ECLI:NL:RBGEL:2026:1195

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
11644286
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:203 lid 1 BWArt. 6:203 lid 2 BWArt. 6:248 BWArt. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over afrekening einde dienstverband met discussie over vakantiedagen en overuren

De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werknemer en werkgever over de afrekening van het dienstverband, met name over niet-genoten vakantiedagen en overuren. De werknemer vordert betaling van openstaande vakantiedagen en overuren, terwijl de werkgever betwist dat deze bedragen volledig verschuldigd zijn en stelt dat hij zelfs teveel heeft betaald.

De kantonrechter stelt vast dat het loon over augustus 2024 weliswaar te laat is betaald, maar dat dit inmiddels is voldaan. De wettelijke verhoging en rente worden toegewezen wegens de te late betaling. Ten aanzien van de vakantiedagen oordeelt de rechter dat de wettelijke vakantiedagen uit 2022 en 2023 niet zijn vervallen, omdat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat de werknemer in staat is gesteld deze op te nemen en niet is geïnformeerd over het verval.

Over de overuren is er een geschil over het aantal daadwerkelijk gemaakte uren en de juiste registratie daarvan. De kantonrechter wijst erop dat de werkgever een administratieplicht heeft en stelt hem in de gelegenheid tegenbewijs te leveren, onder meer over dubbele uren en pauzes. Ook het beroep van de werkgever op de klachtplicht wordt verworpen vanwege het late tijdstip en de omstandigheden.

De rechter houdt verdere beslissing aan en bepaalt dat de zaak zal worden voortgezet met getuigenverhoor en bewijslevering. Beide partijen krijgen de gelegenheid om bewijsstukken en getuigen aan te dragen om hun stellingen te onderbouwen.

Uitkomst: Salaris augustus 2024 toegekend met wettelijke verhoging en rente, overige vorderingen aangehouden voor bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11644286 \ CV EXPL 25-2922
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser in conv.],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J. van Weersch (DAS Rechtsbijstand)
tegen
[gedaagde in conv.],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.A.C. Nagel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juni 2025,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 27 november 2025,
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2021 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker Loonwerk I, voor 40 uur per week. De arbeidsomvang bedroeg 2080 uur per jaar.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen (verder: de cao) van toepassing verklaard. Voorts is in de arbeidsovereenkomst bepaald dat [eiser] recht heeft op 26 vakantiedagen per jaar, 20 wettelijke en 6 bovenwettelijke vakantiedagen.
2.3.
In artikel 5 van Pro de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiser] zich bereid verklaart overwerk te verrichten, de eerste 30 minuten voor- en na werktijd niet als overwerk worden aangemerkt en dat de vergoeding van overwerk in beginsel plaatsvindt in de vorm van extra vrije uren. Die moeten binnen drie kalendermaanden in overleg met de werkgever worden opgenomen. In beginsel mogen aan het eind van elke kalenderjaar niet meer dan 20 overuren worden meegenomen naar het volgende kalenderjaar.
2.4.
Het (basis) salaris van [eiser] bedroeg laatstelijk € 2.389,45 bruto.
2.5.
[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 3 juli 2024 opgezegd tegen 31 augustus 2024. In de brief refereert [eiser] aan het grote aantal openstaande overuren en vraagt uitbetaling daarvan. [eiser] laat weten tot einddatum uit te zullen werken, maar bereid te zijn om vakantiedagen eventueel per direct op te nemen. Verder verzoekt hij om uitbetaling van de openstaande vakantiedagen die hij gedurende het dienstverband heeft opgebouwd en niet heeft opgenomen.
2.6.
Na de opzegging heeft [eiser] zijn bedrijfsspullen desgevraagd ingeleverd en heeft hij vakantiedagen opgenomen tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst, te weten 31 augustus 2024.
2.7.
Na het einde van het dienstverband is door [gedaagde] geen eindafrekening opgesteld. Wel heeft [gedaagde] na het einde van de arbeidsovereenkomst op 13 september 2024 een bedrag van € 4.427,53 bruto (€ 2.400,00 netto) met de omschrijving ‘overwerk 2024 (eerder in het jaar uitbetaald)’ aan [eiser] betaald.
2.8.
Op 1 oktober 2024 hebben partijen gesproken over de afrekening van overuren en vakantiedagen en getracht tot een minnelijke regeling te komen. Dat is niet gelukt. [eiser] heeft dat bij e-mail van diezelfde datum bevestigd.
Wel heeft [gedaagde] na dat gesprek op 31 oktober 2024 een bedrag van € 7.668,98 bruto (€4.166,34 netto) met de omschrijving ‘683 restant uren 2022 à € 10,06 per uur (uurloon 2022)’ en ‘70 restant uren 2023 à € 11,40 per uur (uurloon 2023)’ aan [eiser] betaald.
2.9.
[eiser] heeft aanspraak gemaakt op uitbetaling van (nog) meer overuren en niet-genoten vakantiedagen en [gedaagde] bij brief van 29 november 2024 gesommeerd tot betaling daarvan over te gaan.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen:
1. € 2.588,49 bruto ter zake loon en vakantiegeld over augustus 2024,
€ 2.779,96 bruto ter zake 186,66 niet genoten vakantie-uren en
€ 15.397,50 bruto ter zake loon en vakantiegeld over 857,90 overuren,
zijnde in totaal € 20.765,95 bruto, en onder aftrek van € 6.588,75 netto [1] en onder afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie;
2. de wettelijke verhoging van € 7.088,60 bruto over het hiervoor onder 1) genoemde bedrag;
3. de wettelijke rente over het hiervoor onder 1) gevorderde bedrag vanaf 1 september 2024 tot de dag waarop alles is betaald;
4. afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie ter zake de hiervoor gevorderde betalingen;
5. € 982,65 netto ter zake buitengerechtelijke incassokosten;
6. de kosten van de procedure, het salaris gemachtigde daaronder begrepen.
3.2.
[eiser] legt, samengevat, aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft jaarlijks 20 wettelijke en 6 bovenwettelijke vakantiedagen opgebouwd, maar heeft deze nooit (volledig) op kunnen nemen. [gedaagde] heeft hem daartoe niet in de gelegenheid gesteld en evenmin heeft [gedaagde] hem ervoor gewaarschuwd dat de vakantiedagen (deels) zouden vervallen. Daarom kan [gedaagde] geen beroep doen op verval van de vakantiedagen.
Daarnaast vordert [eiser] uitbetaling van 857,90 maakte overuren onder aftrek van hetgeen [gedaagde] na einde dienstverband alsnog heeft betaald. Hij voert daartoe aan dat hij in opdracht/op verzoek van [gedaagde] veel overuren heeft gemaakt en deze niet volledig uitbetaald heeft gekregen. Hij is evenmin in de gelegenheid gesteld deze op te nemen als ‘tijd voor tijd’. Tot slot vordert hij betaling van zijn salaris over de maand augustus 2024, alsmede de bruto/netto specificaties van de te betalen bedragen, de wettelijke verhoging, wettelijke rente en kosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Het salaris van augustus 2024 is op 13 september 2024 aan [eiser] uitbetaald. De specificatie hiervan is gedateerd op 1 november 2024. Bij diezelfde betaling op 13 september 2024 is ook het openstaande saldo aan vakantie-uren, te weten 4,3 uren, uitbetaald. [eiser] had nog recht op betaling van 4,3 vakantie-uren, wat neerkomt op een bedrag van € 516,75 bruto. [gedaagde] betwist dat er bij einde dienstverband een hoger saldo niet genoten vakantiedagen was. [gedaagde] heeft gespecificeerd op welke dagen [eiser] vrij zou hebben gehad.
Voorts voert [gedaagde] aan dat de overurenregistratie van [eiser] niet juist is. Er zijn diverse data waarop dubbele werkbonnen over dezelfde tijden zijn geboekt, waardoor er een totaal van soms wel 20 uur op één dag zou zijn gewerkt. Dit is onmogelijk. Evenmin heeft [eiser] rekening gehouden met de dagelijkse pauzes. Daarnaast heeft [eiser] voor alle overuren gerekend met zijn laatst verdiende salaris, dat is niet juist wanneer overuren tegen een destijds lager geldend salaris zijn gemaakt.
[gedaagde] heeft de overzichten per jaar nagekeken en komt voor 2022 op een totaal van 608,9 overuren, waarvan er in dat jaar 250 zijn uitbetaald. Over 2023 heeft [eiser] 430,8 overuren gemaakt waarvan hij er destijds 375 heeft uitbetaald. Over 2024 heeft [eiser] zijn uren zo slecht geregistreerd dat hij feitelijk zijn overeengekomen arbeidsuren heeft gewerkt. Toch heeft [gedaagde] over 2024 30 overuren aan hem uitbetaald. Met de uitbetaling van de eindafrekening op 31 oktober 2024, voor een bedrag van € 7.668,98 bruto (€ 4.166,34 netto) zijn alle overuren uitbetaald en is zelfs meer uitbetaald dan waartoe [gedaagde] [eiser] verplicht was. Aldus heeft [eiser] niets meer van [gedaagde] te vorderen uit hoofde van de afwikkeling van het dienstverband.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] nog met een beroep op artikel 6:89 BW Pro aangevoerd dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd over de beweerdelijk te weinig betaalde overuren. Door het lange tijdsverloop wordt [gedaagde] bemoeilijkt in het controleren daarvan, zodat hij nadeel heeft nu [eiser] niet eerder heeft geklaagd, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert, samengevat, [eiser] te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 9.314,54 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot de dag waarop alles is betaald.
3.6.
[gedaagde] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft aan [eiser] , in het kader van de afwikkeling van het dienstverband, meer uitbetaald dat waartoe hij verplicht was. [gedaagde] was [eiser] een bedrag van € 7.7620,32 bruto verschuldigd, bestaande uit € 2.588,49 ter zake salaris augustus 2024, € 516,75 ter zake resterende vakantie-uren en € 4.655,08 aan overuren 2022. Hij heeft aan [eiser] na einde dienstverband in totaal een bedrag van € 12.096,51 bruto betaald. Aldus € 4.336,19 teveel.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij teveel overuren aan [eiser] heeft uitbetaald. Over 2023 gaat het om 300,5 uur en over 2024 om 30 uur. Totaal betreft dit een bedrag van € 4.978,35 bruto. [eiser] heeft zelf de urenadministratie foutief ingevuld, reden waarom hij dit aan [gedaagde] moet terugbetalen op grond van onverschuldigde betaling.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
De vordering van [eiser] in conventie valt uiteen in drie onderdelen. Uitbetaling van opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen, uitbetaling van overuren en de betaling van het salaris over de maand augustus 2024.
Salaris augustus 2024
Salaris augustus 2024 - is reeds betaald - wordt afgewezen
4.2.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] het loon over augustus 2024 niet, zoals gebruikelijk, in die maand heeft betaald. Dat komt volgens [gedaagde] omdat hij aanvankelijk had begrepen dat [eiser] per 1 augustus 2024 uit dienst wilde. Toen bleek dat [eiser] ook in augustus 2024 nog in dienst was heeft [gedaagde] in september 2024 alsnog een bedrag van € 4.427,53 bruto (€ 2.400,00 netto) aan [eiser] betaald, waaronder het loon over augustus 2024 is begrepen.
Bij deze betaling (die in de specificatie van ‘november’ is terug te vinden) luidt de omschrijving ‘overwerk 2024 (eerder in het jaar uitbetaald)’. Deze omschrijving kan niet kloppen, zoals [gedaagde] ook heeft betoogd, omdat er in juni 2024 al 30 overuren zijn uitbetaald en over 2024 niet meer overuren door [eiser] werden en worden gevorderd.
Hoezeer de omschrijving bij een betaling in beginsel bepalend is voor het doel (de - vermeende - vordering) waartoe die betaling strekt, brengt een redelijke uitleg met zich mee dat van het bruto bedrag van € 4.427,53 dat [gedaagde] heeft betaald op 13 september 2024, een bedrag van € 2.588,49 bruto moet worden toegeschreven aan het salaris over augustus 2024 (inclusief vakantiegeld). Daarmee dient het ervoor te worden gehouden dat [gedaagde] het salaris over augustus 2024 alsnog, zij het 13 dagen te laat, op 13 september 2024 heeft voldaan. De vordering van [eiser] ter zake het salaris augustus 2024 wordt daarom afgewezen.
Salaris augustus 2024- wettelijke verhoging en wettelijke rente worden toegewezen
4.3.
Omdat [gedaagde] te laat heeft betaald is hij wel de gevorderde wettelijke verhoging over het loon van augustus 2024 van € 2.588,49 bruto verschuldigd. Die bedraagt over 13 dagen geen 50%, maar wordt toegewezen conform de wettelijke staffel. Voor matiging is geen aanleiding nu [gedaagde] geen enkel deugdelijk argument heeft aangevoerd waarom het loon over augustus 2024 niet tijdig is betaald. Dat [gedaagde] in de veronderstelling verkeerde dat de arbeidsovereenkomst na opzegging door [eiser] reeds per 31 juli 2025 zou eindigen is geen reden voor matiging. Ook de wettelijke rente over het loon van augustus 2025 is [gedaagde] verschuldigd over de periode van 1 september 2024 tot 13 september 2024. [gedaagde] zal ook tot betaling daarvan worden veroordeeld.
4.4.
Van de door [gedaagde] gedane betaling op 13 september 2024 resteert na aftrek van het deel dat toegerekend wordt aan het salaris over augustus 2024 nog een bedrag van
€ 1.839,04 bruto. Vooralsnog is niet duidelijk waaraan dat toegerekend moet worden. Bij eindvonnis zal daarop in het kader van mogelijke verrekening of terugbetaling teruggekomen worden.
Niet-genoten vakantiedagen
Niet-genoten vakantiedagen - standpunt partijen
4.5.
[eiser] vordert uitbetaling van 23,33 vakantiedagen, te weten 7,33 wettelijke vakantiedagen en 16 bovenwettelijke vakantiedagen over de periode van het gehele dienstverband, dit betreft 186,66 uur. [eiser] stelt dat hij bijna nooit vakantie heeft opgenomen en [gedaagde] heeft hem er bovendien niet op gewezen dat een deel van zijn wettelijke vakantie-uren zouden komen te vervallen wanneer hij deze niet tijdig zou opnemen. Hij vordert € 2.779,96 bruto (186,66 x €13,79 x 1,08).
4.6.
[gedaagde] betwist het aantal door [eiser] gestelde niet-genoten vakantiedagen. [gedaagde] voert allereerst aan dat eventuele niet-genoten vakantiedagen over 2022 en 2023 zijn vervallen. Voorts voert [gedaagde] onderbouwd aan, door de dagen te noemen waarop [eiser] vrij zou zijn geweest, dat er bij einde dienstverband nog slechts een saldo van 4,3 niet-genoten vakantiedagen bestond. Dit komt volgens [gedaagde] neer op een bedrag van € 516,75 bruto. Dit bedrag is met de betaling op 13 september 2024 aan [eiser] uitbetaald. De vordering van [eiser] ter zake vakantiedagen moet ook daarom worden afgewezen, aldus [gedaagde] .
Niet-genoten vakantiedagen - zijn niet vervallen
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de opgebouwde wettelijke vakantiedagen die in 2022 en 2023 niet zijn opgenomen, niet zijn vervallen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel komt.
Partijen zijn het er over eens dat [eiser] per jaar 20 wettelijke en 6 bovenwettelijke vakantiedagen opbouwde. De hoofdregel is dat de wettelijke vakantiedagen vervallen zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze zijn opgebouwd. [2] Bovenwettelijke dagen vervallen daarentegen niet.
Hoezeer de verantwoordelijkheid voor het opnemen van vakantiedagen in beginsel bij de werknemer ligt, [3] kan van verval van de wettelijke vakantiedagen geen sprake zijn als de werkgever de werknemer niet daadwerkelijk in staat gesteld heeft vakantiedagen op te nemen en, in het bijzonder, als de werkgever heeft nagelaten de werknemer te informeren over de gevolgen van het niet opnemen van de vakantiedagen, namelijk dat ze na een half jaar vervallen. [4]
[eiser] heeft in dit kader gesteld dat hij niet daadwerkelijk in staat is gesteld om meer dan enkele vakantiedagen op te nemen en dat [gedaagde] hem over de gevolgen daarvan niet heeft geïnformeerd. [gedaagde] heeft daartegen ingebracht dat [eiser] nimmer meer vakantie heeft gevraagd dan hij heeft genoten. Op [gedaagde] rust als werkgever evenwel de verplichting om te bewijzen dat hij alle zorgvuldigheid heeft betracht die nodig was om [eiser] daadwerkelijk in staat te stellen de jaarlijkse vakantie met behoud van loon te nemen. [5] Nu [gedaagde] niet onderbouwd heeft gesteld op welke wijze hij [eiser] daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, laat staan gespecificeerd bewijs heeft aangeboden, wordt zijn verweer ter zake verworpen als zijnde onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld de wettelijke vakantiedagen op te nemen. Reeds om die reden kan van verval van de wettelijke vakantiedagen opgebouwd in 2022 en 2023 geen sprake zijn. Bovendien heeft [gedaagde] niet betwist dat hij [eiser] niet heeft geïnformeerd over de gevolgen van het niet-opnemen van (wettelijke) vakantiedagen, zoals door [eiser] is gesteld. Dat had [gedaagde] wel moeten doen. Ook om die reden zijn de door [eiser] opgebouwde maar niet-genoten wettelijke vakantiedagen niet vervallen. Een andere uitleg zou overigens ook niet stroken met de feitelijke gang van zaken rondom het einde van het dienstverband. Immers, [eiser] heeft gedurende de opzegtermijn van 4 juli tot en met 31 augustus 2024 vakantiedagen opgenomen. Als de vakantiedagen over 2022 en 2023 toen reeds vervallen waren, had [eiser] niet genoeg dagen gehad om deze periode vakantie op te nemen. Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat het verweer van [gedaagde] , dat de vakantiedagen zijn vervallen, wordt verworpen.
Niet-genoten vakantiedagen - saldo openstaande vakantiedagen bij einde dienstverband
4.8.
Vervolgens moet worden beoordeeld hoeveel niet-genoten vakantiedagen [eiser] bij einde dienstverband nog had.
Uitgangspunt is dat op de [gedaagde] als werkgever de verplichting rust om een deugdelijke vakantie-dagenadministratie te voeren. [6] Hoewel de stelplicht en bewijslast ter zake het aantal niet-genoten vakantie-uren bij [eiser] ligt, rust op [gedaagde] vanwege zijn administratieverplichting een verzwaarde verplichting zijn verweer te motiveren door het overleggen van een deugdelijke vakantiedagenadministratie. Hoewel [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord wel heel specifiek heeft aangegeven op welke dagen [eiser] vakantiedagen zou hebben opgenomen, blijkt niet waarop [gedaagde] dit baseert. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat er geen administratie voor de vakantiedagen wordt gevoerd, maar dat vakantiedagen alleen in een papieren agenda worden bijgehouden door zijn echtgenote. Deze agenda is door [gedaagde] niet overgelegd. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij op de door [gedaagde] genoemde dagen vakantie heeft gehad, behalve op 4 januari en 30 december 2022, 17 november en 27 december 2023. Nu [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat hij op de andere dan door hem erkende dagen vakantiedagen heeft opgenomen, wordt voorshands aannemelijk geacht dat het saldo aantal niet-genoten vakantiedagen dat [eiser] stelt te hebben, juist is. Nu [gedaagde] ondanks dat hij de (relevante delen van de) agenda niet in het geding heeft gebracht wel gemotiveerd (getuigen)bewijs heeft aangeboden [7] om te bewijzen dat [eiser] op de door [gedaagde] bij conclusie van antwoord (in randnummer 36 van de conclusie van antwoord opgesomd) genoemde dagen vakantie heeft gehad, zal [gedaagde] tot het leveren van tegenbewijs in de gelegenheid worden gesteld.
Als [gedaagde] in dat tegenbewijs (deels) slaagt zal de vordering van [eiser] ter zake niet-genoten vakantiedagen (deels) worden afgewezen. Slaagt [gedaagde] daarin niet, dan moet er van uitgegaan worden dat het aantal openstaande vakantiedagen per einde dienstverband (onder aftrek van de 4,3 door [gedaagde] erkende dagen) 19,33 dagen betrof. [gedaagde] is in dat geval gehouden deze niet-genoten vakantiedagen uit te betalen. Anders dan door [gedaagde] is aangevoerd, niet tegen het loon dat gold op het moment van opbouw, maar gelet op artikel 7:641 BW Pro tegen het laatstverdiende loon. Dat komt neer op een bedrag van (19,33 x 8 x 13,79 x 1,08) € 2.303,08 bruto. Iedere verdere beslissing ter zake wordt aangehouden.
(Uitbetaling) overuren
4.9.
[eiser] vordert voorts uitbetaling van 857,9 overuren. Hij stelt dat hij eerder heeft gevraagd om uitbetaling van deze uren nu hij structureel overuren maakte en geen gelegenheid had om deze als ‘tijd voor tijd’ op te nemen. [gedaagde] heeft hem steeds gezegd dat dit goed zou komen, maar er zijn veel minder overuren uitbetaald dan [eiser] heeft gemaakt. Per einde dienstverband bedroeg het totaal aan overuren volgens [eiser] 857,9 uur. Het bedrag dat hiermee gemoeid gaat bedraagt volgens [eiser] € 15.379,57 bruto (857,9 x 13,79 x 130%), met dien verstande dat de betalingen die [gedaagde] na einde dienstverband heeft gedaan hierop (deels) in mindering strekken, aldus [eiser] .
4.10.
[gedaagde] voert meerdere verweren. Hij voert aan dat [eiser] te laat heeft geklaagd over de uitbetaling van overuren en reeds om die reden zijn vordering moet worden afgewezen. [8] [eiser] hield zelf in het registratiesysteem TimeKing zijn urenregistratie bij, althans behoorde dat te doen, en op zijn salarisspecificaties kon hij elke maand zien hoeveel overuren werden uitbetaald. [eiser] had dus eerder kunnen klagen maar heeft dat niet gedaan. Doordat [eiser] pas bij en na de opzegging van de arbeidsovereenkomst betaling van meer overuren heeft gevorderd, ondervindt [gedaagde] nadeel omdat het controleren daarvan wordt bemoeilijkt.
Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de overzichten die [eiser] zelf heeft gemaakt niet overeenstemmen met hetgeen [eiser] heeft ingevuld in TimeKing. [eiser] heeft dubbele werkbonnen geboekt op één en dezelfde werkdag en [eiser] heeft geen rekening gehouden met pauzes. Daarnaast rekent hij voor de uitbetaling van deze overuren met zijn laatst verdiende uurloon, dat lager lag in eerdere jaren waarover hij ook uitbetaling van overuren vraagt.
[gedaagde] erkent dat [eiser] na einde dienstverband nog wel openstaande overuren had die niet tijdens het dienstverband zijn uitbetaald. Het gaat om 358,9 uren over 2022 hetgeen, rekenend met het juiste uurloon uit 2022 uitkomt op een totaal bedrag van € 4.655,08 bruto. Onder meer dit bedrag heeft [gedaagde] op 31 oktober 2024 aan [eiser] betaald.
Over 2023 heeft [eiser] volgens [gedaagde] slechts 74,5 overuren gemaakt, die al in 2023 zijn uitbetaald. Er zijn toen namelijk 375 overuren uitbetaald, aldus 300 uur teveel.
In 2024 heeft [eiser] geen overuren gemaakt, maar [gedaagde] heeft er wel 30 over dat jaar, ten onrechte en onverschuldigd, uitbetaald.
[gedaagde] komt tot de conclusie dat [eiser] in het kader van gevorderde overuren niets meer van hem te vorderen heeft en [gedaagde] zelfs teveel uren heeft uitbetaald (300,5 over 2023 en 30 over 2024), waarvan hij in reconventie terugbetaling vordert.
(Uitbetaling) overuren - beroep op schenden klachtplicht slaagt niet
4.11.
Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad geldt de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro ook in geval een werkgever te weinig overuren heeft uitbetaald en een werknemer daarvan later betaling vordert. Er is dan immers sprake van een gebrekige prestatie van de werkgever. Van een werknemer kan in beginsel verlangd worden dat hij, bijvoorbeeld als hij op zijn salarisspecificaties kan zien dat te weinig overuren zijn uitbetaald, terwijl hij weet of redelijkerwijs kan weten hoeveel overuren hij heeft gemaakt, hij daarover tijdig bij zijn werkgever klaagt en niet wacht tot het einde van het dienstverband. Klaagt de werknemer niet tijdig, dan kan dat, ondanks dat de vordering nog niet is verjaard, tot verval van zijn aanspraken leiden. Daarbij weegt mee of een werkgever in een nadeliger positie is gekomen omdat hij bijvoorbeeld door het verstrijken van de tijd wordt bemoeilijkt in de controle van de vordering en zijn verweer. Er kunnen omstandigheden zijn waarin het tijdig klagen van een werknemer niet verlangd kon worden. In dat geval slaagt het beroep van een werkgever op de klachtplicht niet.
4.12.
Allereest wordt opgemerkt dat [gedaagde] zijn beroep op de klachtplicht in strijd met een behoorlijke procesorde in een erg laat stadium heeft gedaan door dat eerst in de loop van de mondelinge behandeling naar voren te brengen. Verweren moeten in beginsel gelijk bij conclusie van antwoord worden gevoerd.
Wat daar ook van zij, de kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op schending van de klachtplicht door [eiser] in dit specifieke geval niet kan worden gehonoreerd. Allereerst heeft [eiser] aangevoerd dat hij tijdens het dienstverband vaker om uitbetaling van de volledige uren heeft gevraagd en [gedaagde] daarop steeds zei dat het goed zou komen. Voorts heeft [eiser] onderbouwd gesteld dat [gedaagde] het loon en de overuren sowieso vaak te laat betaalde. Dat laatste heeft [gedaagde] niet (gemotiveerd) bestreden. In dit verband is opgevallen dat [gedaagde] gedurende een groot aantal maanden telkens hetzelfde aantal overuren heeft uitbetaald, te weten 50 respectievelijk 75. Dat maandelijks exact hetzelfde aantal overuren zou zijn gemaakt is ongebruikelijk en daarmee onwaarschijnlijk. [gedaagde] heeft ook niet uitgelegd dat dat wel het geval was. Het lijkt er dan ook meer op dat [gedaagde] voorschotten op de afrekening van overuren heeft betaald, hetgeen past bij de stelling van [eiser] dat hij vaker om afrekening heeft gevraagd en [gedaagde] afrekening heeft toegezegd.
Voorts heeft [eiser] bij zijn opzeggingsbrief direct gerefereerd aan de nog openstaande overuren. Tot slot heeft [gedaagde] , nadat [eiser] hem na het einde van het dienstverband heeft gesommeerd tot betaling over te gaan, aan die sommaties gehoor gegeven door op 31 oktober 2024 in totaal 683 overuren (gemaakt in 2022) en 70 overuren (gemaakt in 2023) uit te betalen.
Het feitelijk handelen van [gedaagde] zoal hiervoor beschreven strookt niet met een later beroep op de klachtplicht. Evenmin blijkt dat [gedaagde] in zijn positie is benadeeld door het verstrijken van de tijd, integendeel. [gedaagde] heeft ter zake gedetailleerd verweer gevoerd. Gelet op de hiervoor aangehaalde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wordt het beroep van [gedaagde] op schending van de klachtplicht door [eiser] verworpen. Nu het beroep op de klachtplicht niet slaagt moet beoordeeld worden of [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van overuren en zo ja, hoeveel en tegen welk uurloon.
Saldo overuren- correctie pauzes – (tegen)bewijs te leveren door [gedaagde]
4.13.
[eiser] stelt in conventie dat er, ondanks de nabetalingen van [gedaagde] in september en oktober 2024, te weinig overuren zijn uitbetaald en vordert betaling daarvan. [gedaagde] voert verweer en stelt dat er door hem teveel overuren zijn uitbetaald, die betalingen onverschuldigd zijn gedaan en vordert in reconventie terugbetaling daarvan.
4.14.
Uit de overgelegde stukken, waaronder salarisspecificaties, blijkt dat door [gedaagde] aan overuren is betaald:
  • in 2022 250 overuren voor een bedrag van € 3.269,17 bruto,
  • in 2023 375 overuren voor een bedrag van € 5.557,50 bruto en
  • in 2024 30 overuren voor een bedrag van € 524,86 bruto.
In totaal heeft [gedaagde] tijdens het dienstverband 655 overuren aan [eiser] uitbetaald.
Ook staat vast dat [gedaagde] op 31 oktober 2024 in totaal 683 overuren, gemaakt in 2022, en 70 overuren, gemaakt in 2023, heeft uitbetaald, zijnde een bedrag van in totaal € 7.668,98 bruto.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] aan [eiser] heeft betaald:
  • over 2022 in totaal 933 overuren,
  • over 2023 in totaal 445 overuren en
  • over 2024 in totaal 30 overuren.
4.15.
[eiser] stelt dat hij de volgende aantallen overuren heeft gemaakt:
  • over 2022 in totaal 1088,1 overuren,
  • over 2023 in totaal 430,8 overuren en
  • over 2024 geen overuren.
In totaal stelt [eiser] derhalve gedurende zijn dienstverband over 2022 en 2023 1518,90 overuren te hebben gemaakt. Hij heeft in totaal over 2022 en 2023 1387 overuren uitbetaald gekregen. Resteren 131,9 te vorderen overuren. Na (eventuele) verrekening van de 30 overuren die hij ten onrechte, derhalve onverschuldigd heeft betaald gekregen over 2024, resteren 101,9 overuren.
4.16.
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] minder overuren gemaakt, te weten in 2022 2688,9 uren gewerkt, waarvan 608,9 overuren en in 2023 2154,50 uren, waarvan 74,50 overuren en in 2024 zouden er geen overuren zijn gemaakt.
Samengevat voert [gedaagde] aan dat [eiser] de volgende aantallen overuren heeft gemaakt:
  • over 2022 in totaal 608,9 overuren,
  • over 2023 in totaal 74,50 overuren en
  • over 2024 geen overuren.
4.17.
Hoezeer op [eiser] , gelet op de wettelijke bewijsregels, de stelplicht en bewijslast rust om in conventie het door hem gestelde aantal overuren gemaakt in 2022 en 2023 te bewijzen, [9] is [gedaagde] op grond van de wet verplicht tot een deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden. [10] Gelet op die verplichting is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de betwisting van het aantal door [eiser] gestelde en gevorderde overuren (mede) moet motiveren aan de hand van de uit haar administratie blijkende registratie van overuren.
[gedaagde] heeft enkel ter illustratie bij een beperkt aantal dagen gemotiveerd aangegeven dat sprake is van dubbele boekingen, reden waarom het gevorderde aantal overuren afgewezen zou moeten worden. [gedaagde] heeft evenwel nagelaten om concreet te onderbouwen op welke andere dagen sprake is van dubbele boekingen, onterecht niet ingevoerde pauzes en/of eventuele andere onregelmatigheden. Dat had van hem wel, mede aan de hand van uitdraaien uit TimeKing, verwacht mogen worden. In plaats daarvan heeft [gedaagde] volstaan met een samenvatting van de volgens hem teveel geregistreerde overuren (productie 5), zonder dat blijkt op welke dagen hij dubbele uren in mindering heeft gebracht. Wel heeft [gedaagde] in zijn samenvatting op de registratie van [eiser] dagelijks pauzes van een uur in mindering gebracht, terwijl [eiser] heeft bestreden dat hij dagelijks pauzes van een uur heeft gehad. Dat [eiser] wel dagelijks pauzes heeft gehad, heeft [gedaagde] niet onderbouwd.
Wat daar ook van zij, dubbel geschreven uren, die [eiser] nooit gemaakt kan hebben, komen niet voor uitbetaling als overuren in aanmerking. Dubbele uren zullen in beginsel op de vordering van [eiser] in mindering moeten worden gebracht. Nu [eiser] betwist dat hij (dagelijks) pauzes heeft gehad rust op [gedaagde] de verplichting te bewijzen dat [eiser] (dagelijks) pauzes had en zo ja, hoe lang. [gedaagde] zal tot het leveren van dat bewijs in de gelegenheid worden gesteld. Als [gedaagde] daarin slaagt, zullen de pauze-uren op de registratie van [eiser] in mindering moeten worden gebracht.
Gelet op de beperkt gemotiveerde onderbouwing van de betwisting van vordering van [eiser] door [gedaagde] voor zover het gaat om dubbel geschreven uren wordt, nu [gedaagde] enkel ter illustratie drie voorbeelden heeft genoemd en zijn verweer verder niet heeft onderbouwd, de juistheid van het aantal door [eiser] gevorderde overuren voorshands aannemelijk geacht. Nu [gedaagde] bij verweer voldoende twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de door [eiser] gevorderde overuren wordt hij in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren, door het overleggen van aktes en/of het horen van getuigen nu hij daartoe bewijs heeft aangeboden.
4.18.
[eiser] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat [gedaagde] de door [eiser] gespecificeerd genoemde overuren [11] gemaakt voor 06.00 uur en na 22.00 uur niet betaald heeft tegen het cao-tarief van 150% (artikel 48 lid 2 sub d cao Pro) en ook dat [gedaagde] de overuren gemaakt op zon- en feestdagen niet heeft betaald tegen een tarief van 200%. [eiser] heeft evenwel in conventie geen akte vermeerdering van eis genomen en heeft evenmin gespecificeerd op welke dagen hij uren heeft gemaakt die volgens deze tarieven betaald hadden moeten worden. [eiser] heeft uitbetaling van de overuren gevorderd op basis van een tarief van 130%. Van die vordering wordt bij de verdere beoordeling uitgegaan.
In reconventie
4.19.
De vordering van [gedaagde] in reconventie betreft terugbetaling van een bedrag van € 9.314,54 bruto ter zake teveel uitbetaalde overuren tijdens het dienstverband en na afloop daarvan, voornamelijk veroorzaakt door onterecht en daarmee onverschuldigd uitbetaalde overuren. De oorzaak daarvan ligt, aldus [gedaagde] in de omstandigheid dat [eiser] de urenspecificaties onjuist heeft ingevuld.
4.20.
In de wet is bepaald dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. [12] Indien de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag. [13]
Dit geldt in beginsel ook voor loon. Als dat onverschuldigd is betaald, moet dat worden terugbetaald. Een terugvordering kan echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar [14] of in strijd met het goed werkgeverschap [15] zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het voor de werknemer niet duidelijk hoefde te zijn dat er teveel is betaald.
Als [eiser] bewust of opzettelijke dubbele uren heeft geschreven en bewust of opzettelijke geen pauzes heeft geschreven, terwijl hij die wel genoten heeft, had hij moeten begrijpen dat hij op basis van zijn eigen registratie ten onrechte (over)ren betaald zou krijgen. Die betalingen zijn dan als gevolg van zijn eigen toedoen onverschuldigd gedaan. In dat geval staat niets aan terugvordering daarvan in de weg. [eiser] heeft betwist dat hij dubbele uren heeft geschreven, laat staan bewust of opzettelijk. In dat verband voert hij aan dat het juist [gedaagde] was die uren van uitzendkrachten of oproepkrachten bewust op zijn account in het TimeKing systeem invoerde.
Nu [gedaagde] in reconventie terugbetaling vordert van onverschuldigd loon ligt het op zijn weg te bewijzen dat e hoeveel (over)uren onverschuldigd zijn betaald. Dat betekent dat [gedaagde] zal moeten bewijzen dat [eiser] bewust of opzettelijk dubbele uren heeft geregistreerd alsmede hoeveel en op welke dagen over de jaren 2022 en 2023. [gedaagde] wordt hiertoe in de gelegenheid gesteld.
4.21.
Niet ter discussie staat dat [gedaagde] in 2024 30 overuren heeft uitbetaald, terwijl daarvoor geen rechtsgrond was omdat [eiser] geen overuren heeft gemaakt. Deze zijn derhalve onverschuldigd betaald. [eiser] dient die terug te betalen of deze moeten te zijner tijd worden verrekend met een toe te wijzen deel van de vordering in conventie. Bijzondere omstandigheden die daaraan in de weg staan zijn gesteld noch gebleken.
4.22.
Nu [eiser] ook heeft betwist dat hij (dagelijks) pauzes heeft genoten ligt het ook op de weg van [gedaagde] te bewijzen dat [eiser] wel (dagelijks) pauzes heeft genoten. [gedaagde] wordt hiertoe in de gelegenheid gesteld.
In conventie en in reconventie
4.23.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter,
in conventie
5.1.
stelt [gedaagde] in de gelegenheid tegenbewijs te leveren van de stelling van [eiser] dat hij bij einde dienstverband 19,33 niet-genoten vakantiedagen had, door te bewijzen dat [eiser] op de door [gedaagde] bij conclusie van antwoord (in randnummer 36 van de conclusie van antwoord opgesomd) genoemde dagen vrij heeft gehad,
5.2.
stelt [gedaagde] in de gelegenheid tegenbewijs te leveren van stelling van [eiser] dat hij in 2022 en 2023 per saldo nog recht heeft op uitbetaling van 134,9 uur aan overuren, en te bewijzen dat, op welke dagen, alsmede het aantal dubbel geboekte uren dat [eiser] over de jaren 2022 en 2023 heeft geregistreerd,
5.3.
stelt [gedaagde] in de gelegenheid te bewijzen wanneer en hoeveel pauzes [eiser] heeft genoten in 2022 en 2023 en ten onrechte niet heeft geregistreerd,
5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
[datum] 2026voor uitlating door [gedaagde] of hij tegenbewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.5.
bepaalt dat als [gedaagde] geen getuigen wenst te horen maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct bij akte in het geding moet brengen,
5.6.
bepaalt dat, als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april tot en met augustus 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.7.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. E.W. de Groot, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
5.8.
bepaalt dat de partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle schriftelijke (bewijs)stukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
in reconventie
5.10.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat en hoeveel overuren [eiser] opzettelijk, althans bewust in 2022 en 2023 heeft geregistreerd als gewerkte uren terwijl die hij niet heeft gewerkt en wanneer en hoeveel pauzes [eiser] ten onrechte niet heeft geregistreerd,
5.11.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
[datum] 2026voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.12.
bepaalt dat als [gedaagde] geen getuigen wil laten horen maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.13.
bepaalt dat, als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april tot en met augustus 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.14.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. E.W. de Groot, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
5.15.
bepaalt dat de partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle schriftelijke (bewijs)stukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.16.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op
18 februari 2026.
32548 / 498

Voetnoten

1.Te weten de betalingen van € 4.427,53 bruto (betaald op 13 september 2024) en € 7.668,98 bruto (betaald op 31 oktober 2024). In totaal € 12.096,51 bruto dat in mindering strekt op de hoofdvordering van € 20.765,95 bruto.
2.Artikel 7:640a BW.
3.Artikel 7:638 BW Pro.
4.HvJ EU 6 november 2018, C-684/16 Max Planck- Gesellschaft).
5.Idem en HJvEU 6 november 2018, zaak C-619/16, ECLI:EU:C:2018:872 (Kreuziger).
6.Zie artikel 7:61 lid 2 BW Pro.
7.HR 12 september 2003,
8.Artikel 6:89 BW Pro en HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278.
9.Artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
10.Artikel 4:3 lid 1 van Pro de Arbeidstijdenwet
11.Randnummer 8 conclusie van antwoord in reconventie
12.Artikel 6:203 lid 1 BW Pro.
13.Artikel 6:203 lid 2 BW Pro.
14.Artikel 6:248 BW Pro.
15.Artikel 7:611 BW Pro.