Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiseres tegen de weigering van de minister van Financiën om private schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres, een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire, had een verzoek ingediend voor overname van vijf schulden. De minister wees dit verzoek af, waarop eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de schulden voldeden aan de wettelijke voorwaarden, met name of de schulden voor 1 juni 2021 opeisbaar waren geworden. De minister had terecht de schulden bij Qander Consumer Finance en Vesting Finance afgewezen omdat deze niet aan de opeisbaarheidsvoorwaarde voldeden. Ten aanzien van de schuld bij DEFAM Financieringen maakte de rechtbank onderscheid tussen de hoofdsom en de openstaande betalingsachterstand. De hoofdsom werd terecht niet overgenomen, maar de betalingsachterstand van €710 was wel opeisbaar en had volgens de rechtbank moeten worden overgenomen.
Eiseres voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule aan. De rechtbank oordeelde dat de onjuiste formulering van een afwijzingscode niet tot gerechtvaardigd vertrouwen leidde en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was omdat eiseres geen actuele omstandigheden had onderbouwd die een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de betalingsachterstand bij DEFAM Financieringen betreft, bepaalde dat de minister deze schuld moet overnemen en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voor het overige bleef het besluit in stand.