ECLI:NL:RBGEL:2026:1022

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25_2410
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, tweede lid, ParticipatiewetArt. 3, derde lid, ParticipatiewetArt. 3, vierde lid, ParticipatiewetArt. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvordering bijstand wegens onvoldoende motivering gezamenlijke huishouding

Eiser werd geconfronteerd met een medeterugvordering van bijstandskosten door Fijnder, omdat hij vanaf 1 maart 2024 een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd met zijn ex-partner [persoon A]. Fijnder baseerde dit op een onderzoek met waarnemingen, getuigenverklaringen en een rapportage, maar verwees in het bestreden besluit vrijwel uitsluitend naar de beslissing op bezwaar van de ex-partner, die later door de rechtbank werd vernietigd wegens een motiveringsgebrek.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was omdat Fijnder niet zelfstandig is ingegaan op de argumenten en bewijsstukken van eiser. Ook was het onderzoek naar het hoofdverblijf van eiser onzorgvuldig en onvolledig, waarbij eiser niet is gehoord en niet thuis is bezocht. De rechtbank stelde vast dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van eiser onvoldoende was vastgesteld.

Daarnaast vernietigde de rechtbank in een gerelateerde zaak de besluiten over de intrekking en terugvordering van de bijstand van [persoon A], waardoor de motivering voor de terugvordering van eiser eveneens faalde. De rechtbank vernietigde daarom het bestreden besluit en bepaalde dat Fijnder binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Tot slot werd Fijnder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en zorgvuldige vaststelling van feiten bij terugvorderingen in het kader van de Participatiewet.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot medeterugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2410

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en

het Dagelijks Bestuur van Fijnder, Fijnder

(gemachtigde: mr. A. Brons).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de medeterugvordering van eiser van de kosten van bijstand, omdat hij vanaf 1 maart 2024 een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd met [persoon A] (hierna: [persoon A]). Eiser is het niet eens met deze terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of Fijnder terecht de kosten van bijstand mede van eiser heeft teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Fijnder ten onrechte de kosten van bijstand mede van eiser heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Besluitvorming ten aanzien van [persoon A]
2. Met het besluit van 31 juli 2024 heeft Fijnder de bijstand van [persoon A] vanaf 1 juli 2024 geblokkeerd. Daarna is de bijstand van [persoon A] ingetrokken en beëindigd, met onder meer de onder 2.1. tot en met 2.3. genoemde besluiten.
2.1.
Met het besluit van 9 augustus 2024 heeft Fijnder de bijstand van [persoon A] ingetrokken per 3 december 2022 en “per direct” (de rechtbank begrijpt: 9 augustus 2024) beëindigd.
2.2.
Met het besluit van 26 september 2024 heeft Fijnder het besluit van 9 augustus 2024 herzien en (opnieuw) de bijstand van [persoon A] ingetrokken per 3 december 2022 en “per direct” (de rechtbank begrijpt: 26 september 2024) beëindigd. Het besluit is voorzien van een aanvullende motivering.
2.3.
Met het besluit van 24 oktober 2024 heeft Fijnder de bijstand over de periode van 3 december 2022 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 24.047,56 van [persoon A] teruggevorderd.
2.4.
Met het besluit op bezwaar van 15 januari 2025 op de bezwaren van [persoon A] heeft Fijnder:
- het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2024 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2024 gedeeltelijk gegrond verklaard, en dit besluit herzien in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 2024 en de beëindigingsdatum (de rechtbank begrijpt: 9 augustus 2024) in stand wordt gelaten;
- het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2024 gegrond verklaard, en dit besluit herzien in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 2024 en de beëindigingsdatum (de rechtbank begrijpt: 26 september 2024) in stand wordt gelaten.
2.5.
[persoon A] heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar (zaaknummer
25/578).
3. Fijnder heeft de bijstand van [persoon A] ook teruggevorderd. Met een besluit van 24 oktober 2024 (primaire besluit 1) heeft Fijnder (samengevat) de bijstand over de periode van 3 december 2022 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 24.047,56 teruggevorderd. Met een besluit van 11 februari 2025 (primaire besluit 2) heeft Fijnder meegedeeld dat [persoon A] een deel van deze terugvordering bruto (in plaats van netto) moet terugbetalen. Met een besluit van 19 februari 2025 (primaire besluit 3) heeft Fijnder het besluit van 24 oktober 2024 herzien en de bijstand over de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 4.934,26 netto (€ 5.877,10 bruto) teruggevorderd.
3.1.
Met een beslissing op bezwaar van 8 april 2025 heeft Fijnder de bezwaren van [persoon A] tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
3.2.
[persoon A] heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar (zaaknummer 25/2144).
Besluitvorming ten aanzien van eiser
4. Met het primaire besluit 1 van 29 oktober 2024 heeft Fijnder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet (Pw), de kosten van bijstand ter hoogte van
€ 24.047,56 mede van eiser teruggevorderd, omdat hij vanaf 3 december 2022 een gezamenlijke huishouding met [persoon A] zou hebben gevoerd.
In het besluit staat ook vermeld dat de bedragen die worden teruggevorderd over de jaren 2022 en 2023 brutobedragen betreffen (van respectievelijk € 700,74 en € 16.202,19). Het bedrag dat ziet op het jaar 2024 (€ 7.144,63) betreft een netto bedrag. Als eiser dit gedeelte van de terugvordering niet heeft terugbetaald vóór 31 december 2024, dan wordt dit bedrag verhoogd met de loonheffing.
Eiser heeft op 7 november 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
4.1.
Met het primaire besluit 2 van 11 februari 2025 heeft Fijnder eiser meegedeeld, dat hij op 31 december 2024 het gedeelte van zijn schuld over het jaar 2024 nog niet (volledig) heeft terugbetaald. Omdat hij het geld niet in hetzelfde kalenderjaar heeft terugbetaald als waarin hij het heeft ontvangen, moet hij dit bedrag nu bruto terugbetalen. Voor eiser betekent dit dat hij over het gedeelte van zijn schuld over het jaar 2024 nu een bedrag van € 8.509,37 (in plaats van € 7.144,63 netto) moet terugbetalen.
4.2.
Met het primaire besluit 3 van 19 februari 2025 heeft Fijnder het primaire besluit 1 herzien en besloten de kosten van bijstand over de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 4.934,26 netto (€ 5.877,10 bruto) mede van eiser terug te vorderen. Aan dit besluit ligt een rapport van 18 februari 2025 ten grondslag.
4.3.
Eiser heeft op 7 november 2024 bezwaar gemaakt tegen primaire besluit 1. Dit bezwaar richt zich ook tegen primair besluit 3. [1] Eiser heeft op 4 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen primair besluit 2. [2]
5. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 heeft Fijnder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.
5.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Fijnder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Fijnder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser en [persoon A] zijn vanaf 9 april 1998 woonachtig geweest op het adres [locatie 1] te [plaats 1] (hierna ‘de [locatie 1]’). Samen hebben zij zeven kinderen. Op 18 oktober 2022 zijn zij gescheiden. Na hun scheiding is [persoon A] woonachtig gebleven aan de [locatie 1] samen met vier, later drie, van hun kinderen. Eiser heeft vanaf 22 september 2022 ingeschreven gestaan in de basisregistratie personen op het adres [locatie 2] te [plaats 2] en vanaf 18 september 2023 op het adres [locatie 3] te [plaats 1] (hierna ‘de [locatie 3]’).
6.1.
Vanaf 26 september 2022 ontvangt [persoon A] bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een arbeidsongeschiktheidspensioen.
6.2.
Fijnder is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan [persoon A] toegekende bijstand. Aanleiding hiervoor waren twee meldingen op 3 juni 2024 en 24 juni 2024 inhoudende dat [persoon A] en eiser zouden samenwonen.
6.3.
In het kader van dit onderzoek hebben sociaal rechercheurs van Fijnder onder meer dossieronderzoek verricht en openbare bronnen geraadpleegd. Van 3 juni 2024 tot en met 14 juli 2024 zijn waarnemingen verricht. Ook hebben de sociaal rechercheurs op 15 juli 2024 een gesprek gevoerd met [persoon A] en een huisbezoek afgelegd op de [locatie 1]. Op 17 juli 2024 en op 26 juli 2024 hebben de eerste en de tweede melder een verklaring afgelegd. Van het onderzoek is op 30 juli 2024 een eindrapportage opgemaakt.
7. Fijnder is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop” (onder 3 en volgende).
8. Eiser betwist - samengevat - dat hij over de periode 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 zijn hoofdverblijf hield aan de [locatie 1]. Het onderzoek door Fijnder is onzorgvuldig en onvolledig geweest. Het college heeft dus niet het zwaartepunt van het persoonlijk leven van eiser kunnen vaststellen. Eiser is nooit door Fijnder gehoord, noch is hij thuis bezocht. Indien dit wel was gebeurd, dan zou zijn gebleken dat eiser zijn hoofdverblijf de gehele periode in geding heeft gehouden aan de [locatie 3]. De waarnemingen van de auto van eiser en de verklaring van [persoon A], dat eiser in een bepaalde periode vaker bij haar thuis is geweest, zijn onvoldoende om een wijziging van het zwaartepunt in iemands leven vast te kunnen stellen. Ten slotte is volgens eiser in bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend.
9. Het bestreden besluit van 22 april 2025 is gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de Pw. Daarin staat, voor zover hier van belang, dat de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen.
10. Als uitgangspunt geldt dat het besluit tot terugvordering van bijstand een belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
10.1.
Het voorgaande betekent in dit geval dat de kosten van de bijstand die zijn betaald aan [persoon A], alleen mede bij eiser kunnen worden teruggevorderd als Fijnder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en [persoon A] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en [persoon A] daarover haar inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor Fijnder bij de verlening van de bijstand geen rekening heeft kunnen houden met de middelen van eiser.
10.2.
Volgens artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Pw is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en
zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt of
uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
10.3.
Vaststaat dat eiser en [persoon A] gehuwd zijn geweest en samen zeven kinderen hebben. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Pw uitsluitend van belang of [persoon A] en eiser hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
10.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het hoofdverblijf van een betrokkene daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. [3]
10.4.1.
Eiser en [persoon A] stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen ingeschreven. Volgens vaste rechtspraak staat dat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat de [locatie 1] als hoofdverblijf van beiden fungeerde in de te beoordelen periode.
De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing. [4] Dit betekent dat bij de beoordeling op zichzelf niet relevant is of eiser en [persoon A] de intentie hadden om samen te wonen. De omstandigheid dat eiser druk doende is om een eigen woning te zoeken, sluit (ook) niet uit dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf kan hebben gehad bij [persoon A].
Wat legt Fijnder aan de besluitvorming ten grondslag?
11. Uit de rapportage [5] volgt dat Fijnder naar aanleiding van “getuigenverklaringen” en het onderzoek van Preventie en Handhaving heeft geconcludeerd, dat eiser en [persoon A] een gezamenlijke huishouding voerden in de te beoordelen periode. Met die getuigenverklaringen worden bedoeld de verklaringen die de twee melders hebben afgelegd. Melder 1 is een meerderjarige zoon van eiser en [persoon A]. Melder 2 is een zus van [persoon A], die ook in de [locatie 1] woont.
In het primair besluit heeft Fijnder aangegeven dat uit de navolgende feiten en omstandigheden volgt dat eiser zijn hoofdverblijf heeft bij [persoon A]:
  • uit waarnemingen blijkt dat de auto van eiser over een periode van 3 juni 2024 tot en met 14 juli 2024 bijna altijd (namelijk 52 van de 60 keer) in de nabijheid van het huis van [persoon A] geparkeerd staat;
  • vanaf 22 september 2022 heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats. Het adres aan de [locatie 3] is enkel een briefadres;
  • uit een gesprek van Fijnder met [persoon A] is gebleken dat eiser zijn leven van alledag op haar adres heeft. In haar woning/schuur liggen persoonlijke spullen van eiser, zoals kleding, gereedschap en toiletartikelen. Ook eet eiser bij haar, behalve als hij in de weekenden op de kermis eet. Eiser doucht bij [persoon A] en zij verzorgt zijn was;
  • eiser helpt veel met klussen in en om het huis. Zo is de tuin door hem opgeknapt en is er een landschildpadden verblijf gemaakt en schildert hij [persoon A] schuur;
  • eiser laat regelmatig de hond uit;
  • het huur- en het energiecontract van de [locatie 1] staat op beider naam; de kosten van het energiecontract worden door [persoon A] betaald. Eiser betaalt de kosten van Caiway en de telefoonkosten van hun twee minderjarige kinderen. Op verzoek van [persoon A] betaalt eiser geen alimentatie, dit ter verrekening van een deel van de kosten van Caiway;
  • eiser en [persoon A] doen samen de wekelijkse boodschappen; [persoon A] heeft verklaard dat zij de kosten betaalt maar dat eiser ook wel eens een ijsje of een patatje haalt en betaalt;
  • uit de schriftelijke verklaringen van melders blijkt dat eiser en [persoon A], kort nadat zij uit elkaar zijn gegaan, alweer bij elkaar samenwoonden. Met zekerheid was dat eind 2022. Melder 1 heeft verklaard dat dat rond oktober 2022 was;
  • tijdens het huisbezoek was de slaapkamer van [persoon A] ingericht als een tweepersoonsslaapkamer; er lag daar kleding van hen beiden;
11.1.
In het bestreden besluit heeft Fijnder het advies van de Commissie Bezwaren overgenomen. Deze commissie heeft (samengevat) aangegeven dat in een beslissing op bezwaar van 15 januari 2025 is vastgesteld dat eiser vanaf 1 maart 2024 zijn hoofdverblijf heeft gehad bij [persoon A] en dat het bezwaarschrift van eiser ongegrond kan worden verklaard.
Wat vindt de rechtbank?
12. De rechtbank stelt vast dat noch in het bestreden besluit, noch in het advies van de bezwarencommissie is gemotiveerd, waarop het standpunt is gebaseerd dat eiser zijn hoofdverblijfplaats had bij [persoon A]. Fijnder heeft ermee volstaan om te verwijzen naar de beslissing op bezwaar van 15 januari 2025 gericht aan [persoon A], met betrekking tot de intrekking en beëindiging van haar bijstandsuitkering. De argumenten die Fijnder aan die beslissing ten grondslag heeft gelegd zijn in het bestreden besluit niet genoemd. Er is in het bestreden besluit ook in het geheel niet ingegaan op de argumenten die door eiser in bezwaar naar voren zijn gebracht. Ook is Fijnder niet ingegaan op de door eiser in bezwaar overgelegde stukken. De rechtbank deelt het standpunt van eiser dat het bestreden besluit alleen al om die reden onvoldoende is gemotiveerd. De omstandigheid dat Fijnder in de procedure van [persoon A] bij zijn standpunt is gebleven, ontslaat Fijnder niet van de verplichting om in de procedure van eiser in te gaan op de argumenten en bewijsstukken die hij naar voren heeft gebracht.
13. De rechtbank is ook overigens van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daarvoor is redengevend dat de rechtbank de beroepen van [persoon A], gericht tegen de intrekking en beëindiging en terugvordering van de bijstand bij uitspraak van 27 januari 2026 gegrond heeft verklaard. [6] De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat Fijnder onvoldoende heeft gemotiveerd en aannemelijk heeft gemaakt, dat [persoon A] en eiser een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd vanaf 1 maart 2024 en dat [persoon A] haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. De rechtbank heeft de besluiten op bezwaar van 15 januari 2025 en van 8 april 2025, die Fijnder in de procedure van [persoon A] heeft genomen, daarom vernietigd. Nu de terugvordering van de bijstand van [persoon A] niet in stand is gebleven, en Fijnder voor de motivering in het bestreden besluit vrijwel uitsluitend verwijst naar het de beslissing op bezwaar van 15 januari 2025 in de procedure van [persoon A], is het bestreden besluit ook daarom onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom dit besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De reden hiervoor is dat de gebreken dermate essentieel zijn dat deze niet te passeren zijn.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat Fijnder, nadat er nieuwe beslissingen zijn genomen op de bezwaarschriften van [persoon A], een nieuw besluit moet nemen op de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten. Dat moet Fijnder bovendien doen met in achtneming van hetgeen is overwogen onder 12. De rechtbank geeft Fijnder hiervoor acht weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet Fijnder het griffierecht van € 53 aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Fijnder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (2x € 934), omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2025;
  • draagt Fijnder op binnen acht weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser;
  • bepaalt dat Fijnder het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt Fijnder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In het dossier blijkt niet dat eiser een apart bezwaarschrift heeft ingediend tegen primair besluit 3. Aangenomen wordt, mede gezien de eerste alinea van het bestreden besluit, dat Fijnder het bezwaarschrift van 7 november 2024 op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht mede gericht acht tegen het primaire besluit 3.
2.Dit volgt uit het bestreden besluit. Het bezwaarschrift bevindt zich niet in het dossier.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 november 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3038), van 7 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3110) en van 30 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1672).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:8).
5.Rapportage werkproces 17941/216712, waarin wordt verwezen naar het werkproces in de zaak van [persoon A] (werkprocessen 212894 en 212895).
6.Het gaat om de uitspraak in de zaken 25/578 en 25/2144 (ongepubliceerd).