ECLI:NL:CRVB:2024:1672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet woonachtig op opgegeven adres
Appellante ontvangt sinds 7 maart 2016 bijstand en staat vanaf 15 december 2017 ingeschreven op een adres in een woonplaats. Het college stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand vanwege vermoedens dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde. Dit onderzoek toonde een extreem laag waterverbruik aan, variërend van twee tot zeven m3 per jaar, wat de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellante haar hoofdverblijf niet op het adres had.
Het college trok daarop bij besluit van 23 juli 2021 de bijstand met ingang van 15 december 2017 in en vorderde de kosten terug tot een bedrag van €49.624,63. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college niet bevoegd was tot het onderzoek en dat zij wel degelijk op het adres woonde, onder meer door haar lage waterverbruik te verklaren met een huidaandoening.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was het onderzoek uit te voeren zonder voorafgaand vermoeden en dat appellante de vooronderstelling van niet-wonen niet heeft weerlegd. Haar verklaringen over waterverbruik waren tegenstrijdig en onvoldoende om het lage verbruik te verklaren. Andere argumenten, zoals bankafschriften en inrichting van de woning, konden de conclusie niet veranderen.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen, het bestreden besluit blijft in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 30 juli 2024.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet woonachtig zijn op het opgegeven adres worden bevestigd.