeskundige worden ingezet om dit te onderzoeken. Het advies is om samen in gesprek te blijven over de situatie en samen te zoeken naar oplossingen om de arbeidsomstandigheden te optimaliseren en samen tot een concrete en duurzame werkhervatting te komen. Het te verwachten doel is duurzaam herstel in de eigen functie, aldus de bedrijfsarts.
2.8.
In de Eindevaluatie, opgesteld door eiseres en de werknemer en gedateerd 23 mei 2023, staat dat de werknemer 30 uur per week het eigen werk doet met aanpassingen sinds
1 mei 2023. Hij werkt twee van de vier dagen op kantoor, voor zijn uitval wegens ziekte was dit drie van de vier dagen. Over het tweede spoor is vermeld dat de intentie is dat de werknemer werkzaam blijft bij eiseres en dat “de bedrijfsarts 2e spoor bekijken nog niet adviseert.”
2.9
De bedrijfsarts heeft op 30 mei 2023 een Periodieke evaluatie opgesteld. De bedrijfsarts heeft daarin opgeschreven, dat de werknemer momenteel 30 van de 32 uur werkt. Daaraan heeft hij toegevoegd:
“De blijvende zoektocht naar de aanpassingen van het werk kosten veel energie. (…) De aanvraagperiode voor een WIA-uitkering is aangebroken. Zekerheidshalve adviseer ik deze aanvraag te doen.”
In het actueel oordeel van 31 mei 2023 heeft de bedrijfsarts genoteerd dat er lichte en structurele beperkingen zijn in de prikkelverwerking. Er was eerder een meningsverschil tussen eiseres en de werknemer over de passendheid van het werk, maar dankzij coaching is het gelukt om weer 30 van de 32 uur aan het werk te zijn. Over de kwaliteit van de arbeidsrelatie heeft de bedrijfsarts opgetekend dat “aanhoudende onenigheid over passend werk en werkomstandigheden geven enige ruis.”
2.1
De werknemer heeft op 1 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.11
De arbeidsdeskundige SMZ van het UWV heeft het re-integratieverslag van eiseres en de werknemer beoordeeld en de bevindingen neergelegd in een rapport van 12 juli 2023.
De conclusie daarvan is dat eiseres te weinig heeft gedaan aan de re-integratie van de werknemer zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. Aan dit rapport wordt het volgende ontleend.
“Er is tussen werkgever en werknemer verschil van inzicht over het aanbieden van aangepast eigen werk. De werknemer ziet mogelijkheden om te hervatten in eigen aangepast werk waarbij hij 2 dagen vanuit huis werkzaam is en 2 dagen op kantoor. De werkgever biedt hem deze werkzaamheden niet structureel aan.”
De verzekeringsarts aan wie het re-integratieverslag ook is voorgelegd, heeft kenbaar gemaakt dat hij zich kan vinden in de door de bedrijfsarts opgestelde belastbaarheid.
De arbeidsdeskundige SMZ heeft navraag bij eiseres gedaan over het structureel aanbieden van het eigen aangepaste werk “op basis van 2 dagen thuis/2 dagen kantoor” ook na 20 augustus 2023 (de datum waarop de wachttijd voor de WIA verstrijkt). Eiseres heeft op 26 juni 2023 geantwoord dat het werk in de huidige vorm niet structureel wordt aangeboden en vervolgt:
“de heer [derde-partij] gaat eerst kijken of het lukt om meerdere dagen naar kantoor te komen. Tot op heden is dit niet geprobeerd namelijk Wanneer dit niet lukt gaat wij samen om de tafel om goede afspraken te maken.” In een verslag van een gesprek tussen eiseres, de werknemer en Effectyf/Jobstart op 21 juni 2023 is opgetekend dat eiseres niet wil toezeggen dat de werknemer, zoals hij graag wil, voor vast twee dagen thuis mag werken omdat.
dagelijks contact op de werkvloer volgens eiseres “waardevol c.q. gewenst” is”.
Volgens de arbeidsdeskundige heeft de werkgever
“onvoldoende inzichtelijk en aannemelijk gemaakt op basis van weging van de belasting in de functie en de belastbaarheid van werknemer, dat er ondanks arbeidsmogelijkheden geen structurele herplaatsingsmogelijkheden zijn in de organisatie.”
Daarnaast is er volgens de arbeidsdeskundige SMZ geen adequaat tweede spoor ingezet, omdat er na het verstrijken van de wachttijd voor de WIA geen structureel werk wordt aangeboden
Het bestreden besluit
3. Het UWV heeft de behandeling van de WIA-aanvraag van werknemer met het primaire besluit van 18 juli 2023 uitgesteld en daarbij bepaald dat eiseres in haar hoedanigheid van werkgever verplicht is het loon waarop werknemer tijdens ziekte recht heeft, door te betalen tot 19 augustus 2024 (loonsanctie).
3.1.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) heeft op 8 november 2023 gerapporteerd. Aan dit rapport ontleent de rechtbank onder meer, dat eiseres volgens de arbeidsdeskundige b&b de adviezen van de bedrijfsarts om een arbeidsdeskundige in te schakelen heeft genegeerd. Dat had kunnen resulteren in meer gerichte re-integratieadviezen. De arbeidsdeskundige b&b begrijpt niet waarom eiseres behoefte had aan een DO.
De arbeidsdeskundige b&b is, net als de arbeidsdeskundige SMZ, van mening dat er is geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat eiseres niet structureel passend werk aanbiedt. Dat eiseres wel de intentie had om na het einde van de wachttijd voor de WIA het loon door te betalen doet hieraan niets af.
Vast staat dat de re-integratieactiviteiten zich ook tijdens het tweede ziektejaar volledig hebben gericht op het eerste spoor en dat het tweede spoor zonder deugdelijke grond niet is ingezet, aldus de arbeidsdeskundige b&b.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt de door het UWV aan eiseres opgelegde verplichting om het loon van de werknemer door te betalen tot 19 augustus 2024 (loonsanctie). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Voor een weergave van het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beroepsgronden
5. Volgens eiseres heeft het UWV ten onrechte haar aanvraag om een DO niet in behandeling genomen. Eiseres heeft de aanvraag met een heldere vraagstelling ingediend, maar het UWV heeft daaraan een eigen, incorrecte interpretatie gegeven. Er is immers geen sprake van een arbeidsrechtelijke kwestie, maar van een verschil van inzicht (dat rond de zomer van 2022 is ontstaan) tussen de bedrijfsarts en de werknemer omtrent het aantal inzetbare werkuren op kantoor, daarbij rekening houdend met zijn belastbaarheid. De werknemer stelde dat hij niet wekelijks drie à vier dagen op kantoor kon werken. Het werk van de werknemer vergt veel overleg en fysieke afstemming op kantoor.
Indien dit oordeel door het UWV was gegeven dan had eiseres daarop tijdig en adequaat gereageerd en was de huidige situatie naar redelijke verwachting niet ontstaan. In bezwaar is dit punt door eiseres aan de orde gesteld, maar de arbeidsdeskundige b&b van het UWV is hierop niet inhoudelijk ingegaan.
Eisers stelt dat de bedrijfsarts, de werknemer en zijzelf doelbewust, bij voortduring, hebben ingezet op re-integratie in het eerste spoor. Eiseres heeft daarbij kosten noch moeite gespaard om dit te realiseren. De gemaakte kosten van het re-integratietraject bedragen inmiddels € 40.000. De werknemer is een jaar lang intensief begeleid, zijn werkplek/werkruimte is zo ingericht dat hij solistisch/prikkelarm kan werken en het voltallige personeel is geinstrueerd over het omgaan met personen met aandoeningen zoals die van de werknemer. De re-integratie in het eerste spoor was ten tijde van de WIA-aanvraag van de werknemer voor meer dan 80% geslaagd, gezien het aantal uren dat hij toen werkte. Omdat het UWV geen stukken heeft overgelegd dat de voorgenomen loonsanctie is voorgelegd aan de landelijke loonsanctiecommissie (LLC), kan de loonsanctie volgens eiseres niet in stand blijven.
In de aanvullende gronden van het beroep van 16 december 2024 schrijft eiseres dat het DO aan het UWV is gevraagd vanwege het standpunt van de bedrijfsarts en eiseres dat werknemer volledig kan werken op kantoor.
Eiseres heeft verder een verklaring van de bedrijfsarts van 19 januari 2024 overgelegd, waarin deze bevestigt dat terugkeer in eigen werk steeds de doelstelling is geweest gezien de spreekuurterugkoppelingen tot en met 25 maart 2023 en dat dit ook haalbaar is gebleken getuige het re-integratieresultaat “tot dan toe”. Het door eiseres ingeschakelde re-integratieburo Effectyf zag geen expliciete reden om een zoekprofiel op te stellen, omdat werknemer zijn eigen werk kon oppakken en uitvoeren wanneer de randvoorwaarden goed zijn.
Gezien deze omstandigheden is eiseres van mening dat aan haar geen loonsanctie opgelegd kon worden, omdat zij alle geldende re-integratie-inspanningen conform de vigerende wet- en regelgeving heeft geleverd en daartoe kosten noch moeite heeft gespaard.
Tot slot wijst eiseres erop dat de werknemer ten tijde van de WIA-aanvraag 30 uur per week structureel werkzaam was in eigen werk met een loonwaarde van meer dan 65%. Er was daarom zicht op structurele werkhervatting in het eigen werk. Een loonsanctie kon hierom al niet worden opgelegd.
Wat vindt de rechtbank?
5.1.
Het besluit tot oplegging van de loonsanctie is een door het UWV ambtshalve genomen besluit met een voor eiseres belastend karakter. Op grond van vaste rechtspraak moet het UWV aannemelijk maken dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. [2] Uit het belastende karakter van het besluit tot oplegging van een loonsanctie volgt dat het UWV bij dat besluit duidelijk dient te motiveren welke tekortkoming aan de werkgever wordt verweten en gemotiveerd uiteen dient te zetten dat dit zonder deugdelijke grond is gebeurd.
5.2.
Tijdens de zitting heeft eiseres de grond dat onduidelijk is of het UWV de loonsanctie heeft voorgelegd aan de LCC niet langer gehandhaafd.
Is sprake van een bevredigend re-integratie-resultaat in de zin van de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter (de Beleidsregels)?
5.3.
In een uitspraak van 9 augustus 2017 [3] heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de volgende overweging gewijd aan de wijze waarop het UWV beoordeelt of er sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat:
“In de zogenoemde RIV-toets in de praktijk, een ten tijde hier van belang gehanteerde werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van het UWV (RIV-toets), is voor het vaststellen van een bevredigend resultaat in hoofdstuk 5.2 opgenomen dat een bevredigend resultaat is bereikt als sprake is van:
“I. een structurele werkhervatting bij de eigen of een andere werkgever in passend werk dat min of meer aansluit bij de functionele mogelijkheden. Pas wanneer dit niet haalbaar blijkt dan is een bevredigend resultaat ook bereikt als:
II. de werknemer heeft hervat in structurele werkzaamheden die minder goed aansluiten bij de functionele mogelijkheden maar die wel een totale loonwaarde per betalingsperiode van 65% of meer van het oorspronkelijke loon opleveren.
In deze definitie zit een volgorde die aangehouden moet worden. Er is dus niet automatisch sprake van een bevredigend resultaat als de werknemer tegen 65% loonwaarde heeft hervat.
Om vast te stellen of er sprake is van een bevredigend resultaat toetst de arbeidsdeskundige drie voorwaarden:
1. is de werkhervatting structureel?
2. gaat het om passend werk?
3. sluit het werk (min of meer) aan bij de functionele mogelijkheden.”
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer in mei 2023 30 van de 32 uur werkte. [4] Dat gegeven maakt het aannemelijk dat de werknemer werkzaam was tegen meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loonwaarde in werk dat (min of meer) aansloot bij zijn functionele mogelijkheden. Eiseres stelt dat het opleggen van een loonsanctie daarom niet aan de orde is. Eiseres gaat er hierbij echter aan voorbij dat volgens de hiervoor vermelde rechtspraak niet automatisch sprake is van een bevredigend resultaat als de werknemer tegen tenminste 65% loonwaarde heeft hervat. Een essentiële voorwaarde is ook dat de werkhervatting structureel is.
Het UWV heeft aan eiseres gevraagd of het aangepaste werk structureel wordt aangeboden. In een mailbericht van 26 juni 2023 heeft eiseres het volgende geschreven:
“Momenteel bieden wij dat niet structureel aan, de heer [derde-partij] gaat eerst kijken of het lukt om meerdere dagen op kantoor te komen. Tot op heden is dit nog niet geprobeerd namelijk. Wanneer dit niet lukt gaan wij samen om de tafel om goede afspraken te maken.”
In een mailbericht van 17 oktober 2023 heeft eiseres een nadere toelichting gegeven:
“Mijn reactie van 26-06 had betrekking op de verdeling van werkdagen op kantoor (2) en thuis (2) en niet over zijn dienstverband. Na EWT bleef/blijft deze ook van kracht (dienstverband, salaris e.d.).”
De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres de aangepaste
werkzaamhedenniet structureel aanbood, en dat dit los staat van het
dienstverbandof de doorbetaling van het loon. In de mailberichten van eiseres leest de rechtbank dat eiseres en de werknemer nog geen overeenstemming hadden over de invulling van de werkzaamheden. zodat van een structurele invulling hiervan (en van een structurele werkhervatting in dat werk) geen sprake was.
Hieruit volgt dat geen sprake is van een bevredigend resultaat in de zin van de Beleidsregels, omdat onvoldoende aannemelijk is dat de werknemer ook na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan blijven werken. [5]
Nu geen sprake is van een bevredigend resultaat, kon het UWV toekomen aan een beoordeling van de reintegratieinspanningen van eiseres.
De periode waarover het UWV de re-integratie-inspanningen toetst begint op de eerste ziektedag van de werknemer en eindigt op de dag dat hij de WIA-aanvraag indient. Als er zich na de datum van de aanvraag nog situaties voordoen die bevestigen dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, dan mag het UWV dit meenemen in de toetsing. Het UWV mag geen negatief oordeel over de re-integratie-inspanningen geven als dit alleen gebaseerd is op wat er ná de indiening van de WIA-aanvraag is nagelaten op het gebied van re-integratie. [6]
In dit geval is de te beoordelen periode derhalve de periode van 23 augustus 2021 tot en met 1 juni 2023 (met uitloop naar 12 juli 2023, de datum van de beoordeling van het re-integratieverslag).
Het tweede spoor
5.5.
Zodra er geen zicht (meer) bestaat op een structurele hervatting binnen de eigen organisatie, moet er een adequaat tweede-spoortraject worden gestart om de hervattingskansen van de arbeidsongeschikte werknemer zo veel mogelijk te vergroten. Een tweede-spoortraject moet uiterlijk binnen zes weken na de Eerstejaarsevaluatie (in de 52e verzuimweek) worden gestart. [7]
Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiseres een deugdelijke grond had om het tweede spoor niet al in de te beoordelen periode op te starten. Volgens eiseres was dit het geval, omdat er in de gehele te beoordelen periode zicht was op een structurele werkhervatting binnen het eigen (aangepaste) werk.
5.6.
Eiseres wijst ter onderbouwing van haar standpunt op de ingebrachte verklaring van de bedrijfsarts van 19 januari 2024. De bedrijfsarts verklaart dat terugkeer in het eigen werk steeds de doelstelling is geweest en “gezien de spreekuurterugkoppelingen tot en met 25-5-2023” is dit ook gelukt, aldus de bedrijfsarts.
De rechtbank verwerpt het standpunt van eiseres.
In de Werkwijzer Poortwachter (waaraan de maatstaven voor de beoordeling van de re-integratie inspanningen van werkgevers volgens vaste rechtspraak mede mogen worden ontleend) staat dat tijdens het tweede ziektejaar de re-integratievolgorde blijft bestaan. De re-integratie richt zich ook in deze situatie in eerste instantie op het eerste spoor. Maar omdat het tweede jaar van de loondoorbetalingsverplichting inmiddels is ingegaan, moet er direct (naast een onverminderd voortzetten van het eerste-spoortraject) met een tweede-spoortraject gestart worden. [8] Dat de doelstelling steeds de terugkeer in het eigen werk is geweest komt weliswaar overeen met wat in de Werkwijzer Poortwachter staat, maar eiseres heeft volgens de rechtbank niet tijdig, naast het eerste-spoortraject, het tweede spoor ingezet, terwijl er voldoende aanwijzingen waren dat een structurele werkhervatting bij de eigen werkgever aan de nodige twijfel onderhevig was.
De bedrijfsarts heeft namelijk meerdere malen (onder meer in de periodieke evaluaties van 15 juni 2022 en 21 februari 2023) geadviseerd om een arbeidsdeskundige in te schakelen, indien er blijvende onenigheid blijft bestaan over de passendheid van het (aangepaste) eigen werk. Ook in het actueel oordeel van 25 mei 2023 maakt de bedrijfsarts expliciet melding van aanhoudende onenigheid over passend werk. De rechtbank stelt vast dat eiseres pas tijdens de procedure in bezwaar een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek heeft laten verrichten. Het in dit verband door ArboNed uitgebrachte rapport laat de rechtbank evenwel buiten beschouwing, omdat het geen betrekking heeft op de in dit geschil te beoordelen periode.
De rechtbank twijfelt niet aan de goede intenties van eiseres en de werknemer, maar is van oordeel dat eiseres in dit geval geen deugdelijke grond heeft aangevoerd, waarom niet in een veel eerder stadium een arbeidsdeskundig onderzoek is aangevraagd en het tweede spoor is ingezet.
De omstandigheid dat de bedrijfsarts op 15 juni 2022 in overweging heeft gegeven om een DO aan het UWV te vragen en het UWV dit DO niet heeft gegeven maakt dit niet anders. De werkgever blijft eindverantwoordelijke voor de verzuimbegeleiding en de re-integratie. Dat impliceert onder meer dat hij de vinger aan de pols houdt en dat hij door middel van interactie met de werknemer en de bedrijfsarts nagaat welke actie noodzakelijk is voor een optimaal re-integratieresultaat. [9] Het UWV heeft eiseres hier in de brief van 9 augustus 2022 inzake het niet uitbrengen van een DO ook op gewezen. Tijdens de zitting heeft het UWV erop gewezen dat eiseres en werknemer al vanaf juni 2022 discussie hadden over de verhouding thuiswerk/werken op kantoor. De werknemer heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat aan het eind van het eerste ziektejaar al duidelijk was dat twee dagen op kantoor werken structureel niet haalbaar was. Hiermee is voldoende duidelijk dat er ten tijde van de Eerstejaarsevaluatie al een verschil van inzicht was en dat dit verschil van inzicht er in ieder geval op 26 juni 2023 nog altijd aanwezig was. [10] Als eiseres de aanwezigheid gedurende meer dan twee dagen per week op kantoor noodzakelijk achtte, dan had zij juist hierin eerder aanleiding moeten zien om het tweede spoor in te zetten (naast het eerste spoor). Ook na de afwijzing van het verzoek om een DO is eiseres door de bedrijfsarts nogmaals gewezen op het voortdurende verschil van inzicht en het belang van het aanvragen een arbeidsdeskundig onderzoek. Desondanks heeft eiseres de onzekerheid te lang laten voortduren.
De rechtbank heeft er begrip voor dat het niet uitvoeren van een DO door het UWV bij eiseres de nodige onduidelijkheid veroorzaakt kan hebben, maar is van oordeel dat ook zonder dit DO van eiseres mocht worden verwacht dat zij meer of andere re-integratie-activiteiten zou hebben verricht, in dit geval naast het eerste spoor opstarten van het tweede spoor. Gezien de toelichting op de aanvraag is niet goed te begrijpen dat het UWV de aanvraag heeft afgewezen met als reden dat er geen geschil was over de arbeids-(on)geschiktheid), aangezien uit de toelichting op de aanvraag (in ieder geval ook) blijkt dat eiseres een oordeel wilde over de ernst van de beperkingen van de werknemer en de gevolgen voor zijn belastbaarheid. Dat had voor eiseres of haar Arbodienst reden moeten zijn om nogmaals een aanvraag in te dienen of om de aanvraag duidelijker te onderbouwen.
5.7.
De verwijzing door eiseres naar het door re-integratieburo Effectyf uitgebrachte rapport kan eiseres evenmin baten. Het doel van het traject bij Effectyf was directe coaching/eerste spoor. [11] Effectyf heeft geen zoekprofiel opgesteld. Eiseres heeft zich met de inschakeling van Effectyf ook uitsluitend op re-integratie in het eerste spoor gericht en daarmee geen tweede spoor ingezet, wat bij de aanvang van het traject bij Effectyf op 4 november 2022 wel was aangewezen.
In het dossier bevindt zich enkel een offerte van Effectyf van 25 augustus 2022 en een plan van aanpak van 30 november 2022. Een voortgangs- of eindrapportage heeft de rechtbank niet aangetroffen. Wel bevindt zich onder de stukken een verslag van een gesprek tussen eiseres, de werknemer en een medewerker van Effectyf op 21 juni 2023. Tijdens dit gesprek is door Effectyf kenbaar gemaakt, dat het advies is om de werknemer vast twee dagen thuis te laten werken, en dat werknemer dit door eiseres toegezegd wil hebben. Eiseres kon en wilde dit echter niet toezeggen. Dit bevestigt de voortdurende controverse tussen eiseres en werknemer, zoals de rechtbank hiervoor onder 5.6. heeft beschreven.
6. Gelet op wat door de rechtbank hiervoor onder 5.1 tot en met 5.7. is geoordeeld, heeft eiseres zich tijdens de te beoordelen periode zonder deugdelijke grond beperkt tot de re-integratie van werknemer in het eerste spoor (hervatting in eigen, aangepast werk bij de eigen werkgever) en daarom eveneens zonder deugdelijke grond geen re-integratie in het tweede spoor ingezet. Ondanks het niet afgeven van een DO door het UWV had eiseres (of haar Arbodienst) moeten beseffen dat overeenstemming over de verhouding tussen het aantal dagen thuiswerken en het aantal dagen op kantoor werken in het eigen, aangepaste werk van cruciaal belang waren voor een geslaagde re-integratie in het eerste spoor.
6.1.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de beroepsgronden niet slagen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Het UWV heeft terecht beslist dat eiseres zonder deugdelijke grond geen re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht. Het UWV mocht dan ook een loonsanctie aan eiseres opleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wettelijk kader

Artikel 25 van de Wet WIA

In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is, kort samengevat, bepaald dat het UWV het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Artikel 65 van de Wet WIA

Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt dat het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

De Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter

In de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter (de Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Volgens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De betreffende hervatting moet een structureel karakter hebben, dat wil zeggen: het moet aannemelijk zijn dat de werknemer ook na afloop van de verlichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan blijven werken. Indien het resultaat niet bevredigend is wordt ingezoomd op het re-integratieproces van de eerste twee ziektejaren en de daarbij verrichte re-integratie-inspanningen. De beoordeling van het UWV is dan dus uitgebreider. Als er geen bevredigend re-integratie-resultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. In de uitspraken van 28 oktober 2009 en 18 november 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dit beleid niet onredelijk geoordeeld. [12]

Voetnoten

1.Statutair gevestigd te [plaats 3] .
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 maart 2015, ECLINL:CRVB:2015:861.
4.Zie rapport arbeidsdeskundige b&b van 8 november 2023, pagina 2.
5.Onderdeel 3 van de bijlage bij de Beleidsregels (uitgangspunten beoordeling, bevredigend resultaat).
6.9.1 van de Werkwijzer Poortwachter
7.4.3.1. van de Werkwijzer Poortwachter
8.4.3.2. van de Werkwijzer Poortwachter
9.Onderdeel 6 van de bijlage bij de Beleidsregels
10.E-mail van eiseres van 26 juni 2023.
11.Pagina 1 van de rapportage van Effectyf (Plan van aanpak) van 30 november 2022.
12.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570 en 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717.