ECLI:NL:RBGEL:2025:9751

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
C/05/440251 / HA ZA 24-442
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burengeschil over erfgrens en schade aan mandelige schutting

In deze zaak, die op 22 oktober 2025 door de Rechtbank Gelderland is behandeld, gaat het om een burengeschil tussen twee partijen, hierna aangeduid als [eiser in conv] en [gedaagde in conv]. De kern van het geschil betreft de erfgrens tussen hun percelen en de schade die is ontstaan aan de mandelige schutting. [eiser in conv] stelt dat zij door verjaring eigenaar is geworden van een strook grond die feitelijk in gebruik is, terwijl [gedaagde in conv] de kadastrale grens als juridische grens aanhoudt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de juridische erfgrens aan de achterzijde van de woningen loopt ter hoogte van de mandelige schutting en dat [gedaagde in conv] onrechtmatig heeft gehandeld door zonder toestemming van [eiser in conv] wijzigingen aan de schutting aan te brengen. De rechtbank heeft [gedaagde in conv] veroordeeld tot het verwijderen van een zijpaneel van haar tuinhuis dat over de erfgrens staat en heeft [gedaagde in conv] aansprakelijk gesteld voor de schade aan de schuur van [eiser in conv], die is vastgesteld op € 5.604,97. Daarnaast zijn de vorderingen van [gedaagde in conv] in reconventie afgewezen, waaronder de kosten van een grensreconstructie en deskundigenrapport.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/440251 / HA ZA 24-442
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser in conv],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conv] ,
advocaat: mr. L.W. van de Wetering,
tegen
[gedaagde in conv],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conv] ,
advocaat: mr. J.J. Lammers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 januari 2025
- de akte overlegging productie 28 van [gedaagde in conv]
- de brief van 31 maart 2025 ter overlegging van nadere stukken ten behoeve van de zitting met producties 34 tot en met 45 van [eiser in conv]
- de akte overlegging producties 29 tot en met 37 van [gedaagde in conv]
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 april 2025.
1.2.
Na sluiting van de mondelinge behandeling is bepaald dat de zaak voor vonnis komt.

2.De feiten

2.1.
[eiser in conv] en [gedaagde in conv] zijn buren. [eiser in conv] is sinds de bouw in 1999 eigenaar van de woning aan [adres en plaats 1] ( [kadastrale aanduiding 1] ). [gedaagde in conv] is in december 2021 eigenaar geworden van de woning aan [adres en plaats 2] ( [kadastrale aanduiding 2] ).
2.2.
In de achtertuinen van [eiser in conv] ( [kadastrale aanduiding 1] ) en [gedaagde in conv] ( [kadastrale aanduiding 2] ) stond een gekoppelde schuur (zie de witgekaderde rechthoek in de rechter bovenhoek van de foto [1] hieronder).
AFBEELDING
2.3.
Medio 2022 heeft [gedaagde in conv] haar deel van de schuur afgebroken en in de plaats daarvan een nieuw tuinhuis geplaatst. Daarbij is de schutting die de tuinen van elkaar scheidde, door [gedaagde in conv] van de schuur losgekoppeld, ingekort en aangesloten op het (rechter) zijpaneel van haar nieuwe tuinhuis. Dat tuinhuis heeft [gedaagde in conv] in februari/maart 2023 (op het rechter zijpaneel na) opnieuw afgebroken en vervangen door een groter tuinhuis (zie in de foto hieronder rood omlijnd). Dit tweede tuinhuis staat los van het schuurdeel van [eiser in conv] . De tussenliggende ruimte is circa 10 cm.
2.4.
Tussen partijen is discussie ontstaan over de schuren, de tuinhuizen en de loop van de erfgrens. Het chronologisch verloop van deze discussies is de volgende.
2.5.
In een appbericht van 19 mei 2022 en een gemailde toelichting daarop van 24 mei 2022 klaagt [eiser in conv] bij [gedaagde in conv] over lekkage in haar schuur. [eiser in conv] laat aan [gedaagde in conv] weten dat de oude bewoners ongeveer 1,5 jaar daarvoor aan [eiser in conv] hadden laten weten dat zij last hadden van lekkage in hun schuurdeel. [eiser in conv] had daar toen zelf geen last van. Volgens [eiser in conv] is de lekkage bij haar het gevolg een niet herstelde lekkage in het dak van het schuurdeel van [gedaagde in conv] . [eiser in conv] verzoekt [gedaagde in conv] dan ook om de lekkages op te lossen.
2.6.
Daarop heeft [gedaagde in conv] op 7 juni 2022 schriftelijk gereageerd dat de reparatie van haar schuurdak in dat weekend gepland staat en dat overleg wellicht mogelijk is als [eiser in conv] dan ook aanwezig is.
2.7.
Op 9 juni 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser in conv] en [gedaagde in conv] . Daarbij was de door [gedaagde in conv] ingeschakelde aannemer, [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aanwezig.
2.8.
Vervolgens heeft [gedaagde in conv] besloten om haar schuurdeel af te laten breken en op die plek door [naam 1] een (groter) tuinhuis te laten bouwen. Omstreeks juli 2022 is dit nieuwe tuinhuis geplaatst. Tegelijkertijd heeft [naam 1] het dakleer op het schuurdeel van [eiser in conv] vervangen.
2.9.
Bij brief van 5 september 2022 heeft [eiser in conv] bij [gedaagde in conv] geklaagd dat het nieuwe tuinhuis over de erfgrens is geplaatst en dat de gezamenlijke schutting zonder overleg is afgezaagd en verkort, dat uit haar schuur een stuk gezaagd is om het dak van het tuinhuis te plaatsen en dat het deel van de schutting dat is teruggezet, beschadigd is. Bij brief van 13 januari 2023 klaagt [eiser in conv] bij [gedaagde in conv] ook over diverse lekkages in haar schuur en is de constructie van het tuinhuis daar de oorzaak van. [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] bij diezelfde brief aansprakelijk gesteld en verzocht het (eerste) tuinhuis te verwijderen voor zover dit over de erfgrens is geplaatst en daarbij de schutting, schuur en tuin van [eiser in conv] in de oorspronkelijke staat terug te brengen, alsmede de lekkages in de schuur van [eiser in conv] te laten repareren en de daarmee gepaard gaande kosten volledig te vergoeden.
2.10.
Op 7 februari 2023 heeft [bedrijf 1] op verzoek van [gedaagde in conv] een rapport opgesteld over het tuinhuis in het rapport genoemd ‘berging’) van [gedaagde in conv] in relatie tot de schuur van [eiser in conv] . Daarin staat dat de schuur van [gedaagde in conv] uit een twijfelachtige constructie bestaat en dat de dakbedekking van de schuur van [eiser in conv] niet geheel is vol gevloeid waardoor het regenwater tussen de dakbedekkingslagen onderling komt en lekkages vertoont.
2.11.
Hierna heeft [gedaagde in conv] in februari/maart 2023 haar tuinhuis (laten) vervangen door een groter exemplaar.
2.12.
Bij brief van 23 februari 2023 aan [gedaagde in conv] constateert [eiser in conv] dat zij geen reactie heeft ontvangen op haar brief van 13 januari 2023 en dat [gedaagde in conv] tot haar verbazing het (eerste) tuinhuis heeft laten afbreken. [eiser in conv] heeft [gedaagde in conv] nogmaals gesommeerd niet over de erfgrens te bouwen en de schade aan de schutting en schuur van [eiser in conv] te herstellen.
2.13.
Op 21 maart 2023 heeft [bedrijf 2] op verzoek van [eiser in conv] een bouwtechnisch rapport uitgebracht over de schuur van [eiser in conv] . Dit bureau komt tot de conclusie dat de door vocht aangetaste OSB-platen in de schuur van [eiser in conv] en de bitumendakbedekking van de schuur van [eiser in conv] , vervangen moeten worden. Ook is de oorspronkelijke tussenwand van de schuur nu een buitenwand geworden zodat deze van weersbestendige gevelbekleding moet worden voorzien en, omdat het nieuwe tuinhuis van [gedaagde in conv] zo dicht tegen de schuur van [eiser in conv] is gebouwd, moet dit van binnenuit worden aangebracht. De totale kosten bedragen volgens [bedrijf 2] € 5.604,97.
2.14.
Bij brief van 24 mei 2023 van de toenmalig gemachtigde van [gedaagde in conv] aan [eiser in conv] is [eiser in conv] bekend geworden met een grensreconstructie die op verzoek van [gedaagde in conv] door het Kadaster is uitgevoerd op 25 oktober 2022. Bij deze grensreconstructie is de oorspronkelijke kadastrale grens op basis van meetgegevens zichtbaar gemaakt (rode stippellijn in het hieronder weergegeven relaas van bevindingen).
AFBEELDING
Alle verdere beschrijvingen van de loop van de erfgrens, de aanbouw en de schuttingen zullen hierna steeds worden weergegeven kijkend vanaf de straatzijde ( [straatnaam] ) in de richting van de schuur en het tuinhuis.
2.15.
De toenmalig gemachtigde van [gedaagde in conv] heeft in voormelde brief van 24 mei 2023 aan [eiser in conv] geschreven dat het zijpaneel van het tuinhuis voor een deel (ongeveer 2 cm) op de grond van [eiser in conv] staat en dat [gedaagde in conv] ervoor zal zorgen dat het over de breedte van 56 cm, 2 cm wordt teruggeplaatst. Verder wordt [eiser in conv] meegedeeld dat [gedaagde in conv] conform het ladderrecht zal aankondigen wanneer deze werkzaamheden zullen plaatsvinden en dat [gedaagde in conv] er ook voor zal zorgen dat de schutting volledig recht, conform de meting van het kadaster op de erfgrens wordt teruggeplaatst. Ook wordt aangekondigd dat [gedaagde in conv] aan de voorzijde van de woning (in het verlengde van de aanbouw) een schutting zal plaatsen tegen de erfgrens. Verder wordt [eiser in conv] verzocht de (eind)schuttingpaal waaraan [eiser in conv] haar houten poort heeft bevestigd, alsmede een daarachter geplaatste struik, te verwijderen omdat deze op de grond van [gedaagde in conv] zouden staan. Ook wil [gedaagde in conv] afspraken maken over een strook grond van 4 cm naast de muur van de aanbouw van [gedaagde in conv] , welke strook [eiser in conv] over een lengte van 10 meter heeft bestraat.
2.16.
Hierop hebben de gemachtigden van beide partijen met elkaar gecommuniceerd. Ook over het plaatsen van de schutting aan de voorzijde, waarbij [gedaagde in conv] de schuttingpalen, schuin afgezaagd boven de oprit van [eiser in conv] heeft geplaatst. Dit heeft tot verdere spanningen geleid. Verder is het zijpaneel van het (eerste) tuinhuis niet verplaatst.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
[eiser in conv] vordert
in conventie- samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;
I. voor recht verklaart dat de grond gelegen tussen de kadastrale grens en de feitelijke grens door verjaring eigendom is geworden van [eiser in conv] waardoor de juridische grens tussen de beide percelen gelijk loopt met de tegels van [eiser in conv] , de zijgevel van de woning/aanbouw van [gedaagde in conv] en daar waar de zijgevel van de woning/aanbouw eindigt, onder de schutting;
II. [gedaagde in conv] veroordeelt om, op straffe van een dwangsom, alles te verwijderen dat zij op of boven de grond van [eiser in conv] heeft geplaatst;
III. voor recht verklaart dat [gedaagde in conv] aansprakelijk is voor de schade aan de schuur van [eiser in conv] ;
IV. [gedaagde in conv] veroordeelt tot het vergoeden van de schade (aan de schuur) van [eiser in conv] van € 5.604,97;
V. [gedaagde in conv] veroordeelt om, op straffe van een dwangsom, de schutting te vervangen voor een exemplaar waarvan als productie 27 bij dagvaarding een foto is overgelegd, zijnde een schutting die voldoende stevig is om zelfstandig te staan en die twee meter hoog is;
VI. [gedaagde in conv] veroordeelt om, op straffe van een dwangsom, de camera’s aan de voor- en achterzijde van haar perceel van het perceel van [eiser in conv] af te wenden en afgewend te houden;
VII. [gedaagde in conv] , op straffe van een dwangsom, verbiedt om haar kliko’s zodanig te plaatsen dat deze, wanneer ze omvallen, schade kunnen veroorzaken aan de auto van [eiser in conv] en de oprit blokkeren;
VIII. [gedaagde in conv] veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagde in conv] vordert
in reconventie- samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de grens tussen de percelen van partijen zoals die is vastgesteld door het Kadaster op 25 oktober 2022, de juridische grens is;
II. [eiser in conv] veroordeelt om de kosten van € 460,00 van de grensreconstructie aan [gedaagde in conv] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
III. [eiser in conv] veroordeelt om de kosten van de deskundige van [bedrijf 1] van € 290,40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
IV. [eiser in conv] , op straffe van een dwangsom, gebiedt om haar toegang te geven tot haar perceel voor het verplaatsen van het zijpaneel van het voormalig tuinhuis van [gedaagde in conv] naar het perceel van [gedaagde in conv] ;
V. [eiser in conv] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.3.
[eiser in conv] legt aan de vorderingen in conventie en haar verweer in reconventie het volgende ten grondslag. De grens tussen de beide percelen is al meer dan 20 jaar ongewijzigd. In 2001 werd deze aan de voorzijde gevormd door de tegels van [eiser in conv] en een schutting en vanaf 2004 door de tegels van [eiser in conv] en de door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conv] geplaatste aanbouw. De erfgrens aan de achterzijde (achter de schutting met poort die in het verlengde van de achtergevel van [eiser in conv] haaks op de woning van [eiser in conv] tot de aanbouw van [gedaagde in conv] staat) wordt gevormd door een in 2001 geplaatste schutting die tot aan de (gedeelde regenpijp van de) gekoppelde schuur liep. [eiser in conv] pretendeerde vanaf dat moment eigenaar te zijn van de grond gelegen tussen de kadastrale grens en de aanbouw en de schutting en heeft zich daarmee ook zo gedragen. Zo heeft [eiser in conv] de strook grond aan de achterzijde afgesloten door de schutting met poort en op de betwiste strook grond aan de achterzijde struiken geplant, alsmede de grond aan de voorzijde als oprit betegeld. De grond aan de achterzijde is daarmee al 24 jaar ontoegankelijk voor (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conv] en [eiser in conv] heeft inmiddels al 24 jaar het exclusieve gebruik van de grond. Daarmee is de kadastrale grens door verjaring niet meer de juridische grens: [eiser in conv] meent dat zij op grond van artikel 3:99 lid 1 BW na 10 jaar eigenaar van de grond is geworden. Hoewel de strook grond aan de voorzijde niet ontoegankelijk is, heeft [eiser in conv] ook deze strook grond in bezit genomen door deze te betegelen. Daarnaast stelt [eiser in conv] dat [gedaagde in conv] met het plaatsen van (twee) nieuwe schuren/tuinhuizen, de schuur en de schutting aan de achterzijde van de woning van [eiser in conv] heeft beschadigd. Het loskoppelen van het schuurdeel van [gedaagde in conv] is niet op een deugdelijke manier gebeurd waardoor [eiser in conv] nu last heeft van lekkages in haar schuur. Ook is de afwatering van de schuur niet goed geregeld waardoor het regenwater langs de muren naar beneden loopt terwijl de oorspronkelijke tussenwand tussen beide schuren voor de schuur van [eiser in conv] nu een buitenmuur is geworden waarvoor deze niet geschikt is. Hiermee heeft [gedaagde in conv] onrechtmatig gehandeld, aldus [eiser in conv] , en moet zij de herstelkosten van € 5.604,97 vergoeden. Verder heeft [gedaagde in conv] schade veroorzaakt aan de mandelige schutting door het daartegen plaatsen van puin en bouwmaterialen en het afzagen van een deel van de schutting. Bovendien is de constructie van de schutting aangetast nu deze los staat en niet meer is gekoppeld aan de schuur en de aanbouw. Daarom is [gedaagde in conv] gehouden tot vervanging van de gezamenlijke schutting. Tot slot meent [eiser in conv] dat [gedaagde in conv] inbreuk maakt op haar privacy met aan de voor- en achterzijde van de woning van [gedaagde in conv] geplaatste camera’s omdat deze zijn gericht op het perceel van [eiser in conv] . [eiser in conv] concludeert in reconventie tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conv] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conv] in de kosten van deze procedure. Daarbij voert zij naast vorenstaande nog aan dat [gedaagde in conv] nooit om toegang tot het perceel van [eiser in conv] heeft gevraagd maar dat [gedaagde in conv] het zijpaneel van het eerste tuinhuis vanaf haar eigen perceel kan verwijderen en verder dat een grondslag voor vergoeding van de kosten van [gedaagde in conv] ontbreekt.
3.4.
[gedaagde in conv] legt aan haar verweer in conventie en haar vorderingen in reconventie het volgende ten grondslag. [gedaagde in conv] erkent dat de erfgrens aan de achterzijde van de woning loopt ter hoogte van de mandelige schutting en dat het zijpaneel van haar (eerste) tuinhuis nog over een lengte van 56 cm circa 2 cm over de erfgrens staat. Zij is bereid dit paneel te verplaatsen maar betoogt dat [eiser in conv] de daarvoor noodzakelijke toegang tot haar perceel niet verleent, zodat [gedaagde in conv] in reconventie ladderrecht vordert. Over de erfgrens aan de voorzijde voert [gedaagde in conv] aan dat haar rechtsvoorgangers bij het plaatsen van de aanbouw in 2004 tegen de kadastrale grens een stenen muurtje hebben aangebracht en dat dit muurtje zich circa 4 cm over de tegels van [eiser in conv] bevond, zo blijkt volgens [gedaagde in conv] uit de verkleuring van de stoeptegels ter plaatse. Nergens blijkt volgens [gedaagde in conv] uit dat [eiser in conv] het strookje grond van 4 cm in bezit heeft genomen. Verder is de aanbouw door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conv] op 3 tot 4 cm van de erfgrens geplaatst en ook van dit strookje grond heeft [eiser in conv] geen bezit genomen. Verder wijst [gedaagde in conv] erop dat [eiser in conv] niet heeft onderbouwd dat achter de poort sprake is van tegels en struiken die zich over de kadastrale grens bevinden. Volgens [gedaagde in conv] slaagt het beroep op verjaring door [eiser in conv] niet en is de kadastrale grens ook de juridische grens, waarvan [gedaagde in conv] in reconventie een verklaring voor recht vordert. Verder voert [gedaagde in conv] aan dat [eiser in conv] al last had van lekkages in haar schuur vóórdat [gedaagde in conv] haar schuur had verwijderd en haar tuinhuizen plaatste. Bovendien heeft [gedaagde in conv] haar schuur in overleg met [eiser in conv] afgekoppeld en hebben ze daarbij afgesproken dat beide partijen zelf voor het afdichten en waterdicht maken van hun schuren zouden zorgen. Uit de door [eiser in conv] overgelegde rapport van [bedrijf 2] blijkt bovendien niet dat [gedaagde in conv] aansprakelijk is voor de (lekkage)schade van [eiser in conv] . Over de schutting merkt [gedaagde in conv] op dat het bouwmateriaal niet tegen de schutting heeft gelegen nu zij de schutting tijdens de bouw heeft beschermd tegen het gewicht van tegels en andere materialen door op haar eigen kosten een stutwerk te laten maken. Verder is het verwijderen van een schuttingdeel en het inkorten van de achterste schuttingpaal in overleg met [eiser in conv] gebeurd en heeft [eiser in conv] daarmee ingestemd. Door deze ingrepen is ook de staat van de schutting niet negatief beïnvloed. Over de camera’s merkt [gedaagde in conv] op dat deze ter beveiliging zijn van zichzelf en haar eigendommen en dat deze enkel zijn gericht op haar eigen achtertuin en oprit en dat [eiser in conv] niet hoeft te vrezen dat zij in beeld wordt gebracht zolang zij zich niet op het perceel van [gedaagde in conv] bevindt. [gedaagde in conv] concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conv] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conv] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Dit geschil gaat over de loop van de erfgrens en de gevolgen daarvan voor het al dan niet verwijderen en/of vervangen van aangebrachte schuttingen, panelen en/of beplanting. Kort gezegd meent [eiser in conv] dat de juridische grens gelijk is aan de feitelijke grens terwijl [gedaagde in conv] betoogt dat de juridische grens moet worden vastgesteld op de kadastrale grens. Omdat de vorderingen I en II in conventie en de vorderingen I en IV in reconventie samenhangen, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld, waarbij eerst de juridische erfgrens zal worden vastgesteld. Bij de beoordeling van deze vorderingen maakt de rechtbank, gelet op de standpunten van partijen, onderscheid tussen de erfgrens aan de achterzijde van de woningen ter hoogte van (a) de schuur en het tuinhuis, (b) de schutting en (c) de aanbouw, en tussen en aan de voorzijde van de woningen ter hoogte van (d) de aanbouw en (e) de schutting evenwijdig aan de oprit. Daarna zullen de gevolgen van vastgestelde juridische grens worden besproken. Tot slot zullen de vorderingen over de (gestelde) schade aan de schuur en schutting van [eiser in conv] (vorderingen III tot en met V in conventie), de camera’s (vordering VI in conventie) en de (deskundige)kosten van [gedaagde in conv] (vorderingen II en III in reconventie) afzonderlijk worden beoordeeld. De vordering van [eiser in conv] over de wijze waarop [gedaagde in conv] haar kliko’s plaatst (vordering VII in conventie) zal niet worden beoordeeld omdat [eiser in conv] deze vordering tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken.
Vorderingen I en II in conventie en de vorderingen I en IV in reconventie
4.2.
Uit het relaas van bevindingen blijkt dat de kadastrale grens hier en daar een aantal centimeter afwijkt van de feitelijke grens.
(a)
de erfgrens aan de achterzijde ter hoogte van de schuur en het zijpaneel van het (eerste) tuinhuis
4.3.
Aangenomen moet worden dat de middenmuur van de gekoppelde schuur op de kadastrale grens is geplaatst. Uit het relaas van bevindingen blijkt dat het zijpaneel, dat is weergegeven met een lijntje vanaf meetpunt (5) naar de lijn tussen meetpunten (1) en (2), 2 centimeter over de kadastrale grens staat (zie meetpunt (5)). [eiser in conv] stelt dat het zijpaneel over de erfgrens is gebouwd, [2] wat door [gedaagde in conv] wordt erkend [3] . Partijen zijn het er kennelijk over eens dat de juridische erfgrens aan de achterzijde van de woningen ter hoogte van de schuur en het zijpaneel is gelegen op kadastrale grens.
(b)
de erfgrens aan de achterzijde ter hoogte van de mandelige schutting
4.4.
Mede gelet op de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank dat de schutting loopt van meetpunt (13) richting meetpunt (5). Daarmee staat de schutting deels aan de linkerzijde van de kadastrale grens, de zijde van [gedaagde in conv] . [eiser in conv] stelt dat de juridische grens onder de mandelige schutting loopt. [gedaagde in conv] erkent, ondanks haar vordering om de erfgrens op de kadastrale grens te bepalen, dat de juridische grens onder de mandelige schutting loopt [4] . Gelet hierop zijn partijen het er kennelijk ook eens dat de oude schutting mandelig is en dat de juridische erfgrens daaronder loopt.
(c)
de erfgrens aan de achterzijde ter hoogte van de aanbouw
4.5.
Dan resteert aan de achterzijde van de woningen nog een stukje grond evenwijdig aan de aanbouw vanaf de haaks staande schutting met poort die de voor- en achterzijde van de tuinen afsluit (dat is de stippellijn vanaf meetpunt (17) naar links tot de aanbouw). Uit het relaas van bevindingen blijkt dat het gaat om het strookje grond rechts van de aanbouw over de lengte van meetpunt (20) tot meetpunt (13). Hier wijkt de feitelijke erfgrens circa 4 cm af van de kadastrale grens en het strookje ligt dus links van de kadastrale grens, aan de zijde van [gedaagde in conv] . [eiser in conv] beroept zich voor wat betreft dit stukje grond op verkrijgende verjaring terwijl [gedaagde in conv] betoogt dat [eiser in conv] niet te goeder trouw was en dat [eiser in conv] niet heeft aangetoond dat zij dat strookje grond al 10 dan wel 20 jaar in haar bezit heeft.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Als [eiser in conv] dit strookje grond 10 jaar of langer te goeder trouw bezit, dan is zij daarvan eigenaar geworden (artikel 3:99 lid 1 BW).
De vraag of iemand bezitter is, moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:99 BW volgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Anders dan onder het recht zoals dat gold tot 1992, noemt de wet als vereisten voor bezit niet meer met zoveel woorden dat het ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat ook naar het huidig recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip ‘bezit’ besloten liggen. [5] Het criterium richt zich op uiterlijke feiten. Dit betekent dat de wil van degene die de macht uitoefent, slechts relevant is voor zover die wil in zulke uiterlijke feiten tot uiting komt. De gebruiker moet op ondubbelzinnige wijze gebruik maken van het goed. De eigenaar van het goed moet dit kunnen constateren en hiertegen kunnen optreden. Het moet gaan om inbezitneming door de niet-rechthebbende. Daaromtrent bepaalt artikel 3:113 lid 2 BW dat voor inbezitneming van een goed dat in het bezit is van een ander, enkel op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn. Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. [6]
4.7.
Verder heeft te gelden dat een bezitter te goeder trouw is als hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van geode trouw moet worden bewezen (artikel 3:118 BW).
4.8.
Uit de stellingen van partijen volgt dat de aanbouw in 2004 door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conv] is geplaatst. Daarvoor vormde een haaks op de woningen staande schutting van meetpunt (17) naar meetpunt (9) de afscheiding van de voor- en achtertuinen en een haaks daarop staande schutting vanaf meetpunt (20) richting de straat de grens tussen beide voortuinen. Bij het plaatsen van de aanbouw in 2004 is deze laatstgenoemde schutting richting de straat verwijderd, het deel van de haaks op de woningen staande schutting aan de zijde van de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conv] verwijderd en het deel van [eiser in conv] op de aanbouw aangesloten. Aan de achterzijde van de woning is de mandelige schutting aan de rechterbovenhoek van de aanbouw bevestigd (meetpunt (13)). Daarmee is het strookje grond langs de aanbouw aan de achterzijde sinds 2004 ontoegankelijk geworden voor (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conv] . [gedaagde in conv] betoogt dat [eiser in conv] , die vermoed wordt te goeder trouw te zijn, niet te goeder trouw was omdat haar rechtsvoorganger destijds aan [eiser in conv] zou hebben meegedeeld dat de aanbouw bewust op enkele centimeters afstand van de erfgrens is geplaatst. [7] Dit blijkt echter niet uit de door [gedaagde in conv] ter onderbouwing van haar standpunt overgelegde verklaring van die rechtsvoorganger. [8] Deze verklaart weliswaar dat zij met de buitenmuur van de aanbouw een paar centimeter aan hun kant van de erfgrens zijn bleven om geen gedoe over die grens te krijgen, maar ook dat hij niet meer exact weet wat zij daarover tegen [eiser in conv] hebben gezegd. Op basis van deze verklaring heeft [gedaagde in conv] het ontbreken van te goeder trouw bij [eiser in conv] niet aangetoond op het moment van verkrijging van het bezit. Door een onafgebroken bezit van het strookje grond vanaf 2004 heeft [eiser in conv] na 10 jaar het eigendomsrecht verkregen op dat strookje grond (artikel 3:99 lid 1 BW). Daarmee loopt de juridische erfgrens aan de achterzijde van de woning vanaf de haakse schutting langs de aanbouw van [gedaagde in conv] tot meetpunt (13).
(d)
de erfgrens tussen en aan de voorzijde van de woningen
4.9.
Uit het relaas van bevindingen blijkt dat het gaat om een strookje grond van 3 tot 4 cm linksgelegen van de kadastrale grens vanaf meetpunt (3) tot meetpunt (20), de haaks staande schutting met poort. [eiser in conv] meent dat de erfgrens aan de voorzijde is gelegen tegen de linkerkant van de door haar in 2001 aangebrachte betegeling op de oprit. Voor zover deze tegels de kadastrale grens overschrijden, beroept [eiser in conv] zich op verkrijgende verjaring (artikel 3:99 lid 1 BW). Zij stelt dat zij de grond door deze te betegelen in bezit heeft genomen. [9] Volgens [gedaagde in conv] liggen de tegels van de oprit van [eiser in conv] ter hoogte van de aanbouw niet over de kadastrale grens [10] maar op enig moment, vanaf de aanbouw naar de straat bezien, wel. [gedaagde in conv] betoogt dat haar rechtsvoorgangers op het moment dat zij de aanbouw plaatsten (in 2004) tegen de kadastrale grens een stenen muurtje hadden aangebracht en dat dit stenen muurtje er nog stond toen [gedaagde in conv] de woning kocht. [11] Volgens [gedaagde in conv] bevond dit muurtje zich circa 4 cm over de tegels van [eiser in conv] . [12] Daartoe overlegt [gedaagde in conv] een aantal foto’s waar dit uit zou moeten blijken. [13]
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. De kadastrale grens valt niet overal samen met de feitelijke erfafscheiding. De vraag is of [eiser in conv] dit strookje grond van 3 tot 4 cm door verjaring heeft verkregen, rekening houdend met het hiervoor onder rov. 4.6. gegeven beoordelingskader. [gedaagde in conv] erkent zelf dat het strookje grond langs de aanbouw vrij van tegels is. Voor zover [eiser in conv] met tegels de kadastrale grens heeft overschreden, overweegt de rechtbank dat het enkel betegelen van de grond op zichzelf niet als daad van bezit kan worden aangemerkt evenmin als het gebruik van het strookje grond door [eiser in conv] als oprit. Uit die handelingen blijkt namelijk niet dat [eiser in conv] meende dat zij recht had om van het perceel van [gedaagde in conv] gebruik te maken. Dit is mogelijk anders indien zich bijkomende omstandigheden voordoen. Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn door [eiser in conv] echter niet gesteld en deze zijn ook niet gebleken. Omdat [gedaagde in conv] vanaf de weg feitelijk nog toegang had tot het strookje grond, maakt betegeling geen daad van inbezitneming. Andere daden van inbezitneming aan de voorzijde van de woningen heeft [eiser in conv] niet gesteld. Dat de rechtsvoorganger van [gedaagde in conv] op eigen grond een muurtje heeft geplaatst en daarmee ogenschijnlijk een stukje grond aan [eiser in conv] heeft prijsgegeven, is geen handeling van [eiser in conv] en kan daarmee ook geen bezitshandeling van haar zijn. Uit die handeling van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde in conv] kan hooguit worden geconcludeerd dat [eiser in conv] met toestemming van de rechtsvoorganger van [gedaagde in conv] gebruik maakte van het strookje grond, hetgeen niet een onderbouwing is van bezit door [eiser in conv] . Reeds omdat niet komt vast te staan dat het strookje grond van enkele centimeters door [eiser in conv] in bezit is genomen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het vereiste van te goeder trouw.
4.11.
Op grond van het voorstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat niet is gebleken dat [eiser in conv] het tussen en aan de voorzijde van de woningen in geding zijnde strookje grond van enkele centimeters, linksgelegen van de kadastrale grens vanaf meetpunt (3) tot meetpunt (20), door verjaring heeft verkregen.
4.12.
Samengevat zal de rechtbank op vordering I in conventie en vordering I in reconventie voor recht verklaren dat de juridische erfgrens tussen het erf van [eiser in conv] enerzijds en dat van [gedaagde in conv] anderzijds als volgt loopt:
- vanaf de straat (vanaf meetpunt (3)) tot aan de haaks staande schutting met poort (meetpunt (20)) gelijk met de kadastrale grens zoals weergegeven op de grensreconstructie van het Kadaster uitgevoerd op 25 oktober 2022,
- daarachter vanaf meetpunt (20) haaks links richting de oostelijke muur van de aanbouw,
- vervolgens gelijk met de oostelijke muur van de aanbouw richting meetpunt (13),
- daarna vanaf meetpunt (13) onder de mandelige schutting tot meetpunt (4), en
- vanaf meetpunt (4) naar het einde van het perceel weer gelijk met de kadastrale grens zoals weergegeven op de grensreconstructie van het Kadaster uitgevoerd op 25 oktober 2022.
4.13.
Vervolgens is de vraag welke gevolgen dit heeft voor de vorderingen van partijen die over en weer zijn gebaseerd op de loop van de erfgrens.
Gevolgen van de vastgestelde erfgrens aan de achterzijde
4.14.
[gedaagde in conv] heeft geen vorderingen ingesteld ten aanzien van (verwijdering van) de beplanting achter en de eindpaal van de haaks staande schutting met poort van [eiser in conv] . De rechtbank begrijpt dat [eiser in conv] (als onderdeel van vordering II in conventie) vordert dat [gedaagde in conv] het zijpaneel verwijdert. Omdat partijen het er over eens zijn dat het zijpaneel over de erfgrens staat, moet dit worden verwijderd. Vordering II in conventie zal dan ook in zoverre worden toegewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom als hierna bepaald.
4.15.
[gedaagde in conv] heeft verklaard dat zij bereid is het zijpaneel te verwijderen maar vordert daartoe in reconventie onder IV toegang tot het perceel van [eiser in conv] (ladderrecht). Deze vordering wijst de rechtbank af. Het zogenoemde ladderrecht ziet op het tijdelijk gebruik maken van een onroerende zaak van een ander wanneer dit nodig is voor het verrichten van werkzaamheden aan een eigen onroerende zaak (artikel 5:56 BW). Het ladderrecht is niet bedoeld om te voldoen aan een veroordeling tot verwijdering van overbouw. Over de verwijdering zullen partijen met elkaar in overleg moeten nu een goede burenrelatie in rechte niet afdwingbaar is.
Gevolgen van de vastgestelde erfgrens aan de voorzijde
4.16.
Alleen [eiser in conv] heeft verwijdering gevorderd van de overstekende, rechtopstaande palen van de schutting van [gedaagde in conv] . Nu is bepaald dat de erfgrens loopt ter hoogte van de kadastrale grens en niet is gesteld of gebleken dat de desbetreffende palen over die kadastrale grens zijn geplaatst, zal vordering II in conventie voor zover die ziet op verwijdering van de schuttingpalen aan de voorzijde, worden afgewezen.
verder in conventie
Vergoeding van schade aan de schuur van [eiser in conv] (vordering III en IV)
4.17.
[eiser in conv] stelt dat [gedaagde in conv] met het loskoppelen van de schuurdelen en het plaatsen van de tuinhuizen haar schuur(deel) heeft beschadigd. Het loskoppelen van de schuurdelen is niet op een deugdelijke manier gebeurd. Ook heeft [gedaagde in conv] stukken uit de schuur van [eiser in conv] gezaagd om het dak van haar (eerste) tuinhuis te plaatsen en zijn bij verwijdering van (het dak van) het eerste tuinhuis twee gaten in het schuurdak van [eiser in conv] achter gebleven. Hierdoor heeft [eiser in conv] lekkages in haar schuur. [eiser in conv] verwijst naar het rapport van 21 maart 2024 van [bedrijf 2] . [14] In dat rapport wordt geconstateerd dat tussen de dakrand en de omhooggetrokken dakbedekking (tegen de schuur van [gedaagde in conv] ) aan beide zijden een opening is waardoor water de schuur instroomt en niet via de regenwaterafvoer wordt afgevoerd. Dit leidt tot lekkage in de schuur en waterbelasting op de houten gevelbekleding. Verder wordt in het rapport geconstateerd dat de tussenwand in de schuur, die door de loskoppeling van de schuren een buitenwand is geworden, bestaat uit OSB-plaat die niet geschikt is voor buitentoepassing. [eiser in conv] stelt dat deze gebreken aan haar schuur door toedoen van [gedaagde in conv] zijn ontstaan en vordert schadevergoeding op grond van 6:162 BW. Onder verwijzing naar voormeld rapport begroot [eiser in conv] de schade op € 5.604,97.
4.18.
[gedaagde in conv] meent dat zij niet aansprakelijk is voor de gestelde schade. Zij wijst erop dat [eiser in conv] al last had van lekkages in haar schuur voordat [gedaagde in conv] haar schuurdeel verwijderde. Op 9 juni 2022 is afgesproken dat beide partijen na de verwijdering van het schuurdeel van [eiser in conv] zelf en op eigen kosten zouden zorgen voor het afdichten en waterdicht maken van hun schuur. Er is geen verband tussen de lekkages in de schuur van [eiser in conv] en het verwijderen van het schuurdeel van [gedaagde in conv] of het plaatsen van haar eerste tuinhuis. [gedaagde in conv] verwijst naar een rapport van 7 februari 2023 van de door haar ingeschakelde deskundige [naam 2] [15] . De dakbedekking van [eiser in conv] deugde al niet en daardoor zijn volgens [gedaagde in conv] bij [eiser in conv] in de schuur lekkages ontstaan. Voor zover [gedaagde in conv] al onrechtmatig zou hebben gehandeld, stelt zij dat [eiser in conv] niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht.
4.19.
De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken dat [eiser in conv] inderdaad al vóór de verbouwingen van [gedaagde in conv] last had van lekkage in haar schuur. Deze lekkage was kennelijk het gevolg van problemen met de dakbedekking op de gekoppelde schuurdelen. Het enkele feit dat al eerder lekkage is geweest in de schuur van [eiser in conv] , betekent niet dat de huidige lekkage door hetzelfde probleem wordt veroorzaakt. Feit is dat [gedaagde in conv] daarna ingrijpende werkzaamheden is gaan verrichten. [gedaagde in conv] heeft ervoor gekozen om haar schuurdeel af te breken en te vervangen door een tuinhuis. De door [gedaagde in conv] ingeschakelde aannemer [naam 1] heeft in opdracht van [eiser in conv] bij het loskoppelen van de schuurdelen, nieuwe dakbedekking op het schuurdeel van [eiser in conv] aangebracht en het dak van het nieuwe tuinhuis van [gedaagde in conv] aangesloten op het schuurdak van [eiser in conv] . Zelfs als komt vast te staan dat deze werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, zoals [gedaagde in conv] betoogt, staat vast dat [gedaagde in conv] ook daarna ingrijpende werkzaamheden aan het schuurdeel van [eiser in conv] heeft laten verrichten. Uit de foto’s die [eiser in conv] heeft overgelegd van het eerste tuinhuis [16] blijkt dat het overstekende witte zijpaneel van het dak direct was aangesloten op het dak van het schuurdeel van [eiser in conv] . Op die foto’s is zichtbaar dat daarvoor in ieder geval aan de voorzijde van de schuur van [eiser in conv] een hoek uit het schuurdak en de voorkant van de schuur is gezaagd. Het op deze wijze aanbrengen en laten aansluiten van het zijpaneel van het dak door [naam 1] , wordt door [gedaagde in conv] niet betwist. Deze constructie is door [gedaagde in conv] verwijderd toen zij in maart 2023 besloot het eerste tuinhuis af te breken en te vervangen door een groter tuinhuis. Ook betwist [gedaagde in conv] niet dat bij het verwijderen van dat eerste tuinhuis de uitsparingen in het schuurdak van [eiser in conv] niet zijn gedicht. Het is evident dat hierdoor vocht in de schuur van [eiser in conv] binnendringt. Daar komt bij dat door de wijze waarop [gedaagde in conv] het tweede tuinhuis heeft laten bouwen, de daken niet meer op elkaar aansluiten en er, ook van bovenaf gezien, een opening is ontstaan tussen het (tweede) tuinhuis en de schuur. Met verwijdering van het op het schuurdak van [eiser in conv] aansluitende zijpaneel is de (thans) buitenwand van de schuur van [eiser in conv] minder beschermd tegen weersinvloeden. Door het niet dichten van de door haarzelf in eerste instantie aangebrachte uitsparingen in het schuurdak van [eiser in conv] en het laten ontstaan van een opening tussen de daken van het (tweede) tuinhuis en de schuur, heeft [gedaagde in conv] het eigendom van [eiser in conv] onrechtmatig beschadigd (artikel 6:162 BW) en is het rechtsgevolg dat [gedaagde in conv] de schade als gevolg daarvan moet vergoeden. Dat [gedaagde in conv] stelt dat zij op 9 juni 2022 met [eiser in conv] de afspraak heeft gemaakt dat [eiser in conv] zelf zou zorgdragen voor het afdichten en waterdicht maken van haar eigen schuur [17] , maakt dit niet anders. Zelfs als een dergelijke afspraak (na bewijslevering) vast komt te staan, is het onrechtmatig van [gedaagde in conv] om de door [naam 1] aangebrachte constructie van het eerste tuinhuis zo ingrijpend te wijzigen dat er openingen zijn ontstaan in het schuurdak van [eiser in conv] en dat het weer meer invloed heeft gekregen op de voorheen binnenmuur van [eiser in conv] . [gedaagde in conv] had zich er eerst van moeten vergewissen dat zij het tweede tuinhuis kon bouwen op de wijze zoals thans is gebeurd. [gedaagde in conv] stelt weliswaar dat zij er logischerwijs vanuit ging dat [eiser in conv] haar schuur volgens de afspraken van 9 juni 2022 had laten afdichten en haar dak waterdicht had laten maken, maar vast staat dat dit door de aannemer van [gedaagde in conv] is gedaan. Hij heeft immers ook werkzaamheden aan het dak van [eiser in conv] verricht en de daken op elkaar laten aansluiten. Door zich er niet van te vergewissen dat het ontmantelen van het eerste tuinhuis en de nieuwe, gewijzigde constructie van het tweede tuinhuis geen gevolgen zou hebben voor het schuurdeel van [eiser in conv] , heeft [gedaagde in conv] onrechtmatig gehandeld.
4.20.
[gedaagde in conv] heeft de hoogte van de door [eiser in conv] gevorderde schadevergoeding niet gemotiveerd betwist. Van het door [eiser in conv] gevorderde bedrag ziet in totaal € 5.102,82 op herstel van de waterschade in de schuur, te weten € 5.604,97 -/- (€ 415+21% btw) voor het handmatig vervaardigen van een schuttingdeel, waarover hierna meer.
4.21.
[gedaagde in conv] is van mening dat hierop een nieuw voor oud-correctie moet worden toegepast. [18] Voor toepassing van de zogenaamde ‘nieuw voor oud’ aftrek is slechts plaats als de benadeelde zonder die aftrek in een duidelijk voordeliger positie zou komen. Aangenomen wordt dat dat het geval is als het gaat om een verbetering waarvan vaststaat dat de benadeelde deze in de toekomst toch zou hebben doorgevoerd, of om een verbetering die aantoonbare meerinkomsten voor de benadeelde oplevert. [gedaagde in conv] heeft geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de schuur van [eiser in conv] het einde van zijn levensduur heeft bereikt en binnen afzienbare termijn vervangen had moeten worden. Vervanging van de OSB-platen en dakbedekking zal voor [eiser in conv] dus geen kostenbesparing meebrengen. Van meerinkomsten zal evenmin sprake zijn, nu het schuurtje behoort tot de woning van [eiser in conv] . Niet aannemelijk is, dat dat verandert bij verkoop. Omdat niet komt vast te staan dat [eiser in conv] in een voordeliger positie komt te verkeren wanneer de door [bedrijf 2] genoemde werkzaamheden worden uitgevoerd, is voor de door [gedaagde in conv] gewenste correctie op de schadevergoeding, geen plaats. [19]
Vervanging van de mandelige schutting (vordering V)
4.22.
[eiser in conv] vordert vervanging van de mandelige schutting voor een exemplaar van 2 meter hoog waarvan zij als productie 27 bij dagvaarding een foto heeft overgelegd. Zij stelt dat [gedaagde in conv] de huidige mandelige schutting heeft beschadigd door deze los te koppelen van de schuur, er een stuk vanaf te zagen, één van de palen af te breken, puin en andere bouwmaterialen tegen de schutting aan te plaatsen en vervolgens een eigen iets hogere schutting te plaatsen die de mandelige schutting wegdrukt. [20] De bevestiging van de schutting bij de stenen aanbouw is losgemaakt. [21] De schutting is niet langer een gedegen constructie en geeft geen mooi aangezicht. [22] De rechtbank begrijpt de stellingen en de vordering van [eiser in conv] zo dat zij op de erfgrens tot haar schuur een mandelige schutting (terug)geplaatst wil hebben.
4.23.
[gedaagde in conv] betwist dat zij schade aan de schutting heeft aangebracht en betoogt dat deze al in de huidige gammele staat verkeerde toen zij haar woning kocht. Pas tijdens de bouw van haar tweede tuinhuis heeft zij materialen bij de schutting geplaatst maar toen heeft zij de schutting met stutwerk tegen het gewicht van de materialen beschermd. Bovendien heeft zij destijds de schutting en de laatste schuttingpaal met toestemming van [eiser in conv] ingekort. [23] [gedaagde in conv] verwijst daarbij naar een schriftelijke verklaring van [naam 3] .
4.24.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is vastgesteld, loopt de erfgrens tussen de erven van [eiser in conv] en [gedaagde in conv] in de lengterichting onder deze schutting zodat de schutting mandelig is (artikel 5:62 BW). Mandelige zaken moeten op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd. De bijdrageplicht geldt niet na sloop door één van de mede-eigenaars [24] . De rechtbank begrijpt dat [eiser in conv] meent dat [gedaagde in conv] de mandelige schutting heeft vernield waarbij zij wijst op de scheefstand.
4.25.
Vooropgesteld moet worden dat het gaat om een schutting die in 2001 is geplaatst. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser in conv] in combinatie met de door haar als productie 37 overgelegde foto zo, dat begin 2018 de palen van de schutting zijn vervangen. Partijen zijn het er over eens dat de schutting scheefstand vertoont. [eiser in conv] stelt dat [gedaagde in conv] puin en bouwmaterialen tegen de schutting heeft geplaatst. [eiser in conv] wijst daarbij op een foto [25] maar zij stelt niet wanneer deze foto is genomen. Op een door [gedaagde in conv] overgelegde foto [26] van 24 januari 2023 is te zien dat de schuttingpanelen (al) scheef stonden. Deze scheefstand zou dus vóór die datum veroorzaakt moeten zijn. Omdat het tweede tuinhuis echter pas in februari/maart 2023 is gebouwd, moet [eiser in conv] dus stellen en bewijzen dat [gedaagde in conv] al bij de bouw van het eerste tuinhuis in mei 2022 puin en bouwmaterialen tegen de schutting heeft geplaatst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser in conv] echter verklaard dat [gedaagde in conv]
het werk van [naam 1] heeft afgebroken en toen al het puin tegen de schutting heeft gezet. Dit was dus ten behoeve van de bouw van het tweede tuinhuis. Bovendien heeft [eiser in conv] niet betwist dat [gedaagde in conv] toen aan haar eigen zijde stutwerk heeft geplaatst, zoals [gedaagde in conv] betoogt. Gelet op deze omstandigheden komt niet vast te staan dat de scheefstand van de mandelige schutting is veroorzaakt door het plaatsen van puin en bouwmaterialen door [gedaagde in conv] . Bovendien is scheefstand op zichzelf geen reden voor volledige vervanging van de schutting.
4.26.
Verder staat vast staat dat [gedaagde in conv] wijzigingen heeft aangebracht aan de mandelige schutting door deze los te koppelen en in te korten. Zo heeft [gedaagde in conv] niet betwist dat zij de schutting van de aanbouw en de regenpijp van de schuur heeft losgemaakt. Ook erkent [gedaagde in conv] dat zij bij de bouw van haar eerste tuinhuis ter hoogte van de oude schuurtjes een paal heeft ingekort. [gedaagde in conv] heeft de mandelige schutting aangesloten op het zijpaneel van het eerste tuinhuis, hetgeen volgens haar een steviger bevestiging oplevert dan de eerdere bevestiging aan de regenpijp van de schuurtjes. Gelet op deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser in conv] onvoldoende onderbouwd gesteld dat de huidige mandelige schutting door de handelwijze van [gedaagde in conv] dusdanig instabiel is dat vervanging van de volledige schutting noodzakelijk is. Voor zover [eiser in conv] dus op de plek van de huidige erfafscheiding een nieuwe mandelige schutting wenst, zal zij hierover in overleg moeten met [gedaagde in conv] en zal zij ook voor de helft moeten bijdragen (artikel 5:65 BW).
4.27.
Dit is anders voor het deel van de schutting ter hoogte van het zijpaneel. Los van de vraag of [eiser in conv] voor het inkorten van de schutting toestemming heeft gegeven, zoals [gedaagde in conv] stelt en [eiser in conv] betwist, heeft [gedaagde in conv] naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig gehandeld door haar tweede tuinhuis zo te bouwen dat er in de erfafscheiding eigenlijk een gat zou ontstaan. Om dit te voorkomen heeft [gedaagde in conv] het zijpaneel van haar eerste tuinhuis laten staan. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde in conv] zich hier echter niet op beroepen nu zij erkent dat dit paneel 2 cm over de erfgrens staat en hiervoor reeds geoordeeld is dat dit paneel verwijderd moet worden. Door de wijze waarop [gedaagde in conv] het tweede tuinhuis heeft gebouwd en omdat [gedaagde in conv] het zijpaneel over de erfgrens heeft gebouwd zodat zij dit moet verwijderen, ontstaat dus een gat in de (mandelige) erfafscheiding. Uit het door [eiser in conv] zelf overgelegde rapport van [bedrijf 2] blijkt dat het ontbrekende schuttingdeel handmatig kan worden vervaardigd en aangebracht. [27] Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van dit stukje schutting niet van [eiser in conv] verlangd worden dat zij hierin voor de helft moet bedragen. [gedaagde in conv] moet deze kosten dragen. Zoals hiervoor overwogen gaat het om € 415,00 exclusief btw.
4.28.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal vordering V in conventie worden afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor onder rov. 4.20. is overwogen zal [gedaagde in conv] worden veroordeeld om de door [eiser in conv] onder IV gevorderde schadevergoeding van € 5.604,97 te betalen.
Afwenden van de camera’s (vordering VI)
4.29.
[eiser in conv] stelt dat [gedaagde in conv] camera’s aan de buitenzijde van de woning heeft geplaatst waarvan er (minimaal) één is gericht op de tuin van [eiser in conv] . Daarmee maakt [gedaagde in conv] inbreuk op de privacy van [eiser in conv] en handelt zij onrechtmatig nu zij daartoe geen belang heeft. [eiser in conv] heeft het recht om zich ‘onbespied’ in haar eigen tuin te begeven. [eiser in conv] vordert daarom om [gedaagde in conv] te veroordelen om de camera’s niet meer op het perceel van [eiser in conv] te richten.
4.30.
[gedaagde in conv] voert aan dat de camera’s ter beveiliging van haar eigendommen zijn gericht op haar eigen achtertuin en aan de voorzijde op haar eigen oprit. De camera’s maken pas opnames als een indringer wordt waargenomen op het perceel van [gedaagde in conv] .
4.31.
Het uitgangspunt is dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. [28] Of dat het geval is, moet worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging waarbij de ernst van de inbreuk moet worden afgewogen tegen de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend.
4.32.
De vraag is dus of de aanwezigheid van de camera’s aan het huis van [gedaagde in conv] een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser in conv] en zo ja, of voor die inbreuk een (toereikende) rechtvaardigingsgrond bestaat.
Daarbij is van belang wat de camera’s in beeld brengen. Uit de door [eiser in conv] overgelegde foto’s blijkt dat er twee camera’s aan de achterzijde van de woning van [gedaagde in conv] zijn bevestigd en één camera aan de voorzijde. Eén van de camera’s aan de achterzijde, is bevestigd in de richting van de tuin van [eiser in conv] . De andere twee camera’s niet. [gedaagde in conv] voert aan dat zij deze camera’s heeft aangebracht ter beveiliging van haar eigendommen. Uit door [gedaagde in conv] overgelegde screenshots blijkt ook dat de camera aan de voorzijde van de woning, het erf van [eiser in conv] niet in beeld heeft. De camera die aan de achterzijde van de woning is bevestigd in de richting van de tuin van [eiser in conv] , brengt niet de tuin van [eiser in conv] in beeld. Enkel de bovenzijde van de schutting van [gedaagde in conv] en de daarachter gelegen schutting van [eiser in conv] is in beeld. Voor zover dit al een inbreuk oplevert op de persoonlijke levenssfeer is deze naar het oordeel van de rechtbank zo beperkt dat deze niet opweegt tegen het gerechtvaardigd belang van [gedaagde in conv] om haar perceel met gebruikmaking van camera’s te beveiligen. Dat [eiser in conv] de vrees heeft dat [gedaagde in conv] de camera’s kan draaien of daarmee kan inzoomen, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, is onvoldoende om vast te stellen dat [gedaagde in conv] met de camera’s op dit moment een inbreuk maakt op de privacy van [eiser in conv] . Los van het feit dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben besproken dat de gemachtigde van [eiser in conv] bij [gedaagde in conv] kan komen kijken hoe de camera’s zijn ingesteld, dient [gedaagde in conv] zich te realiseren dat zij de instellingen van de camera’s niet zodanig mag wijzigen dat daarmee alsnog het perceel van [eiser in conv] in beeld wordt gebracht. De vordering van [eiser in conv] om de camera’s af te wenden van het perceel van [eiser in conv] (vordering VI in conventie) wordt daarom afgewezen.
verder in reconventie
Vergoeding van kosten grensreconstructie (vordering II) en van kosten partijdeskundige (vordering III)
4.33.
[gedaagde in conv] vordert [eiser in conv] te veroordelen tot betaling van de kosten van de grensreconstructie door het Kadaster. [gedaagde in conv] stelt dat zij zich tot deze grensreconstructie genoodzaakt zag door aanhoudende druk van [eiser in conv] . Daarnaast vordert [gedaagde in conv] dat [eiser in conv] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten die [gedaagde in conv] heeft gemaakt voor het onderzoek door [naam 2] van [bedrijf 1] [gedaagde in conv] stelt dat zij dit onderzoek heeft moeten laten uitvoeren om zich te verdedigen tegen de onterechte claim van [eiser in conv] dat [gedaagde in conv] schade aan de schuur van [eiser in conv] zou hebben veroorzaakt.
4.34.
[eiser in conv] voert aan dat een grondslag voor vergoeding van deze kosten door haar, ontbreekt. [gedaagde in conv] was de opdrachtgeefster tot de reconstructie en heeft hierover niets met [eiser in conv] gecommuniceerd. Verder zag het onderzoek van [naam 2] op het eerste tuinhuis dat er inmiddels niet meer staat. [eiser in conv] wijst erop dat het rapport niet in de procedure is ingebracht door [gedaagde in conv] zodat dus kennelijk ook niet belang was voor haar verweer en/of haar tegenvordering.
4.35.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde in conv] aangevoerd dat het schade is die [gedaagde in conv] heeft geleden omdat zij zich heeft moeten verweren. [gedaagde in conv] heef toegelicht dat zij zich door [eiser in conv] onder druk gezet voelde omdat die de Rijdende Rechter had benaderd en de omgevingsdienst had gevraagd om onderzoek te komen doen. De rechtbank begrijpt een en ander zo dat [gedaagde in conv] zich voor wat betreft de vergoeding van deze kosten beroept op artikel 6:96 lid 2 onder b en/of c BW. Dit artikel biedt echter geen zelfstandige grondslag voor vergoeding van deze kosten. Het veronderstelt dat een wettelijke verplichting tot het betalen van een schadevergoeding bestaat. Voor zover [gedaagde in conv] heeft willen stellen dat [eiser in conv] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de Rijdende Rechter en/of de omgevingsdienst te benaderen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet onrechtmatig is. Zoals hiervoor ook is geoordeeld heeft juist [gedaagde in conv] onrechtmatig jegens [eiser in conv] gehandeld door over de erfgrens te bouwen en, kort gezegd, haar eigendom te beschadigen. Omdat niet vast komt te staan dat [eiser in conv] onrechtmatig jegens [gedaagde in conv] heeft gehandeld, is er geen grondslag dat [eiser in conv] voormelde kosten moet vergoeden. Als [gedaagde in conv] de kosten van de grensreconstructie had willen delen, had het op haar weg gelegen om [eiser in conv] hierbij te betrekken zodat het Kadaster gezamenlijk opdracht had kunnen worden gegeven. Dit heeft [gedaagde in conv] echter niet gedaan. Zij is als opdrachtgeefster dan ook verantwoordelijk voor betaling van de factuur van het Kadaster. Verder is het [gedaagde in conv] die een nieuw tuinhuis heeft laten bouwen waarbij het aan haar is om de erfgrens in acht te nemen en de werkzaamheden zo uit te voeren dat eigendommen van [eiser in conv] niet worden beschadigd. Omdat een grondslag voor vergoeding van voormelde kosten door [eiser in conv] ontbreekt, worden de vorderingen II en III in reconventie afgewezen.
verder in conventie en in reconventie
Proceskosten
4.36.
Omdat beide partijen zowel in conventie als in reconventie over en weer gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
verklaart voor recht dat het strookje grond achter de schutting met poort gelegen tussen de kadastrale grens (vanaf meetpunt (20) richting meetpunt (4), zoals weergegeven op de grensreconstructie van het Kadaster uitgevoerd op 25 oktober 2022), en de feitelijke grens die wordt gevormd door de oostelijke muur van de aanbouw en de schutting (vanaf meetpunt (13) tot meetpunt (4)), door verjaring eigendom is geworden van [eiser in conv] ,
5.2.
verklaart voor recht dat de juridische erfgrens tussen het erf van [eiser in conv] enerzijds en dat van [gedaagde in conv] anderzijds als volgt loopt:
- vanaf de straat (vanaf meetpunt (3)) tot aan de haaks staande schutting met poort (meetpunt (20)) gelijk met de kadastrale grens zoals weergegeven op de grensreconstructie van het Kadaster uitgevoerd op 25 oktober 2022,
- daarachter vanaf meetpunt (20) haaks links richting de oostelijke muur van de aanbouw,
- vervolgens gelijk met de oostelijke muur van de aanbouw richting meetpunt (13),
- daarna vanaf meetpunt (13) onder de mandelige schutting tot meetpunt (4), en
- vanaf meetpunt (4) naar het einde van het perceel weer gelijk met de kadastrale grens zoals weergegeven op de grensreconstructie van het Kadaster uitgevoerd op 25 oktober 2022,
verder in conventie
5.3.
veroordeelt [gedaagde in conv] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het (zwarte) zijpaneel in de achtertuin te verwijderen,
5.4.
veroordeelt [gedaagde in conv] om aan [eiser in conv] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.2. voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagde in conv] tot betaling aan [eiser in conv] van een schadevergoeding van € 5.604,97,
verder in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart de veroordelingen onder 5.3., 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde in conventie en in reconventie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
871

Voetnoten

1.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, bijlage bij productie 13
2.Dagvaarding, 12 + vordering II (in conventie) en conclusie van antwoord in reconventie, 22
3.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, 49 + vordering IV (in reconventie)
4.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, 48
5.HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309
6.Vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743
7.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, 56
8.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, productie 29
9.Dagvaarding, 36
10.Akte overlegging producties 29 tot en met 37, 4 en productie 31
11.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, 50
12.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, 51
13.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, productie 16
14.Dagvaarding, 40
15.Dagvaarding, productie 18
16.Dagvaarding, productie 4
17.Conclusie van antwoord, 69
18.Spreekaantekeningen van [gedaagde in conv] , 9
19.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6495
20.Dagvaarding, 46
21.Dagvaarding, 10
22.Dagvaarding, 45
23.Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, 20
24.Zie Hof Den Haag 16 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2442
25.Dagvaarding, productie 9
26.Conclusie van antwoord, productie 8
27.Dagvaarding, productie 20
28.Hoge Raad 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500 en Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609