ECLI:NL:RBGEL:2025:9906

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/4152
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering handhaving tegen recreatief gebruik buurperceel met geluidsoverlast

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld over de ongegrondverklaring van een beroep tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten om handhavend op te treden tegen het recreatieve gebruik van een buurperceel. Eiser, die overlast ervaart van het gebruik van een zwembad en geluidsoverlast door spelende kinderen, heeft in februari 2024 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft dit verzoek afgewezen, verwijzend naar een eerder besluit waarin was vastgesteld dat er geen overtredingen waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de geluidsoverlast die eiser ervaart niet voldoende is om handhavend optreden te rechtvaardigen, aangezien er geen overtredingen van geluidsnormen zijn aangetoond. Eiser heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangedragen die een herbeoordeling van het eerdere besluit rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat het college terecht heeft afgezien van handhaving en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk en zijn verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten

(gemachtigde: D. Tuinte en F. Knipscheer).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats]

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen het recreatieve gebruik van het buurperceel waar eiser overlast van ervaart. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan, waaronder de illegaliteit van het op het perceel gerealiseerde zwembad, het ontbreken van vergunningen en geluidsoverlast. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college tot afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college van handhaving heeft kunnen afzien. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de door eiser gestelde overtredingen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 2 februari 2024 een verzoek ingediend om handhavend op te treden. Het college heeft dit verzoek in het besluit van 12 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft op 22 juni 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van derde-partij. Derde-partij is met kennisgeving van verhindering niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woont in een bedrijfswoning op het agrarische perceel aan de [locatie 1] in [plaats]. Hij ervaart geluidsoverlast van het aan de overkant van de weg zo goed als recht tegenover hem gelegen perceel aan de [locatie 2]. Hierop is op ongeveer 170 m van de woning van eiser, een woning met zwembad gerealiseerd. Derde-partij is hiervan de eigenaar.
3.1.
Eiser ervaart al langere tijd geluidsoverlast door het recreatieve gebruik van het buurperceel met name door het gebruik van het zwembad en het sportveld door spelende kinderen. Hij heeft het college eerder, namelijk op 18 augustus 2021, verzocht om handhavend op te treden tegen de volgens hem illegale activiteiten. Het college heeft het handhavingsverzoek op 3 mei 2022 (deels) afgewezen omdat van een overtreding geen sprake was. De recreatieve verhuur van de woning was op grond van de planregels toegestaan en het zwembad kon vergunningvrij worden gerealiseerd. [1] Van een sportveld was tot slot geen sprake. Er waren enkele speeltoestellen, waaronder een trampoline, een rekstok en een schommel, die vergunningvrij konden worden geplaatst. [2] Dit besluit is inmiddels onherroepelijk. Wat betreft de door eiser ervaren geluidsoverlast is afgesproken dat het college met ingang van het nieuwe recreatieseizoen zal anticiperen op de aanwezigheid van geluidsoverlast, waarbij eiser is gevraagd om hierin het initiatief te nemen omdat hij overlast ervaart.
3.2.
Ook in de procedure die nu voorligt gaat het eiser om de geluidsoverlast die hij ervaart van luidruchtige volwassenen die bovenmatig veel alcohol gebruiken en schreeuwende kinderen in het zwembad. Hij heeft daarom op 2 februari 2024 het college opnieuw verzocht om handhavend op te treden tegen het in zijn ogen met het bestemmingsplan strijdige zwembad en de door gasten veroorzaakte geluidsoverlast. Het college heeft het handhavingsverzoek op 12 februari 2024 afgewezen. Wat betreft de vermeende strijdigheid van het zwembad, heeft het college vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen naar het eerdere afwijzingsbesluit van 3 mei 2022. Daarnaast heeft het college met betrekking tot de gestelde geluidsoverlast geen overtreding kunnen constateren. Tot slot heeft het college de vraag van eiser naar de afgifte van een horeca- en alcoholvergunning aan derde-partij beantwoord door toe te lichten dat deze niet noodzakelijk zijn omdat de woning, ook wanneer deze verhuurd wordt, niet als openbare inrichting is aan te merken.
3.3.
Eiser is hiertegen in bezwaar gekomen. Na een hoorzitting bij de commissie
bezwaarschriften en in navolging van haar advies heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit om niet handhavend op te treden in stand gelaten.
3.4.
Derde-partij geeft in zijn reactie aan dat sprake is van een langlopende kwestie. Hij is eigenaar van de woning waar het in deze zaak om draait en verhuurt deze (een weekend of een midweek) aan groepen tot maximaal 24 mensen, met name families of vriendengroepen. Derde-partij spant zich bij herhaling in om de overlast richting de omgeving, en met name eiser, zoveel mogelijk te beperken. Desondanks maakt eiser regelmatig melding van overlast. De gemeente, bijzondere opsporingsambtenaren, de omgevingsdienst en politie komen echter stelselmatig tot de conclusie dat van overlast geen sprake is, aldus derde-partij.
Wat is de planologische situatie?
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [3] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
4.1.
Voor het perceel van derde-partij was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2015’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Aalten. Het perceel kent verschillende bestemmingsvlakken, namelijk ‘Wonen-1’, ‘Agrarisch’ en ‘Natuur’. Uit de planregels volgt dat de als ‘Wonen-1’ aangewezen gronden bestemd zijn voor het wonen, met dien verstande dat per bestemmingsvlak één woning is toegestaan. [4] Daarnaast is het toegestaan om de betreffende woning ook recreatief te bewonen. [5]
Is sprake van een herhaald verzoek met betrekking tot het zwembad?
5. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. [6] Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat in het eerdere handhavingsverzoek van 18 augustus 2021 eiser ook al heeft verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer het zwembad op het perceel. Naar aanleiding van dat verzoek heeft het college beslist dat onder meer voor het zwembad geen omgevingsvergunning was vereist. Het is in dit geval aan eiser om aannemelijk te maken dat er iets gewijzigd is sinds het (onherroepelijke) afwijzingsbesluit van 3 mei 2022, waardoor het college het handhavingsverzoek op deze grondslag opnieuw zou moeten controleren.
5.3.
Eiser heeft aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd. Dat het handhavingsverzoek ziet op een nieuwe periode doet hieraan niet aan af omdat eiser de vergunningplicht als zodanig ter discussie wil stellen en dus de periode geen veranderde omstandigheid is. Het college heeft daarom terecht het verzoek om handhavend op te treden tegen het zwembad met toepassing van artikel 4:6 tweede lid van de Awb kunnen afwijzen. Het betoog van eiser slaagt dus niet.
Exploitatie-, horeca- of alcoholvergunning?
6. Eiser betoogt dat de woning wordt gebruikt ten behoeve van grootschalige evenementen en als een openbare inrichting moet worden beschouwd, waar alcohol wordt geschonken. Volgens eiser ontbreekt het derde-partij aan de daarvoor noodzakelijke vergunningen, te weten een exploitatie-, een horeca- en een alcoholvergunning.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding. [7] Gelet hierop beoordeelt de rechtbank in de volgende overweging of eiser zijn verzoek over een exploitatie-, horeca- en alcoholvergunning heeft opgenomen in het handhavingsverzoek van 2 februari 2024.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser het volgende heeft opgenomen in het handhavingsverzoek:
“Ik heb geconstateerd dat er aan de [locatie 2] te [plaats] wordt gezorgd voor geluidsoverlast. Door het overmatig gebruik van alcohol en het luidruchtig hiervan worden van mensen. Ook ervaar ik hierdoor veel overlast van schreeuwende kinderen in het zwembad.
Naar mijn mening is deze situatie in strijd met de voorschriften van de verleende vergunning.
Ook wil ik het college vragen naar de vergunningen die zijn afgegeven aan de [derde-partij] voor genoemde locatie.
Is hiervoor een exploitatievergunning voor afgegeven?
Is hiervoor een horecavergunning afgegeven?
Is hiervoor een alcoholvergunning afgegeven conform horecawetgeving?
Tevens verzoek ik het college om handhaving.
Het gaat om het niet vergunningsvrij bouwen van een zwembad, het is geen privé woning.
Hiervan ondervindt ik veel geluidsoverlast, ook na 20.00 uur in de avond.
Om deze redenen verzoek ik het college om handhaving.”
6.3.
De rechtbank oordeelt dat uit voorgaande formulering blijkt dat het verzoek om handhaving geen betrekking had op het ontbreken van een exploitatie-, horeca- en alcoholvergunning. De reikwijdte van een handhavingsverzoek kan na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. Of derde-partij terecht geen exploitatie-, horeca- of alcoholvergunning heeft, ligt daarom niet voor aan de rechtbank.
Is sprake van geluidsoverlast?
7. Eiser betoogt dat de verhuur van de woning tot geluidsoverlast leidt en dat het college heeft verzuimd om geluidsmetingen uit te voeren. Een melding van geluidhinder staat volgens eiser namelijk gelijk aan een verzoek tot meting.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet nader gespecificeerd welke wettelijke geluidsnormen in deze situatie gerespecteerd zouden moeten worden. Het college heeft eerder al aangegeven (en op zitting herhaald) dat het bereid is om geluidsmetingen uit te voeren, maar dan is het wel aan eiser om geluidsoverlast meteen te melden op het moment dat hij dat ervaart, zodat geluidsmetingen direct kunnen plaatsvinden. In geval van schriftelijke melding achteraf is de feitelijke geluidsproductie niet meer vast te stellen. Omdat het tot op heden aan tijdige meldingen door eiser ontbreekt, zijn er nog geen objectieve geluidsmetingen gedaan op basis waarvan kan worden vastgesteld hoe hard het geluid feitelijk is. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat de beleving van (stem)geluid sterk uiteen kan lopen. Wat door het college als ‘gewoon geluid’ van recreërende volwassenen en spelende kinderen wordt aangeduid, wordt door eiser als belastend en dus als overlast ervaren. Hoe hiermee om te gaan, kan onderwerp zijn van overleg tussen derde-partij en eiser, maar alleen beleving door eiser van het geluid kan geen aanleiding zijn voor handhavend optreden door het college.
7.2.
Ook de aanvulling van eiser op zitting dat hij met name de muziek als belastend ervaart, maakt deze conclusie niet anders. Dit is namelijk een uitbreiding van de reikwijdte van het handhavingsverzoek wat volgens vaste rechtspraak na het primaire besluit niet meer mogelijk is. [8] Het handhavingsverzoek, waarin eiser aangeeft dat het hem te doen is om de luidruchtigheid van mensen die alcohol gebruiken en schreeuwende kinderen in het zwembad, is bepalend voor de omvang van het geding.
Strijd met beginselen van behoorlijk bestuur
8. Eiser betoogt dat het college handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door via de weg van subsidieverlening mee te werken aan de ongerechtvaardigde verrijking van derde-partij. Dit betoog zal de rechtbank niet inhoudelijk behandelen omdat dit buiten de omvang van het geschil valt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om niet tot handhaving over te gaan in stand kan blijven en dat eiser dus geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3, vijfde lid van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
2.Op grond van artikel 3, vierde lid van bijlage II van het Bor.
3.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Zie artikel 24.1, aanhef en onder a van het bestemmingsplan.
5.Zie artikel 24.1, aanhef en onder b van het bestemmingsplan.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1138, en van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:712.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1138 en van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:712.