Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:11658

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/05/449265 / HZ ZA 25-79
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 lid 1 onder a BWArt. 4:13 lid 3 BWArt. 4:14 lid 1 BWArt. 4:15 lid 1 BWArt. 4:16 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering op erfgenamen uit hoofde van wettelijke verdeling nalatenschap moeder deels verwezen naar kantonrechter

De zaak betreft een vordering van eiseres, dochter van de overleden erflaatster, tegen de erfgenamen van haar stiefvader, de langstlevende echtgenoot van haar moeder. Eiseres vordert betaling van een bedrag uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van haar moeder. De nalatenschap van de moeder is negatief volgens een vermogensoverzicht, maar eiseres betwist dit en stelt dat zij recht heeft op een vordering van circa € 26.813,38.

De gedaagden betwisten de vordering en voeren onder meer aan dat de nalatenschap negatief is en dat de rechtbank niet bevoegd is zolang de omvang van de nalatenschap niet door een deskundige is vastgesteld, conform een testamentaire bepaling. De rechtbank oordeelt echter dat de bevoegdheid van de rechtbank niet is uitgesloten en dat de vordering tot betaling van een geldsom boven de € 25.000 door de rechtbank kan worden behandeld.

De rechtbank verklaart eiseres niet-ontvankelijk jegens één van de gedaagden, omdat alleen de langstlevende echtgenoot gehouden is tot voldoening van de schuld. De omvang van de vordering staat echter niet vast en de rechtbank kan deze niet zonder meer vaststellen. Daarom verwijst de rechtbank het geschil over de omvang van de vordering naar de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter, terwijl de vordering tot betaling door de rechtbank wordt aangehouden totdat de kantonrechter hierover heeft beslist.

De procedure wordt aangehouden en partijen worden erop gewezen dat zij in de kantonrechterprocedure ook zonder advocaat kunnen verschijnen. De rechtbank houdt verdere beslissing aan totdat de kantonrechter uitspraak doet over de omvang van de vordering.

Uitkomst: De rechtbank verwijst het geschil over de omvang van de vordering naar de kantonrechter en houdt de vordering tot betaling aan totdat de kantonrechter heeft beslist.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/449265 / HZ ZA 25-79
vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S.H.J. Buitenkamp,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.J. Luursema,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J. Barendregt-de Vries,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juni 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] is overleden [naam] (hierna te noemen: erflaatster). Erflaatster was op het moment van haar overlijden gehuwd met de heer [naam 1] in algehele gemeenschap van goederen. [eiseres] is de dochter van erflaatster uit een eerdere relatie. Ook de heer [naam 1] had een dochter uit een eerdere relatie, [gedaagde 2] .
2.2.
Bij testament van 23 december 2009 heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. Op grond van dit testament is de wettelijke verdeling van toepassing op haar nalatenschap en zijn de heer [naam 1] en [eiseres] enig erfgenamen. In dit testament is als artikel D (hierna: artikel D) het volgende opgenomen:

D. VASTSTELLING GELDVORDERING
De geldvordering van mijn afstammeling wordt vastgesteld bij notariële akte binnen een jaar na mijn overlijden. In verband met deze vaststelling moet een boedelbeschrijving worden opgemaakt die de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap bevat. De waardering vindt plaats in onderling overleg. Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin ik mijn laatste woonplaats had en, indien die woonplaats buiten Nederland 'is gelegen, door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement Zutphen.”
2.3.
Op 8 december 2016 heeft notaris mr. Wassink in opdracht van de heer [naam 1] een vermogensoverzicht opgesteld van de gemeenschap van goederen van erflaatster en de heer [naam 1] , en de daarin vervatte nalatenschap van erflaatster, per 16 maart 2016. Hieruit volgt dat de nalatenschap van erflaatster negatief is.
2.4.
Op [overlijdensdatum] is de heer [naam 1] overleden. De heer [naam 1] was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [gedaagde 1] . Bij testament van 20 september 2016 heeft de heer [naam 1] over zijn nalatenschap beschikt. Op grond van dit testament is de wettelijke verdeling van toepassing op zijn nalatenschap en zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enig erfgenamen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zijn nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, althans [gedaagde 1] te veroordelen, om binnen twee weken het aan [eiseres] toekomende, uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 26.813,38, althans een nader door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2016 mits de wettelijke rente hoger is dan 6%, althans met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro, vanaf [overlijdensdatum] , althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
subsidiair
II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen twee weken het aan [eiseres] toekomende, uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder, door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te voldoen, welk bedrag tot stand komt op basis van een door de rechtbank te benoemen deskundige waardebepaling van de woning gelegen aan de [adres] en waardebepaling van de overige tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen, per datum overlijden van erflaatster, althans op een door de rechtbank te bepalen peildatum, op kosten van de nalatenschap, en het aan [eiseres] te betalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2016, mits de wettelijke rente hoger is dan 6%, althans met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro, vanaf [overlijdensdatum] , althans van de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
zowel primair als subsidiair
III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, althans [gedaagde 1] te veroordelen, om binnen twee weken aan [eiseres] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.043,13, althans een nader door de rechtbank te bepalen bedrag;
IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, althans [gedaagde 1] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling na veertien dagen na betekening van het vonnis is uitgebleven;
V. te bepalen dat de ten behoeve van de nalatenschap te maken kosten, zoals bijvoorbeeld taxatiekosten, ten laste van de nalatenschap komen die het betreft (die van de heer [naam 1] en/of erflaatster);
VI. indien en voor zover een of meerdere van de vorderingen niet kunnen worden toegewezen, een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, ingegaan.

4.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
4.1.
De kern van het geschil betreft de vraag of [eiseres] een vordering heeft op de nalatenschap van de heer [naam 1] uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster. [eiseres] is van mening dat dit het geval is en voert daartoe aan dat de nalatenschap van erflaatster positief is. Op grond van artikel 4:13 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft zij een vordering op de nalatenschap van de heer [naam 1] . [eiseres] begroot haar vordering op € 26.813,39. Zij heeft een vermogensopstelling gemaakt waaruit dit bedrag volgt. Verder stelt zij dat [gedaagde 1] deze vordering heeft erkend door deze op te nemen in de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van de heer [naam 1] .
[gedaagde 1] betwist de vordering van [eiseres] . Zij voert aan dat de nalatenschap van erflaatster blijkens het vermogensoverzicht van mr. Wassink negatief is, zodat [eiseres] geen vordering heeft. Voor zover niet van dit vermogensoverzicht uitgegaan moet worden, betwist [gedaagde 1] de door [eiseres] begrote omvang van haar vordering.
[gedaagde 2] heeft geen inhoudelijk standpunt ingenomen over de omvang van de vordering van [eiseres] , maar betwist dat zij aangesproken kan worden tot betaling.
De bevoegdheid van de rechtbank
4.2.
De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat in het testament van erflaatster is opgenomen dat bij gebrek aan overeenstemming over de waardering van de goederen en schulden van de nalatenschap van erflaatster die waardering moet geschieden door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter.
4.3.
[gedaagde 1] heeft in dit verband gewezen op artikel D. Zij neemt het standpunt in dat [eiseres] geen vorderingsrecht heeft zolang de omvang van de nalatenschap (nog) niet door een deskundige in kaart is gebracht. Naar de rechtbank begrijpt, betwist [gedaagde 1] daarmee dat de rechtbank op dit moment bevoegd is kennis te nemen van de vordering. Uit het feit dat [eiseres] haar eis vervolgens heeft vermeerderd en heeft gevorderd dat de rechtbank een deskundige benoemt volgt dat [eiseres] bestrijdt dat de rechtbank niet bevoegd is. In artikel D heeft erflaatster bepaald dat binnen een jaar een notariële akte wordt opgesteld. Die akte is er niet, en inmiddels is de termijn van een jaar ruimschoots verstreken. In zoverre kan in elk geval niet meer aan deze bepaling worden voldaan. De rechtbank leest artikel D niet zo, dat erflaatster bedoeld heeft de weg naar de rechter te blokkeren. Uit niets volgt in ieder geval dat erflaatster heeft bedoeld te bepalen dat er na het verstrijken van de termijn van een jaar alsnog eerst een notariële akte moet worden opgesteld voordat [eiseres] naar de rechter kan. Ook de aanwijzing van de kantonrechter als bevoegde rechter om een deskundige te benoemen leest de rechtbank in het licht van het opstellen van de notariële akte en het overleg tussen de erfgenamen. Dat overleg is er niet en die akte komt er niet. Slechts voor de situatie dat er overleg is en partijen het over een waarde niet eens worden, heeft erflaatster bepaald dat de kantonrechter een deskundige benoemt. Omdat die situatie niet aan de orde is, is de rechtbank in zoverre bevoegd.
4.4.
Ook uit de artikelen 4:15 en 4:16 BW volgt echter dat de kantonrechter bevoegd is als het gaat om de waardering van de goederen van de nalatenschap en de vaststelling van de vordering uit hoofde van de verdeling. Desalniettemin dient de zaak naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer in zijn geheel verwezen te worden naar de kantonrechter. Ook als er geen geschil zou zijn over de waarde van de goederen en schulden van de nalatenschap, kan het immers voorkomen dat iemand zijn of haar erfdeel niet krijgt uitbetaald. Voor een vordering tot betaling van een geldsom is de rechtbank bevoegd als deze meer dan € 25.000 bedraagt. Dit geldt overigens ook voor een vordering tot verdeling van een gemeenschap. [1] Primair vordert [eiseres] in dit geval uitbetaling van haar erfdeel en zij voert daarbij onder meer aan dat [gedaagde 1] de hoogte hiervan al heeft erkend. Dan hoeft in ieder geval niet eerst een procedure bij de kantonrechter te worden gevoerd. Pas op het moment dat over de hoogte van de geldvordering discussie ontstaat en waardering een rol gaat spelen, komt de vraag aan de orde in hoeverre de rechtbank zelf een deskundige kan benoemen en hoe dit zich verhoudt met de artikelen 4:15 en 4:16 BW. Gelet hierop zal de rechtbank hierna al zoveel mogelijk ingaan op de vorderingen.
[gedaagde 2] kan niet aangesproken worden
4.5.
[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat voor zover [eiseres] een vordering heeft op de nalatenschap van de heer [naam 1] uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster, zij niet aangesproken kan worden tot betaling daarvan. De rechtbank volgt dit standpunt. De (vermeende) vordering van [eiseres] is een schuld van de nalatenschap van de heer [naam 1] [2] . [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn als erfgenamen van de heer [naam 1] gezamenlijk schuldenaar [3] , maar op grond van artikel 4:14 lid 1 BW Pro is [gedaagde 1] als langstlevende echtgenoot verplicht tot voldoening van de schulden van de nalatenschap van de heer [naam 1] . Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen. [4] Weliswaar geldt een uitzondering voor de in artikel 4:13 lid 3 BW Pro bedoelde geldvordering, maar dat gaat om een vordering van een kind in de desbetreffende nalatenschap (in dit geval dus: de nalatenschap van de heer [naam 1] ). De vordering van [eiseres] betreft haar vordering als kind in de nalatenschap van erflaatster. Dat is een andere situatie.
4.6.
Een en ander leidt ertoe dat uitsluitend [gedaagde 1] gehouden is de (eventuele) schuld aan [eiseres] te voldoen. De rechtbank zal [eiseres] in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen jegens [gedaagde 2] . Daarbij overweegt de rechtbank verder dat de nalatenschap van de heer [naam 1] beneficiair is aanvaard door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , zodat [gedaagde 1] in beginsel slechts veroordeeld kan worden de vordering van [eiseres] te voldoen uit het vermogen van de nalatenschap van de heer [naam 1] . [5]
De omvang van de vordering van [eiseres]
4.7.
Om te bepalen of [eiseres] een vordering heeft verkregen op de nalatenschap van de heer [naam 1] uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster en, zo ja, wat de hoogte van deze vordering is, dient allereerst de omvang van de (per 16 maart 2016) ontbonden huwelijksgemeenschap van erflaatster en de heer [naam 1] te worden vastgesteld. Anders dan [eiseres] en [gedaagde 1] over en weer hebben betoogd, staat namelijk de omvang van de vordering van [eiseres] op de nalatenschap van [naam 1] niet op voorhand vast. Enerzijds wordt [eiseres] niet gevolgd in haar standpunt dat [gedaagde 1] haar vordering heeft erkend door deze op te nemen in de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van de heer [naam 1] . Nog los van het feit dat [gedaagde 1] betwist dat deze vordering in de definitieve aanslag erfbelasting is opgenomen, is het opnemen van de vordering in de aangifte erfbelasting onvoldoende om te oordelen dat de vordering wordt erkend. Het opnemen van deze vordering kan namelijk ook fiscale motieven hebben, nu dit het te betalen bedrag aan erfbelasting drukt. [6] heeft verder geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit afgeleid kan worden dat [gedaagde 1] haar vordering heeft erkend. Anderzijds wordt [gedaagde 1] niet gevolgd in haar standpunt dat [eiseres] gebonden is aan het vermogensoverzicht van mr. Wassink, waaruit volgt dat de nalatenschap van erflaatster negatief is. Uit het vermogensoverzicht volgt namelijk dat dit uitsluitend in opdracht van de heer [naam 1] is opgesteld. [gedaagde 1] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat [eiseres] betrokken was bij het opstellen hiervan. Zodoende valt niet in te zien dat [eiseres] gebonden is aan deze vermogensopstelling. Daarom zal allereerst aan de hand van het partijdebat de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap van erflaatster en de heer [naam 1] moeten worden vastgesteld, waarvan de nalatenschap van erflaatster de helft omvat.
4.8.
Tussen partijen staat vast dat de huwelijksgemeenschap ten tijde van het overlijden van erflaatster ten minste het navolgende omvatte:
Bezittingen
Waarde
- Woning
p.m.
- Volkswagen Caravelle
- Personenauto Peugeot
p.m.
€ 1.250,00
- Saldo ING betaalrekening [nr.]
- Saldo ING betaalrekening [nr.]
- Saldo ING betaalrekening [nr.]
- Saldo BIBC spaarrekening [nr.]
€ 30,85
€ 170,74
€ 1.893,07
€ 41,84
- Teruggave IB
€ 9.984,00
Schulden
- Hypotheekschuld
- Negatief saldo ING bankrekening [nr.]
- Visa ANWB
- ING Platinum [nr.]
- ING tegenrekening [nr.]
- Aangifte IB 2015
- Geldlening [naam 2]
€ 350.000,00
€ 1.480,28
€ 890,06
€ 6.832,50
€ 2.798,12
€ 3.948,00
€ 22.000,00
Partijen verschillen van mening over de vraag of bepaalde schulden onderdeel uitmaken van de huwelijksgemeenschap en over de waarde van de tot de huwelijksgemeenschap behorende woning en Volkswagen Caravelle.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat zowel de door [eiseres] als de door [gedaagde 1] overgelegde berekeningen tekortkomingen hebben. Daarnaast is er discussie over de omvang van de goederen en schulden. Dit brengt mee dat de rechtbank zonder nadere overwegingen niet kan vaststellen dat de vordering van [eiseres] het door haar genoemde bedrag van € 26.813,39 beloopt maar evenmin dat zij geen vordering heeft. Daarmee komt zij toe aan de vraag naar de afbakening van de bevoegdheid van de rechtbank ten opzichte van die van de kantonrechter.
4.10.
[gedaagde 1] heeft de bevoegdheid van de rechtbank bestreden aan de hand van de bepalingen in het testament, waarover de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Echter, het wettelijke systeem brengt mee dat wanneer erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de vordering van een kind op de langstlevende echtgenoot geen overeenstemming bereiken, zoals hier, deze door de kantonrechter wordt vastgesteld in een verzoekschriftprocedure. [7] Weliswaar zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] geen erfgenamen van erflaatster, maar zij zijn als erfgenamen van de heer [naam 1] rechtsopvolgers onder algemene titel. Gelet op de discussie tussen partijen over de bevoegdheid van de kantonrechter of de rechtbank zal de rechtbank de formeelrechtelijk juiste weg bewandelen en de zaak deels verwijzen naar de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter. Hierop zijn de artikelen 69 en 71 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. Dit betreft enkel de vaststelling van de omvang van de vordering van [eiseres] . De vordering tot betaling houdt de rechtbank aan zich, en de beslissing daarop houdt zij aan totdat de kantonrechter over deze omvang heeft beslist. In het te verwijzen deel van de zaak is overigens [gedaagde 2] eveneens belanghebbende omdat zij een van de erfgenamen van de heer [naam 1] is en samen met [gedaagde 1] in zijn rechten en verplichtingen is getreden.4.11. Voor de verwijzing naar de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter zijn geen nadere proceshandelingen van partijen nodig. In die procedure zullen de stukken gevoegd worden die zich in dit dossier bevinden, waarna de kantonrechter een beschikking zal geven op basis van de stellingen en standpunten van partijen over de omvang van de vordering van [eiseres] . Het heeft de voorkeur dat dezelfde rechter beide procedures verder behandelt (deels als kantonrechter, deels als rechtbankrechter). De onderhavige procedure wordt verwezen naar de parkeerrol en aangehouden totdat in de kantonprocedure de omvang van de vordering van [eiseres] uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster is vastgesteld.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak voor zover het betreft de vaststelling van de omvang van de vordering van [eiseres] uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster naar de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Zutphen,
5.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure, voor zover deze wordt verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank, niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.3.
verwijst de zaak voor het overige naar de parkeerrol van 1 april 2026,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
JH/RE

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 20 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:714.
2.Artikel 4:7 lid 1 onder Pro a BW.
3.Artikel 4:182 lid 2 BW Pro.
4.Artikel 4:14 lid 3 BW Pro.
5.Artikel 4:184 lid 3 BW Pro.
6.Vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 21 augustus 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2203.
7.Artikel 4:15 lid 1 BW Pro.