Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 september 2025
[belanghebbende], in [vestigingsplaats], belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,
Inleiding
- namens belanghebbende de gemachtigde en [naam 1];
- namens de inspecteur [naam 2] en [naam 3];
- namens de Staat [naam 4].
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
- Heeft de inspecteur de hoorplicht in bezwaar geschonden?
- Dient met herstelde schade rekening te worden gehouden?
- Is naheffing na het belastbare feit toegestaan?
- Heeft de inspecteur het verdedigingsbeginsel en/of het beginsel van equality of arms geschonden?
- Moet het DRZ-rapport buiten beschouwing blijven, omdat DRZ ten opzichte van de inspecteur niet onafhankelijk is en/of vanwege inhoudelijke gebreken?
- Is de 31- of 72%-regeling in strijd met het Unierecht?
- Moet de rechtbank prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie)?
- Is te veel belasting geheven als gevolg van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode?
- Is de naheffingsaanslag aan de juiste persoon gericht?
- Mag belanghebbende de Scandinavische rekenmethode toepassen?
- Leidt toepassing van de koerslijst van Eurotaxglass’s met correctie voor markt- en dealersituatie tot een lagere BPM?
- Had de inspecteur meer koerslijsten moeten inbrengen?
- Moet er extra leeftijdskorting worden toegepast?
- Heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?
- Heeft belanghebbende recht op restitutie van het griffierecht met rente?
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 656;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 441 aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.059 aan belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 2.574,37;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten tot een bedrag van € 113,38;
- draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.