ECLI:NL:RBGEL:2025:9620

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/5748
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersbesluiten inzake gewijzigde verkeerssituatie in centrum van plaats

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 13 november 2025, wordt het beroep van twee B.V.'s tegen verkeersbesluiten van het college van burgemeester en wethouders van een bepaalde plaats behandeld. De eisers zijn het niet eens met de gewijzigde verkeerssituatie in het centrum van de plaats, die is aangepast door een zestal verkeersbesluiten. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eisers en komt tot de conclusie dat het college de verkeersbesluiten voldoende heeft onderbouwd en de belangen van eisers op de juiste manier heeft afgewogen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is, wat betekent dat de verkeersbesluiten in stand blijven. De rechtbank legt uit dat het college bij het nemen van de besluiten beoordelingsruimte heeft en dat de nadelige gevolgen voor belanghebbenden niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de besluiten worden gediend. De rechtbank concludeert dat er geen aanknopingspunten zijn dat het college zijn toezegging om geen parkeerplaatsen te verwijderen niet zal nakomen. Ook wordt vastgesteld dat de verkeersveiligheid voldoende is onderbouwd en dat het college uitvoerig is ingegaan op de bezwaren van eisers. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij verkeersbesluiten en bevestigt de rechtsgeldigheid van de genomen besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres 1] B.V. en [eiseres 2] B.V., uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. T.W.S. Mol),
en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats]

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee verkeersbesluiten waarmee de verkeerssituatie in het centrum van [plaats] is aangepast. Eisers zijn het niet eens met de gewijzigde verkeerssituatie. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verkeersbesluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de verkeersbesluiten voldoende heeft onderbouwd en de belangen van eisers op de juiste manier zijn afgewogen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In de verkeersbesluiten van 20 december 2023 heeft het college de verkeerssituatie in het centrum van [plaats] gewijzigd. Het college heeft daartoe een zestal verkeersbesluiten genomen.
2.1.
Eisers hebben tegen de verkeersbesluiten ‘ [locatie 1] ’ en ‘ [locatie 2] en [locatie 3] ’ bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, vergezeld door J.A.M. van Dijk [1] en de gemachtigde van het college, vergezeld door ing. J. Vinke. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Het wettelijk kader bij het nemen van een verkeersbesluit bestaat uit de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). Bij het nemen van een verkeersbesluit heeft het college beoordelingsruimte bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het college geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Als het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, weegt hij deze belangen tegen elkaar af. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De rechter toetst of de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor belanghebbenden niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [3]
De verkeersbesluiten
4. Met het verkeersbesluit ‘ [locatie 1] ’ zijn de volgende situaties gewijzigd:
- Omdraaien éénrichtingsverkeer in de [locatie 1] tussen de [locatie 4] en de [locatie 2] ;
- Opheffen verplichte rijrichting in de [locatie 2] en de [locatie 1] .
Met het verkeersbesluit ‘ [locatie 2] en [locatie 3] ’ zijn de volgende situaties gewijzigd:
- Aanwijzen deel van de [locatie 2] als voetgangerszone;
- Opheffen éénrichtingsverkeer in de [locatie 2] tussen de [locatie 5] en de [locatie 1] ;
- Opheffen éénrichtingsverkeer in de [locatie 3] tussen de [locatie 6] en de [locatie 2] ;
- Instellen verplichte rijrichting vanaf de [locatie 3] komende vanaf de [locatie 6] naar de [locatie 7] ;
- Instellen verplichte rijrichting vanaf de [locatie 3] komende vanaf de [locatie 8] naar de [locatie 7] ;
- Opheffen fysieke afsluiting [locatie 3] ter hoogte van de [locatie 2] .
4.1.
De verkeersbelangen die volgens het college met de verkeersbesluiten zijn gediend, zijn het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade en de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden, zoals genoemd in artikel 2, tweede lid onder a en b van de Wvw 1994. Daarbij heeft het college het belang van het zo veel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer minder zwaar laten wegen dan de hiervoor genoemde belangen.
Had het college de belangen van eisers anders moeten wegen?
5. Eisers betogen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen omdat niet is geborgd dat er geen parkeerplaatsen aan de [locatie 2] worden verwijderd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de bezwaarfase heeft het college nader onderzoek uit laten voeren naar de gewijzigde verkeerssituatie door Sweco. Dit heeft geleid tot het ‘rapport verkeersveiligheid’ van 7 maart 2024. Daarin zijn verschillende aanbevelingen gedaan voor de inrichting van de [locatie 2] , meer specifiek voor de bocht van de [locatie 2] naar de [locatie 1] . Daarbij zijn verschillende mogelijkheden voorgesteld, zowel mogelijkheden waarbij geen parkeerplaatsen verwijderd worden als mogelijkheden waarbij wel parkeerplaatsen verwijderd worden. Het college heeft toegezegd dat als gevolg van deze verkeersbesluiten geen parkeerplaatsen verdwijnen. De rechtbank oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn dat het college deze toezegging niet zal realiseren. Eisers hebben deze aanknopingspunten ook niet gegeven. Omdat er geen parkeerplaatsen verwijderd worden, had het college de belangen van eisers dus niet anders hoeven wegen. Er is geen sprake van een verkeerde belangenafweging.
Heeft het college de verkeersveiligheid voldoende onderbouwd?
6. Eisers betogen dat er geen sprake is van een verkeersveilige situatie als het college de aanbevelingen van Sweco niet overneemt. Het is onduidelijk of het college de aanbevelingen van Sweco overneemt. Omdat er aanvullend vrachtverkeer op de [locatie 4] verwacht moet worden is er, gelet op de krappe bocht op het kruispunt [locatie 2] / [locatie 1] , geen sprake van een veilige verkeerssituatie. Het besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het ‘rapport verkeersveiligheid’ van Sweco dat het college aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, volgt dat de verkeersmaatregelen de verkeerssituatie niet negatief beïnvloeden en in veel gevallen de verkeersveiligheid zelfs verbeteren. Op een aantal onderdelen heeft Sweco aanbevelingen gedaan om de verkeersveiligheid te borgen of verder te verbeteren. Het college heeft op de zitting toegezegd dat de aanbevelingen worden opgevolgd. Het college heeft onder verwijzing naar het ‘rapport verkeersveiligheid’ toegelicht dat de huidige aanpassingen naar verwachting niet leiden tot extra vrachtverkeer op de [locatie 4] . Het tweerichtingsverkeer wordt daarnaast niet direct bij de Plus ingesteld, het is daarom voor het verkeer logischer om niet via de [locatie 4] te rijden. Het rapport van RoyalHaskoningDHV hebben eisers al in de bezwaarfase overgelegd. In het bestreden besluit heeft het college de conclusies uit dat rapport onderbouwd weerlegd en nader onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Eisers hebben in beroep geen nieuwe argumenten aangedragen waarom de verkeersveiligheid niet is geborgd. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank de verkeersveiligheid dus voldoende onderbouwd.
Heeft het college volledig op het bezwaar van eisers beslist?
7. Eisers hebben daarnaast verwezen naar hun bezwaarschrift en betoogd dat de inhoud daarvan als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat het college uitvoerig is ingegaan op de door eisers in bezwaar aangevoerde gronden. In het bestreden besluit zijn deze gronden gemotiveerd weerlegd. De rechtbank stelt verder vast dat eisers in beroep niet hebben aangevoerd waarom de overige overwegingen van het college niet in stand kunnen blijven, zodat alleen daarom al de herhaalde standpunten niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. [4]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verkeersbesluiten in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verkeersdeskundige.
2.Beleidsmedewerker verkeerszaken.
3.ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3908, ro. 5.
4.ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:601, ro. 3.1.