Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een kort geding over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de huurder, de vader van eiser. Eiser, de zoon, woont sinds april 2025 in de woning en vordert dat hij de huurovereenkomst kan voortzetten en de ontruiming wordt opgeschort. Verhuurder stelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 BW Pro en dat de zesmaandstermijn om een bodemprocedure te starten is verstreken.
De kantonrechter oordeelt dat een verklaring voor recht in kort geding niet mogelijk is en dat eiser zonder recht of titel in de woning verblijft. De vervaltermijn is dwingend en eiser heeft nagelaten tijdig een bodemprocedure te starten. Het beroep van verhuurder op de vervaltermijn is niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Eiser wordt veroordeeld om binnen vier weken de woning te ontruimen en aan verhuurder ter beschikking te stellen. Tevens moet hij vanaf augustus 2025 tot ontruiming een schadevergoeding betalen gelijk aan de huurprijs. De proceskosten worden aan eiser opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Eiser moet de woning binnen vier weken ontruimen en betalen huurachterstand vanaf augustus 2025.