Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:9955

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 25/1816
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende aannemelijkheid geweldsmisdrijf

Eiser heeft op 15 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven na een messteekincident op 13 september 2024 waarbij hij letsel aan zijn hand opliep. De commissie heeft de aanvraag afgewezen omdat de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf onvoldoende duidelijk waren, waardoor niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

Eiser voerde aan dat zijn medische letsel, psychische klachten en de betrokkenheid van de wijkagent de aannemelijkheid van het misdrijf ondersteunen. Hij gaf ook redenen voor de late aangifte, waaronder shock en angst. De commissie stelde echter dat er onvoldoende objectieve onderbouwing was en dat de eigen verklaring van eiser niet werd ondersteund door andere bronnen. De wijkagent kon geen aanvullende informatie geven.

De rechtbank oordeelt dat de commissie op goede gronden heeft besloten de aanvraag af te wijzen. De rechtbank benadrukt dat een uitkering uit het schadefonds een uiting is van maatschappelijke solidariteit en dat daarom voldoende duidelijkheid over de toedracht en omstandigheden van het misdrijf vereist is. De late aangifte en het letsel zelf bieden geen voldoende basis om het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1816

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, de commissie

(gemachtigde: mr. D. den Besten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De commissie heeft de aanvraag afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de commissie op goede gronden heeft besloten om de aanvraag van eiser af te wijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 14 februari 2025 is de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming uit het schadefonds afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 4 april 2025 is de commissie bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
De commissie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de commissie. Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 15 oktober 2024 een aanvraag gedaan op grond van de Wsg na een mishandeling op 13 september 2024, waarbij hij met een mes is gestoken. Bij het afweren van de messteek is hij is zijn hand geraakt. Enkele weken na het voorval heeft eiser aangifte gedaan. Eiser geeft aan dat hij blijvende schade heeft aan zijn duim en als gevolg daarvan zijn beroep niet meer kan uitoefenen. Ook geeft eiser aan dat hij psychische klachten heeft overgehouden aan het voorval.
3.1.
De commissie heeft de aanvraag van eiser afgewezen. De reden hiervoor is dat de commissie niet heeft kunnen vaststellen wat de aanleiding, toedracht en de omstandigheden waren van de (gestelde) mishandeling Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat eiser slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Wijze van beoordelen
4. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
4.1.
De commissie heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wsg beslissingsruimte. Dat betekent dus dat de commissie een eigen afweging mag maken of uitkering in dit geval gepast is. Aan die afwegingsruimte geeft de commissie invulling met de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven.
4.2.
Volgens paragraaf 1.1.4 van de beleidsbundel [1] hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden (zoals bij de strafrechter), maar moet deze aannemelijk worden gemaakt. Aannemelijkheid is een juridisch begrip en houdt in dat het niet onomstotelijk vast hoeft te staan dat het is gegaan zoals in de aanvraag is beschreven, maar dat het op basis van de gegeven onderbouwing goed mogelijk is dat het zo is gegaan. Uit die onderbouwing moet een duidelijk en logisch beeld volgen van wat er is gebeurd en wat de aanleiding ervoor was.
4.3.
Verder is het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aan de aanvrager van een uitkering uit het schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [2]
Heeft de commissie de aanvraag op goede gronden afgewezen?
5. Eiser voert aan dat zijn verklaring, het medisch letsel, zijn psychische toestand en de betrokkenheid van de wijkagent de aannemelijkheid van het misdrijf ondersteunen. Volgens eiser voldoet hij daarmee aan de voorwaarden van het schadefonds. Eiser voert aan dat hij niet eerder aangifte heeft gedaan omdat hij direct na het incident last had van shock, angst en mentale verlamming. Ook wilde hij zijn moeder meenemen voor steun bij het doen van de aangifte, maar zij was in die periode verhinderd. Daarnaast was er sprake van bedreiging door de broer van de dader en was eiser bang voor represailles. Ook heeft eiser in het verleden negatieve ervaringen gehad met de politie. Volgens eiser past zijn fysieke letsel in categorie 4 of 5 van de letsellijst en zijn psychische letsel in categorie 3 of 4.
5.1.
De commissie stelt zich op het standpunt dat zij onvoldoende objectieve onderbouwing heeft waaruit blijkt dat eiser slachtoffer werd van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Ook de toedracht, aanleiding en omstandigheden zijn onduidelijk. De eigen verklaring van eiser is hiervoor onvoldoende en andere objectieve bronnen die zijn verhaal ondersteunen zijn er niet. Ook de wijkagent heeft desgevraagd bevestigd geen informatie te hebben. De commissie geeft aan dat de afwijzing niet betekent dat zij het verhaal van eiser niet gelooft. De reden voor de afwijzing is dat de opgave van eiser onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de commissie de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser heftig moet zijn geweest wat hem is overkomen. De commissie kan er echter niet zonder meer van uitgaan dat wat eiser vertelt ook waar is. De rechtbank wijst er op dat een uitkering uit het schadefonds een uiting is van maatschappelijke solidariteit omdat iemand, zonder dat hij daarin een eigen aandeel had, slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Daarom moet voldoende duidelijk zijn wat de toedracht van en de aanleiding voor het misdrijf is en onder welke omstandigheden het heeft plaatsgevonden. En die duidelijkheid is er in dit geval niet. De aangifte van eiser geeft weinig informatie over de precieze aanleiding van het misdrijf. Bovendien heeft eiser pas laat aangifte gedaan, waardoor de mogelijkheden van een strafrechtelijk onderzoek beperkt waren. De politie heeft uiteindelijk wel onderzoek gedaan, maar geen aanknopingspunten gevonden voor een strafbaar feit. Dit is ook bevestigd door de wijkagent. De door eiser genoemde redenen waarom hij niet eerder aangifte heeft gedaan maken dit niet anders. Ook het letsel kan niet bijdragen aan het oordeel over de aannemelijkheid van het misdrijf. Letsel of medische verklaringen over het bestaan van letsel geven namelijk geen uitsluitsel over de aanleiding, toedracht en de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de vraag in welke categorie het letsel valt pas aan de orde kan komen als er sprake is van een toewijzing van de aanvraag. Omdat daarvan geen sprake is, kan de rechtbank die vraag nu niet beantwoorden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie 1 juli 2024.