ECLI:NL:RBGEL:2026:1008

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24_5889
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3:45 AwbArt. 7:15 AwbArt. 23 WIAArt. 47 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering en beëindiging voorschot door UWV bevestigd, schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft geweigerd haar met ingang van 27 juni 2022 in aanmerking te brengen voor deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Tevens werd het voorschot op de WIA-uitkering per die datum beëindigd. Eiseres betwistte deze besluiten en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat de datum in geding onjuist was en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd.

De rechtbank overweegt dat de datum in geding, 27 juni 2022, correct is vastgesteld op basis van de wettelijke wachttijd van 104 weken en dat het UWV terecht heeft geweigerd de uitkering toe te kennen. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, zoals haar autisme en vermeende onvoldoende voorlichting, leiden niet tot een andere uitkomst. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt vanwege het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro.

Verder oordeelt de rechtbank dat het UWV het bezwaar terecht niet heeft herroepen en dat de rechtsmiddelenclausule in het besluit niet onjuist of onvolledig is. Wel is vastgesteld dat de bezwaarprocedure langer dan redelijkerwijs toegestaan heeft geduurd, waardoor het UWV een schadevergoeding van €1.000 moet betalen aan eiseres, evenals proceskosten van €467. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, het UWV handhaaft de weigering van de WIA-uitkering en het beëindigen van het voorschot, maar moet een schadevergoeding betalen wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: W. Prins).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om eiseres met ingang van 27 juni 2022 (de datum in geding) in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en om de beëindiging door het UWV van het voorschot op de WIA-uitkering per diezelfde datum. Eiseres is het niet eens met deze weigering en beëindiging. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering en terecht het voorschot heeft beëindigd.
1.1.
Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering en terecht het voorschot heeft beëindigd. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Wel moet het UWV aan haar een schadevergoeding betalen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft bij besluit van 23 februari 2023 geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering en heeft het voorschot op de WIA-uitkering beëindigd per diezelfde datum. Met het bestreden besluit van 31 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV hierbij gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn en heeft een nadere reactie ingebracht.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is voor het laatst werkzaam geweest als junior buyer bij [naam bedrijf] voor gemiddeld 31,95 uur per week. Op 29 juni 2020 heeft zij zich ziek gemeld voor dit werk vanwege lichamelijke klachten. Later kwamen daar ook psychische klachten bij. Per 1 april 2021 is het contract van eiseres van rechtswege geëindigd. Daarna heeft eiseres ziekengeld ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW). Op 7 maart 2022 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Per 27 juni 2022 heeft het UWV aan eiseres een voorschot op haar WIA-uitkering toegekend.
3.1.
Het UWV heeft geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. De besluiten zijn gebaseerd op medische en arbeidskundige onderzoeken. Het UWV heeft het voorschot op de WIA-uitkering per dezelfde datum beëindigd omdat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Herhaling en inlassing bezwaar
4. Eiseres handhaaft al hetgeen in bezwaar is aangevoerd.
4.1.
De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.
Volgt uit het bestreden besluit dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en arbeidsdeskundige b&b daarvan deel uitmaken?
5. Eiseres betoogt dat, ondanks dat het UWV aangeeft dat de rapporten van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b deel uitmaken van het bestreden besluit, dat nergens uit volgt.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestreden besluit staat samengevat wat de conclusies zijn van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b en is expliciet opgenomen dat die rapporten deel uitmaken van het bestreden besluit.
Het niet kunnen wijzigen van dagtekeningen
6. Eiseres betoogt dat daar waar in het bestreden besluit staat dat het UWV geen dagtekeningen kan wijzigen, dit onjuist is. Het UWV kan dat wel, kan afwijken van het beleid en ook op een andere wijze tot een vergelijk met eiseres komen. Eiseres heeft ter zitting naar voren gebracht dat het UWV de datum in geding van 27 juni 2022 had moeten opschuiven naar een latere datum omdat bij eiseres sprake was van arbeidsongeschiktheid en zij ook heel lang heeft moeten wachten op een beslissing. In die tijd is zij niet op weg geholpen door het UWV, stond zij stil en kon zij niet starten met haar re-integratie. Dat was ook bepalend voor haar ziektebeeld. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij destijds niet kon werken vanwege haar autisme.
6.1.
Dit beroep slaagt niet. Op grond van de artikelen 47 en 54 in samenhang met 23 van de Wet WIA komt iemand, kortgezegd en voor zover hier relevant, pas in aanmerking voor een uitkering als hij, na het doorlopen van een wachttijd van 104 weken, meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat, omdat de wachttijd in het geval van eiseres is geëindigd op 26 juni 2022, de datum per wanneer beoordeeld moet worden of eiseres in aanmerking komt voor een WIA-uitkering (de datum in geding), 27 juni 2022 is. Dat geldt ook als die beoordeling pas later plaats kan vinden. Als eiseres ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts toegenomen arbeidsongeschikt was geworden, had zij dit kunnen melden waarna dit onderzocht had kunnen worden. Een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid is echter niet gedaan. De stelling dat eiseres hierover onvoldoende is voorgelicht door het UWV, kan er niet toe leiden dat een andere datum in geding wordt gehanteerd. De uitkomst van de beoordeling per de datum in geding was dat eiseres per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dat eiseres per die datum geheel arbeidsongeschikt is vanwege haar autisme is in beroep pas voor het eerst ter zitting naar voren gebracht en is niet onderbouwd en kan reeds daarom niet leiden tot het door eiseres gewenste resultaat. Omdat eiseres per de datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt was, was het UWV op grond van de hiervoor genoemde artikelen verplicht om per die datum de gevraagde WIA-uitkering te weigeren en, omdat geen recht bestond op die uitkering, ook per die datum het voorschot te beëindigen. De door eiseres genoemde omstandigheden, hoe vervelend ook, vormen geen omstandigheden op grond waarvan afgeweken kan worden van die, dwingend voorgeschreven, bepalingen, vastgelegd in een wet in formele zin.
6.2.
Voor zover eiseres, gelet op de door haar genoemde omstandigheden, ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft willen doen, slaagt ook dit beroep niet. Vanwege de dwingendrechtelijke bepalingen vastgelegd in een wet in formele zin, staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet in de weg aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel of aan het maken van een belangenafweging. [1] De door eiseres genoemde omstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden waarvan gezegd moet worden dat die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat het bestreden besluit geen passage behelst met betrekking tot de evenredigheid en/of de belangenafweging, zoals eiseres nog heeft gesteld, maakt dan ook niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is, temeer nu eiseres in bezwaar ook geen beroep op die beginselen heeft gedaan.
Had het UWV het bezwaar gegrond moeten verklaren en proceskosten moeten toekennen?
7. Eiseres voert aan dat het UWV het bezwaar gegrond had moeten verklaren en proceskosten van bezwaar had moeten toekennen. Het besluit van 23 februari 2023 is namelijk onrechtmatig en had vernietigd moeten worden, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b anders denken over de inhoudelijke beoordeling dan de primaire verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en in bezwaar wordt uitgekomen op een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage dan bij de primaire beslissing is gedaan. Het UWV heeft daarmee in het bestreden besluit onbeargumenteerd het onderliggend advies verlaten.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat het bestreden besluit wel gemotiveerd is, worden op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de kosten van bezwaar door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het UWV heeft het bestreden besluit terecht niet herroepen omdat eiseres in bezwaar nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht, waardoor de rechtsgevolgen – het weigeren van een WIA-uitkering en het beëindigen van het voorschot – niet zijn gewijzigd.
Is de rechtsmiddelenclausule onjuist of onvolledig?
8. Eiseres voert aan dat de rechtsmiddelenclausule onder het bestreden besluit onjuist en onvolledig is. Bijvoorbeeld ontbreekt de vermelding van de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestreden besluit staat vermeld dat als eiseres het niet eens is met de beslissing zij tot uiterlijk zes weken na de dagtekening van de beslissing een beroepschrift kan indienen bij de rechtbank Gelderland, sector bestuursrecht en is het postbusnummer vermeld. Daarmee voldoet het aan artikel 3:45 van Pro de Awb en is het niet onjuist of onvolledig.
Schadevergoeding
9. Ter zitting heeft eiseres benoemd dat het UWV gelet op alle naar voren gebrachte procedurele en materiële omstandigheden, waaronder de financiële tekorten van eiseres, de periode waarin zij niet geholpen werd door het UWV en het niet door het UWV voorgelicht zijn over de mogelijkheid om een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen, haar een schadevergoeding had moeten toekennen. Nog daargelaten dat dit verder niet is geconcretiseerd of onderbouwd, bestond hiervoor, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het UWV het, achteraf bezien ten onrechte, verleende voorschot niet heeft teruggevorderd, zodat eiseres over die periode in ieder geval geen materiële schade heeft geleden.
Verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
10. Eiseres verzoekt om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van Pro het EVRM.
10.1.
De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
10.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot de omstandigheden die een langere behandelingsduur kunnen rechtvaardigen worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. [2] Zulke omstandigheden zich hier niet voor. Het één keer afmelden voor een geplande hoorzitting valt hier niet onder. [3]
10.3.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.
10.4.
In deze zaak is het bezwaarschrift ontvangen op 16 maart 2023. Het besluit op bezwaar is genomen op 31 juli 2024. Het beroepschrift is ontvangen op 26 augustus 2024. Uitgaande van de datum van deze uitspraak heeft de fase van bezwaar en beroep in totaal twee jaar en, afgerond, elf maanden geduurd. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn van elf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De behandeling van het beroep is binnen de termijn van anderhalf jaar gebleven. Dat betekent dat de oorzaak van de te lange duur van de procedure in de bezwaarprocedure ligt en de overschrijding van de redelijke termijn in het geheel wordt toegerekend aan het UWV. Het UWV moet dus de schadevergoeding van € 1.000 betalen.
10.5.
Ook de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn moet het UWV betalen. Dit bedraagt € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5 en een waarde van € 934 per punt).

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering en terecht het voorschot heeft beëindigd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in verband met het ingestelde beroep. Wel krijgt zij een schadevergoeding van het UWV van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding van haar proceskosten in verband met het daartoe gedane verzoek ter hoogte van € 467.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.000;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:922.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568.
3.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, ro. 3.6.2.