De rechtbank Gelderland behandelt een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres beroep instelt tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV op een aanvraag tot herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer.
Eiseres diende de aanvraag in op 19 november 2024 en stelde het UWV op 17 januari 2025 in gebreke. Het UWV had uiterlijk 15 januari 2025 moeten beslissen, maar deed dit niet binnen de wettelijke termijn. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond omdat het UWV ook na ingebrekestelling niet heeft beslist.
De rechtbank legt een vaste lijn vast voor nadere beslistermijnen: twee maanden voor werknemersberoepen en vier maanden voor werkgeversberoepen, met kortere termijnen indien een spreekuur met een verzekeringsarts gepland of geweest is. In deze zaak, een werkgeversberoep met een gepland spreekuur op 3 april 2025, wordt een termijn van twee maanden na die datum opgelegd.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 en stelt een reeds verschuldigde dwangsom van €1.442 vast. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank benadrukt dat het tekort aan verzekeringsartsen een structureel probleem is, maar dat dit geen rechtvaardiging is voor verdere vertraging zodra een spreekuur heeft plaatsgevonden.