Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
Rechtbank Gelderland
Werknemer trad in 2013 in dienst bij werkgever in de steigerbouw, met toepassing van de CAO Bouw en Infra. Na beëindiging van het dienstverband in februari 2023 vorderde werknemer achterstallig loon, vakantietoeslag en pensioenpremies. Werkgever voerde verweer met een beroep op klachtplicht en betwisting van de gewerkte uren en loonbetalingen.
De kantonrechter oordeelde dat werknemer niet tijdig loonstroken had ontvangen, waardoor hij niet eerder kon klagen over te laag loon. Werkgever kon dit niet overtuigend tegenbewijs leveren. De klachtplichtverweer faalde daarom. De rechter ging uit van een arbeidsomvang van 40 uur per week en een hoger loon vanaf het behalen van een certificaat in 2019, ondanks betwisting door werkgever.
De loonvordering werd toegewezen met een wettelijke verhoging van 25% en wettelijke rente. De vordering voor vakantietoeslag werd deels toegewezen, omdat werknemer niet had aangetoond dat vakantiegeld volledig was betaald. De pensioenpremies werden onvoldoende afgedragen, wat werd erkend, en werkgever werd aansprakelijk gesteld voor de schade. Buitengerechtelijke kosten en proceskosten werden aan werknemer toegewezen.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon met wettelijke verhoging en rente, en aansprakelijk gesteld voor onvoldoende pensioenpremie.