ECLI:NL:RBGEL:2025:11482

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
25/6315
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake last onder bestuursdwang voor sluiting opslagruimte in verband met overtreding Opiumwet

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland wordt een verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. Het betreft een besluit van de burgemeester van de gemeente Heumen om opslagruimte [nummer] van een pand te sluiten voor de duur van één jaar, naar aanleiding van een overtreding van de Opiumwet. Verzoeker, eigenaar van het pand, is het niet eens met dit besluit en heeft bezwaar gemaakt, evenals een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd dat sluiting noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. De voorzieningenrechter wijst op het ontbreken van aanwijzingen voor drugshandel en de goede samenwerking van verzoeker met de huurders. De burgemeester moet het griffierecht aan verzoeker vergoeden, maar er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6315

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

de burgemeester van de gemeente Heumen

(gemachtigde: W.P.M. Kersten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De burgemeester heeft besloten om opslagruimte [nummer] van het pand aan de [locatie] in [plaats] te sluiten voor de duur van één jaar. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker is eigenaar van het pand aan de [locatie] in [plaats]. In dit pand verhuurt verzoeker zeven opslagruimten. Verzoeker heeft opslagruimte [nummer] verhuurd aan [persoon A].
2.1.
Op 14 oktober 2025 hebben de douane en de politie het pand gecontroleerd. Tijdens deze controle is een overtreding van de Opiumwet geconstateerd. Uit de ontvangen politierapportage blijkt onder andere het volgende:
  • in het pand (in opslagruimte nummer [nummer]) is 3,45 kilogram hasj aangetroffen, verborgen in twee verfbussen;
  • er was een geprepareerde auto met een verborgen ruimte aanwezig
  • er was een geprepareerde ruimte lijkend op een aggregaat aanwezig.
2.2.
De burgemeester heeft verzoeker op 19 november 2025 een voornemen tot oplegging van een last onder bestuursdwang gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld om binnen een week een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
2.3.
Bij besluit van 2 december 2025 heeft de burgemeester verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat opslagruimte [nummer] met ingang van 18 december 2025 voor de duur van één jaar zal worden gesloten.
2.4.
Nadat verzoeker een verzoek tot voorlopige voorziening had ingediend, heeft de burgemeester de sluiting uitgesteld tot en met de zitting van de voorzieningenrechter.
2.5.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, volgt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat
daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a
voorhanden is.
3.1.
Op grond van deze bevoegdheid is de beleidsregel “Drugsbeleid gemeente Heumen 2019” vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Heumen. Op grond van deze beleidsregel wordt een lokaal bij een eerste overtreding gesloten voor een periode van één jaar.
Is het besluit op de juiste wijze verzonden?
4. Tussen partijen is in geschil of verzoeker op de juiste wijze is geïnformeerd over het besluit. Vast staat dat het besluit aangetekend is verzonden, maar dat verzoeker geen kennis heeft kunnen nemen van dit besluit omdat hij met vakantie was. Na terugkomst heeft hij alsnog kennis genomen van het besluit en heeft hij tijdig bezwaar kunnen maken en een verzoek om een voorlopige voorziening kunnen indienen. De burgemeester heeft daarnaast met de sluiting gewacht tot en met de zitting bij deze rechtbank. Niet gebleken is dat er sprake is van schending van rechtsbeginselen als door verzoeker is gesteld. Het betoog van verzoeker slaagt niet.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van het pand over te gaan?
5. De burgemeester heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er sprake is van een overtreding van de Opiumwet.
De burgemeester stelt in het bestreden besluit dat hij gebruik kan maken van zijn bevoegdheid, omdat in opslagruimte [nummer] drugs is aangetroffen. Deze bevoegdheid wordt niet weersproken door verzoeker.
Heeft de burgemeester gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregel?
6. De bevoegdheid, geregeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, biedt de burgemeester beleidsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik te maken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.
7. De burgemeester hanteert beleid (de beleidsregel Drugsbeleid gemeente Heumen 2019) bij het toepassen van zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Het gaat hier om een eerste overtreding door verzoeker. Uit de handhavingsmatrix lokalen bij dit beleid blijkt dat bij een eerste overtreding een sluiting van één jaar volgt. De opgelegde termijn van één jaar past dus binnen dit beleid.
Is de sluiting voor de duur van één jaar evenredig?
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de evenredigheidstoets is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit dat artikel volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de factoren geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol kunnen spelen bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. [1]
Zoals onder 6. en 7. is overwogen, heeft de burgemeester beleidsregels opgesteld. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht moet de burgemeester in beginsel handelen overeenkomstig zijn beleidsregels. De termijn van een sluiting voor de duur van één jaar voldoet aan deze beleidsregels. De burgemeester kan alleen afwijken van deze beleidsregels als er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels onevenredig is.
Verzoeker voert in de kern aan dat de noodzaak om de opslagruimte te sluiten ontbreekt en dat de sluiting niet evenwichtig is. De voorzieningenrechter zal daarom de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel betrekken bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter bespreekt deze aspecten afzonderlijk van elkaar.
Is sluiting van de opslagruimte noodzakelijk?
9. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting wordt beoordeeld of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan moet de burgemeester - als deze zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was - nader onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit er toe leiden dat er geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten.
10. Verzoeker vindt dat het niet nodig is om de opslagruimte te sluiten. De huurder is vertrokken. Er is geen sprake geweest van drugshandel, loop naar de opslagruimte en recidive. Evenmin is er sprake geweest van gevaar voor de omgeving. De doelen van artikel 13b Opiumwet zijn daarmee al bereikt zonder dat sluiting nodig is. De burgemeester had ook kunnen volstaan met een lichtere maatregel, zoals een waarschuwing.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoeker voorshands slaagt. Uit het besluit en de onderliggende bestuurlijke rapportage blijkt niet van aanwijzingen voor handel, een loop naar de opslagruimte of overlastmeldingen. Ook gaat het niet om harddrugs of een kwetsbare wijk. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat verzoeker geen relevante antecedenten heeft, zodat van recidive geen sprake is. Nu de burgemeester in het bestreden besluit niet is ingegaan op de specifieke omstandigheden, is de voorzieningenrechter er op dit moment niet van overtuigd dat de sluiting van opslagruimte [nummer] noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. De voorzieningenrechter is daarom voorlopig van oordeel dat het bezwaar van verzoeker op dit punt kans van slagen heeft. Het bestreden besluit zal daarom worden geschorst. Voor de volledigheid zal de voorzieningenechter hieronder ook ingaan op de evenwichtigheid van de sluiting.
Is sluiting van de opslagruimte evenwichtig?12. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kan stellen dat sluiting noodzakelijk is, moet hij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als die duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer naar het pand terug te keren.
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
13. Verzoeker betoogt dat de sluiting niet evenwichtig is, omdat hem niets kan worden verweten. Hij heeft zijn verplichtingen als verhuurder correct en zorgvuldig uitgevoerd. Er vinden regelmatig controles van alle opslagruimten plaats. Er is een duidelijke huurovereenkomst waarin expliciet staat vermeld dat de opslagruimte uitsluitend gebruikt mag worden voor opslag, dat een andere bestemming verboden is en dat opslag van verboden stoffen verboden is. Er zijn nooit incidenten geweest, nooit klachten en nooit aanwijzingen voor misbruik. Verzoeker heeft ook direct na de vondst de huur van de opslagruimte opgezegd en de spullen van huurder laten verwijderen.
14. De vraag die nu voorligt is of verzoeker voldoende toezicht heeft gehouden. De burgemeester stelt dat het toezicht van verzoeker kennelijk onvoldoende is gebleken; nergens blijkt uit wat verzoeker heeft gedaan in het kader van de zorgplicht. Verzoeker weerspreekt deze stelling. Hij heeft opslagruimte [nummer] verhuurd aan een bekende, die enkele jaren geleden ook al 2 jaar zonder problemen bij hem had gehuurd. Verder ligt de toegang tot de opslagruimte naast het bedrijf van verzoeker en heeft het personeel van verzoeker direct zicht op deze toegang. Ook is er sprake van cameratoezicht en maakt het personeel regelmatig een praatje met de huurders. Het is voor onbekenden daarom niet mogelijk om ongezien de opslagruimten te bereiken. Hoewel er inderdaad geen protocol op papier is voor het toezicht, heeft hij op zitting toegelicht dat er wel (maandelijks) toezicht op de opslagruimte heeft plaatsgevonden. Het is voor hem als leek moeilijk om vast te stellen of er sprake is van drugs of attributen voor het vervaardigen of vervoeren van drugs. De drugs zat verstopt in twee verfbussen, terwijl er op dat moment twee pallets met circa 40 bussen verf stonden. Ook heeft de douane zelf veel moeite gehad om de verborgen ruimte in de auto te vinden. Verzoeker en het personeel hebben niet doorgehad welke bedoelingen de huurder had; zij zijn zelfs nog behulpzaam geweest door met een hefttruck het aggregaat van de huurder te verplaatsen.
15. De voorzieningenrechter overweegt dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van het pand. Het lag dus op de weg van verzoeker om in zekere mate concreet toezicht te houden op het gebruik van de woning. De voorzieningenrechter acht van belang dat verzoeker stelt te hebben verhuurd aan een bekende met wie hij eerder goede ervaringen had en dat hij het toezicht heeft toegelicht, waarbij hij zowel heeft uitgelegd dat er toezicht is op de toegang naar de opslagruimtes als ook maandelijkse controle in de opslagruimtes. Het ligt op de weg van verzoeker om in de bezwaarprocedure met een nadere onderbouwing van deze stellingen te komen.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de bestuurlijke rapportage van de politie compact is en geen foto’s bevat. Het is daarom voor de voorzieningenrechter moeilijk in te schatten wat er precies op welke plek is aangetroffen, hoe dat eruit zag en of verzoeker kan worden verweten dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ook hierin aanleiding om het besluit te schorsen.
16. Aan een verdere beoordeling van de evenredigheid komt de voorzieningenrechter niet meer toe.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 2 december 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
18. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 2 december 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd deze De voorzieningenrechter is verhinderd
uitspraak te ondertekenen. deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 en ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.