ECLI:NL:RBGEL:2026:1227

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
ARN 23/2042, ARN 23/596, ARN 23/1091, ARN 24/4534 en ARN 24/4558
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 3.1 bestemmingsplanArt. 4.1 bestemmingsplanArt. 5.1 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten omgevingsvergunningen en handhavingsbesluit wegens onvoldoende motivering en belangenafweging

Eisers 1 en 2, buren met aangrenzende percelen, voeren beroep tegen het niet-handhavend optreden van het college Ermelo tegen het oneigenlijk gebruik van een in- en uitweg en tegen meerdere omgevingsvergunningen verleend aan eiser 2 voor gebruik van perceelstroken en expositieruimte in strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van eiser 2 bij voortzetting van het strijdige gebruik van de in- en uitweg zwaarder weegt dan het algemeen belang en het belang van eisers 1. Tevens heeft het college de samenhang tussen vergunningaanvragen en de gevolgen, zoals verkeersbewegingen, onvoldoende erkend en onvoldoende maatwerk geleverd bij de beoordeling.

Daarnaast is de formulering van de voorschriften bij de vergunning voor buurtactiviteiten onduidelijk en leidt tot rechtsonzekerheid. De beroepen van eisers 1 en 2 zijn gegrond, de bestreden besluiten worden vernietigd en het college wordt opgedragen nieuwe beslissingen te nemen. Tevens worden griffierechten en proceskosten aan eisers vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van het college Ermelo en draagt op tot nieuwe besluitvorming wegens onvoldoende motivering en gebrekkige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/2042, ARN 23/596, ARN 23/1091, ARN 24/4534 en ARN 24/4558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiseres], uit [plaats], eisers 1

(gemachtigde: mr. D.S. Muller),

[eiser 2], uit [plaats], eiser 2

(gemachtigde: R. Scholten).
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer).
Eisers 1 en eiser 2 nemen over en weer als derde-partij deel in de zaken die voorliggen.

Inleiding

1. Eisers 1 en eiser 2 zijn buren van elkaar. Zij hebben ieder een perceel in eigendom met daarop een woning en een bijgebouw. Tussen de woningen van eisers ligt een in- en uitweg om de eigen percelen te bereiken en als toegangsweg voor de bewoners van de achterliggende percelen.
1.1.
In 2017 is in het kader van een verzochte functiewijziging voor het perceel van eiser 2 een (postzegel)bestemmingsplan vastgesteld. Op basis van dat bestemmingsplan heeft eiser 2 daar een woning kunnen bouwen en is de bestaande opslagloods als expositieruimte ingericht en te bezoeken. Eisers 1 ervaren overlast van de toegenomen bedrijvigheid op het perceel van eiser 2 en het gebruik van de in- en uitweg dat daardoor is geïntensiveerd. Zij hebben daarom bij het college een handhavingsverzoek ingediend, dat door het college is afgewezen. Daarnaast zijn aan eiser 2 nog drie omgevingsvergunningen verleend: voor het gebruik van een perceelstrook als ‘tuin’, het gebruik van een deel van de expositieruimte als Bed & Breakfast (B&B) en het gebruik van een deel van de expositieruimte als ontmoetingsplek voor kleinschalige buurtactiviteiten. Omdat de bezwaren tegen zowel de afwijzing van het handhavingsverzoek als de omgevingsvergunningen door het college niet zijn gehonoreerd, liggen nu de volgende beroepsprocedures bij de rechtbank voor:
zaaknummer 23/2042: beroep eisers 1 tegen het besluit om niet handhavend op te treden tegen gebruik van de bestaande in- en uitweg voor bezoekers van de expositieruimte;
zaaknummer 23/596: beroep eisers 1 tegen de omgevingsvergunning voor het gebruik van een deel van het perceel als tuin;
zaaknummer 23/1091: beroep eisers 1 tegen de omgevingsvergunning voor het gebruik van een deel van de expositieruimte als B&B;
zaaknummers 24/4534 en 24/4558: beroep eiser 2 en beroep eisers 1 tegen de omgevingsvergunning voor het gebruik van de expositieruimte voor kleinschalige buurtactiviteiten.

Samenvatting

2. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers 1 om handhavend op te treden tegen het oneigenlijk gebruik van de bestaande in- en uitweg gelegen tussen de woningen van eisers en over de beroepen tegen de aan eiser 2 verleende omgevingsvergunningen voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een perceelstrook als ‘tuin’ en het gebruik van een deel van de expositieruimte achter de woning als B&B en als ontmoetingsplek voor buurtactiviteiten. Eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek en de verleende omgevingsvergunningen.
2.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het besluit om niet handhavend op te treden onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat ook de besluiten over de omgevingsvergunningen gebreken vertonen, onder meer omdat de belangenafweging niet compleet en inzichtelijk is geweest en de voorschriften zodanig onduidelijk zijn geformuleerd dat zij rechtsonzeker zijn. De beroepen van eisers 1 en van eiser 2 zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
2.2.
Omdat sprake is van meerdere besluiten die voorvloeien uit dezelfde planologische situatie en door dezelfde eisers bestreden worden, heeft de rechtbank ervoor gekozen om de beslissingen in de verschillende beroepsprocedures in één en dezelfde uitspraak op te nemen. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 4 is de planologische situatie die aan de verschillende zaken ten grondslag ligt weergegeven en de relevante toetsingskaders. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5, eerst voor het beroep over het handhavingsverzoek en daarna voor de beroepen tegen de verleende omgevingsvergunningen. Daarbij gaat de rechtbank per zaaknummer eerst in op de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank van de aangedragen beroepsgronden. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
2.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

Zaaknummer 23/2042
3. Eisers 1 hebben op 30 maart 2020 het college verzocht om handhavend op te treden tegen meerdere situaties op het perceel van eiser 2, waaronder het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de bestaande in- en uitweg om de expositieruimte achter de woning van eiser 2 te kunnen bereiken. [1]
3.1.
Het college heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 3 september 2020 afgewezen. Nadat het college met de beslissing van 16 maart 2021 op het bezwaar van eiser bij deze afwijzing is gebleven, heeft de rechtbank Gelderland in de uitspraak van 23 november 2022 [2] het beroep van eisers 1 gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
3.2.
In de nieuwe beslissing van 24 februari 2023 op het bezwaar van eisers 1 heeft het college het bezwaar voor zover het zich richt tegen het gebruik van de bestaande in- en uitweg gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Onder aanvulling van de motivering van het besluit is het college vervolgens wel bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven, omdat handhavend optreden in dit geval onevenredig zou zijn.
3.3.
Eisers 1 zijn hiertegen in beroep gekomen op 3 april 2023. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser 2 heeft ook gereageerd, door het indienen van aanvullende stukken.
Zaaknummer 23/596
3.4.
Op 10 mei 2022 heeft eiser 2 een (legaliserende) omgevingsvergunning aangevraagd om op het deel van het perceel ten westen van de woning in strijd met het bestemmingsplan tijdelijk als ‘tuin’ te mogen gebruiken. Het college heeft de vergunning verleend bij besluit van 27 juni 2022.
3.5.
Eisers 1 zijn het met deze beslissing niet eens en zijn in bezwaar gekomen. In het besluit van 22 december 2022 heeft het college het bezwaar van eisers 1 ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
3.6.
Eisers 1 zijn hiertegen in beroep gekomen op 23 januari 2023. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna hebben eisers 1 nog aanvullende stukken ingediend.
Zaaknummer 23/1091
3.7.
Eiser 2 heeft op 31 mei 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd om in afwijking van de bestemming in een deel van de expositieruimte een B&B met één kamer te runnen. Met het besluit van 16 augustus 2022 heeft het college de vergunning verleend.
3.8.
Eisers 1 zijn het met deze beslissing niet eens en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 19 januari 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
3.9.
Eisers 1 hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna hebben eisers 1 nog aanvullende stukken ingediend.
Zaaknummers 24/4534 & 24/4558
3.10.
Op 30 september 2022 heeft eiser 2 een omgevingsvergunning aangevraagd om in strijd met het bestemmingsplan een (ander) deel van de expositieruimte als ontmoetingsplek voor buurtactiviteiten te mogen gebruiken. Het college heeft de vergunning verleend bij besluit van 12 april 2023.
3.11.
Eisers 1 zijn het met deze beslissing niet eens en zijn in bezwaar gekomen. Het college heeft in het besluit van 23 mei 2024 het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit, onder aanvulling van de motivering en de voorschriften, in stand gelaten.
3.12.
Zowel eisers 1 als eiser 2 zijn in beroep gekomen tegen de beslissing op bewaar. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Daarna hebben eisers 1 nog aanvullende stukken ingediend.
Overzicht verloop van de verschillende procedures
3.13.
Hieronder zijn de relevante data van de verschillende aanvragen, besluiten en/of uitspraken van de rechtbank samengevat weergegeven.
Tabel 1 Overzicht data relevante besluiten per zaaknummer.
Handhaving
(23/2042)
Tuin
(23/596)
B&B
(23/1091)
Buurtactiviteiten
(24/4534 & 24/4558)
Aanvraag
30-03-2020
10-05-2022
31-05-2022
30-09-2022
Primair besluit
03-09-2020
27-06-2022
16-08-2022
12-04-2023
Beslissing op bezwaar (BOB)
16-03-2021
22-12-2022
19-01-2023
23-05-2024
Uitspraak rechtbank
23-11-2022
Nieuwe BOB
24-02-2023
Beroep
03-04-2023
23-01-2023
20-02-2023
08-07-2024 en 03-07-2024
3.14.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op de zitting van 24 september 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1, de gemachtigde van eisers 1, eiser 2, de gemachtigde van eiser 2 en de gemachtigde van het college samen met [persoon A], die bij de gemeente werkzaam is.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskaders
Wat is de planologische situatie?
4. Eisers 1 en eiser 2 wonen naast elkaar, aan de [locatie] nummer [nummer 1] respectievelijk [nummer 2] in [plaats]. [3] Op de perceelsgrens is de in- en uitweg gelegen, genaamd ‘[naam weg]’.
4.1.
Voor het perceel aan de [locatie] [nummer 2] geldt het (postzegel)bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan). Het inmiddels onherroepelijke bestemmingsplan is vanwege de bouw van de woning en het gewenste gebruik van de loods op het terrein, na overleg met eisers 1 en eiser 2 tot stand gekomen en vastgesteld op 9 november 2017. Uit dit bestemmingsplan blijkt dat het perceel
deels bestemd is voor ‘Cultuur en ontspanning’ (roze), deels voor ‘Wonen’ (geel) en deels voor ‘Tuin’ (groen). Zie de uitsnede van de plankaart
4.2.
Volgens artikel 3.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor 'Cultuur en Ontspanning' aangewezen gronden bestemd voor:
  • expositieruimte:
  • museum:
  • verkeersdoeleinden, te weten parkeervoorzieningen, toegangs- en ontsluitingswegen en -paden,
met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
4.3.
Volgens artikel 4.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Tuin’ aangewezen gronden bestemd voor:
tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
in- en uitritten;
ter plaatse van de aanduiding 'houtwal' is een bomengroep in de vorm van een houtwal/houtsingel toegestaan.
met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en erven en gebouwen ten dienste van de naastgelegen woonbestemming.
4.4.
Op grond van artikel 5.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor wonen aangewezen gronden bestemd voor:
a. wonen
b. tuinen
met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.
4.5.
Op grond van artikel 8.4 van de planregels van het bestemmingsplan is het gebruik op grond van de bestemmingsregels slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in de bijlage 2 Nota parkeernormen [plaats] behorende bij deze regels.
Beginselplicht tot handhaving
5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf geldt van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [4] Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
5.1.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
5.2.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [5]
Beleidsruimte omgevingsvergunningen
6. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [6]
Zaaknummer 23/2042
Waar gaat deze zaak over?
7. Eisers 1 hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen meerdere situaties op het perceel van eiser 2, waaronder het met het gewijzigde bestemmingsplan strijdige gebruik van de bestaande in- en uitweg aan de oostzijde van de woning van eiser 2.
7.1.
In de (nieuwe) beslissing op het bezwaar van eisers 1 heeft het college het bezwaar voor zover het zich richt tegen het gebruik van de bestaande in- en uitweg gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Onder aanvulling van de motivering van het besluit is het college vervolgens wel bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven, omdat handhavend optreden in dit geval onevenredig zou zijn. Eisers zijn het daar niet mee eens.
7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding [7] omdat een deel van het voor ‘Wonen’ bestemde perceel in strijd met het bestemmingsplan gebruikt wordt als in- en uitweg voor de achter de woning gelegen expositieruimte. De discussie gaat dus over de vraag of het college hier handhavend moet optreden of dat er bijzondere omstandigheden zijn om van handhaving af te zien.
Zijn er omstandigheden om van handhaving af te zien?
8. Het college stelt zich op het standpunt dat handhaving niet in redelijke verhouding staat tot de daarmee te dienen belangen. Volgens het college kan handhaving namelijk niet leiden tot het door eisers 1 beoogde doel, namelijk het wegnemen van de overlast die zij ervaren van dichtslaande deuren van auto’s die bij de expositieruimte zijn geparkeerd. Bovendien zou handhaving ertoe leiden dat de in- en uitweg niet meer als toegangsweg voor en door de bewoners van de achterliggende percelen kan worden gebruikt. Daarnaast was in de oude situatie, toen het bijgebouw nog dienst deed als opslagloods, ook al sprake van voertuigbewegingen en is van een toename daarvan niet gebleken. Tot slot wijst het college nog op de inspanningen die eiser 2 zou moeten leveren voor het realiseren van een in- en uitweg aan de westzijde van de woning, te meer omdat hij dit perceeldeel inmiddels als tuin heeft ingericht en vergund heeft gekregen. Tijdens de zitting heeft het college nog aanvullend gesteld dat de verkeerskundig adviseur van de gemeente een tweede in- en uitweg langs de westzijde van de woning ook niet wenselijk vindt.
8.1.
Eisers 1 betogen dat het college (ook) de nieuwe beslissing op bezwaar onzorgvuldig en onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voeren zij aan dat het college onterecht voorbij is gegaan aan de afspraken die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan zijn gemaakt, waaronder het realiseren van een afzonderlijke in- en uitweg voor de expositieruimte. Om dat mogelijk te maken is niet alleen het achterste deel van het perceel maar ook een perceelstrook aan de westzijde van de woning van eiser 2 bestemd als ‘Cultuur en ontspanning’. Op deze manier was het mogelijk om voor de nieuwe activiteiten te voorzien in een ontsluiting langs de westzijde van de woning. En juist daarom hebben eisers 1 ook geen bezwaar gemaakt tegen het nieuwe bestemmingsplan voor het perceel van eiser 2. Daarnaast brengen eisers 1 naar voren dat het college de overlast bagatelliseert tot het geluid van dichtslaande autodeuren. Volgens eisers 1 gaat het gebruik van de loods als expositieruimte en inmiddels ook als B&B en ontmoetingsplek echter gepaard met luidruchtiger gedrag van bezoekers en een toename van het aantal voertuigbewegingen. Tot slot brengen eisers 1 nog naar voren dat de belangen van derden, in dit geval de bewoners van de achterliggende percelen, geen rol dienen te spelen bij het besluit om niet handhavend op te treden. Het verzoek om handhaving ziet namelijk niet op die percelen. Bovendien kan de bestaande in- en uitweg op grond van het gebruiksovergangsrecht altijd door hen gebruikt blijven worden, omdat het gebruik al was toegestaan vóór de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
8.3.
Vast staat dat het gebruik van de huidige in- en uitweg naar het achterliggende perceeldeel van eiser 2 als overtreding kan worden bestempeld. Dat betekent dat in beginsel handhavend moet worden opgetreden. Om af te wijken van dit uitgangspunt, moet het college het algemeen belang van handhaving deugdelijk afwegen tegen de bijzondere omstandigheden van het concrete geval. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende (zorgvuldig) heeft gemotiveerd dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de belangen van eiser 2 bij voortzetting van het strijdige gebruik van de bestaande in- en uitweg als toegangsweg voor de expositieruimte zwaarder wegen dan het belang van eisers 1 bij de beëindiging ervan. De rechtbank legt hierna uit, hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
8.4.
De rechtbank overweegt dat het college een onjuist standpunt hanteert door te stellen dat handhavend optreden niet mogelijk is zonder het voor de bewoners van de achterliggende percelen onmogelijk te maken om via de bestaande in- en uitweg hun percelen te bereiken. Er bestaan zowel juridische als verkeerstechnische mogelijkheden op basis waarvan gebruikers en toegestaan gebruik van de bestaande in- en uitweg onderscheiden kunnen worden. Eisers 1 hebben daarbij terecht gewezen op het gebruiksovergangsrecht voor de bewoners van de achterliggende percelen, dat mogelijk van toepassing is. Dat bepaalt onder meer dat het gebruik van grond dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, tenzij dat gebruik al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. [8] Ook is het mogelijk om specifieke vervoersbewegingen te omschrijven in een handhavingsbesluit. Daarnaast zijn er ook verkeerstechnische middelen, zoals het plaatsen van relevante verkeersborden die duidelijk maken dat een in- en uitweg alleen voor specifieke gebruikers (‘aanwonenden’) ontsloten wordt. De rechtbank oordeelt dat het college heeft verzuimd om de verschillende mogelijkheden nader te onderzoeken en tegen het licht te houden.
8.5.
Daarnaast is onduidelijk (gebleven) of het realiseren van een in- en uitweg aan de westzijde van de woning nu wel of niet mogelijk zou zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de totstandkoming van het op het perceel van eiser 2 toegesneden bestemmingsplan naar aanleiding van de door eisers 1 ingediende zienswijze de keuze is gemaakt om de ontsluiting van de expositieruimte ten westen van de woning te laten plaatsvinden, via een afzonderlijke in- en uitweg. Als uitgangspunt heeft dus te gelden dat een ontsluiting op die plek ook vanuit verkeerskundig perspectief in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Niet in geschil is dat deze afzonderlijke in- en uitweg er niet is gekomen, maar onduidelijk is wat daar de achterliggende reden van is. Niet is komen vast te staan dat een afzonderlijke toegangsweg naar de expositieruimte en de B&B op die plek niet mogelijk is of zal kunnen zijn. Daarnaast heeft het college zijn toelichting op zitting, dat een verkeerskundig adviseur [9] het onwenselijk heeft gevonden om aan de westzijde van de woning van eiser 2 een in- en uitweg te realiseren, niet nader onderbouwd; althans dat advies is niet overgelegd. Die onwenselijkheid is op voorhand ook niet aannemelijk, omdat in de procedure tot wijziging van het bestemmingsplan voor het perceel van eiser 2 een toegangsweg op die plek door de planwetgever wel in overeenstemming is bevonden met een goede ruimtelijke ordening. Het is onduidelijk of de verkeerskundige dit uitgangspunt heeft betrokken in zijn beoordeling. Bovendien heeft het college op andere momenten en/of in andere zaken die spelen met betrekking tot deze percelen aangegeven een in- en uitweg aan de westzijde van de woning niet onmogelijk te vinden. De opmerking op de zitting dat het niet gebruikelijk is om twee in- en uitwegen in elkaars nabijheid te hebben, maakt nog niet dat het in deze situatie niet kan worden toegepast. Dit geldt te meer nu het aantal functies ter plaatse is toegenomen.
8.6.
Verder legt het college in het bestreden besluit de nadruk op de overlast die eisers ervaren van de dichtslaande deuren van auto’s op de parkeerplaats bij de expositieloods. Dat is echter niet de enige vorm van overlast die eisers 1 ervaren. Daarmee gaat het college onterecht voorbij aan wat eisers 1 naar voren brengen over het toegenomen aantal voertuigbewegingen over de bestaande in- en uitweg en het geluid dat de bezoekers van de expositieruimte zelf produceren. De bestemmingswijziging van het perceeldeel waar het bijgebouw staat, was bedoeld om andersoortige ontwikkelingen en activiteiten mogelijk te maken dan de opslagfunctie die het had. Het is daarom niet ondenkbaar dat sprake is van een toename van het aantal voertuigbewegingen in vergelijking met wat tot 2017, onder de toen geldende bestemming toegestaan of gebruikelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de effecten van deze nieuwe ontwikkelingen op het aantal verkeersbewegingen onvoldoende onderzocht of in kaart gebracht. De enkele verwijzing door het college naar de toelichting bij het bestemmingsplan waaruit blijkt dat per saldo het aantal vervoersbewegingen ten opzichte van de oude situatie niet is toegenomen, is daarvoor onvoldoende. Vooral omdat na de vaststelling van dat bestemmingsplan omgevingsvergunningen zijn verleend die het aanvullende gebruik van de expositieruimte als B&B en ontmoetingsplek voor buurtactiviteiten toestaan, en daarmee ook effect hebben op het aantal vervoersbewegingen van en naar de expositieruimte.
8.7.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college bij de belangenafweging van onjuiste uitgangspunten en aannames is uitgegaan, zonder nader onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden om de uitweg wel aan de voorgenomen westzijde van de woning van eiser 2 te realiseren. Het college heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat het de belangen van eiser 2 bij voortzetting van het strijdige gebruik van de bestaande in- en uitweg zwaarder mocht laten wegen dan het algemeen belang en het belang van eisers 1 bij de beëindiging ervan. Het betoog van eisers 1 slaagt.
8.8.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat in het bestemmingsplan een andere keuze is gemaakt, in die zin dat in de mogelijkheid voor een afzonderlijke toegangsweg naar de expositieruimte aan de westzijde van de woning van eiser 2 is voorzien. Het college heeft eerder ook toegezegd, en op zitting niet ontkend, daaraan te zullen meewerken. Omdat deze optie ook in de hiernavolgende zaaknummers nog steeds een rol speelt, is niet uitgesloten dat op termijn alsnog een toegangsweg op die plek wordt aangelegd. Dat zal gevolgen kunnen hebben voor het aantal verkeersbewegingen over de bestaande in- en uitweg en dus ook voor de uitkomst van deze beroepsprocedure.
Zaaknummers 23/596, 23/1091 en 24/4558
Heeft het college in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld?
9. Eisers 1 betogen dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de aangevraagde omgevingsvergunningen te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het college met deze omgevingsvergunningen afwijkt van de uitgangspunten die met eisers 1 ten tijde van de vaststelling van het (postzegel)bestemmingsplan zijn kortgesloten. Daarnaast brengen eisers 1 naar voren dat het college ten tijde van de procedure in 2017 ter wijziging van het bestemmingsplan, in reactie op de zienswijze van eisers 1 (van 17 juni 2017), heeft toegezegd dat binnen de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ overnachtingen of nevenactiviteiten niet zijn toegestaan. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen eisers 1 naar de Nota van zienswijzen bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] van juli 2017. Hieruit blijkt de volgende gemeentelijke reactie:
“Binnen de bestemming Cultuur en Ontspanning zijn de activiteiten museum en tentoonstelling mogelijk. Er zijn geen nevenactiviteiten opgenomen in de bestemming. Overnachtingen in de zin van pension of soortgelijke voorzieningen zijn niet toegestaan binnen deze bestemming. Evenmin bewoning van het gebouw binnen deze bestemming.”
Eisers 1 vinden dat zij er daarom op mochten vertrouwen dat het door eiser 2 verzochte gebruik, als B&B of ontmoetingsplek voor buurtactiviteiten, niet vergund zou worden.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
9.2.
Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel moet allereerst sprake zijn van een concrete toezegging die kan worden toegerekend aan het bestuursorgaan, waarop eisers redelijkerwijs mochten vertrouwen. [10] Van een concrete toezegging door het college is in dit geval geen sprake. De medewerking van het college aan de functiewijziging van het perceel van eiser 2 via een (postzegel)bestemmingsplan en de uitleg over de reikwijdte van die nieuwe functie in reactie op een zienswijze, kan niet als zodanig worden uitgelegd. Elke nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan wordt weer op zijn eigen merites beoordeeld. Dat het college bij de wijziging van het bestemmingsplan heeft verklaard dat voor overnachtingen of nevenactiviteiten geen mogelijkheid bestaat, ziet op de uitleg van de bestemming van de gronden en is dus geen toezegging dat dit in de toekomst nooit zal worden toegestaan.
Zaaknummer 23/596
Waar gaat deze zaak over?
10. Op 27 juni 2022 heeft het college aan eiser 2 een (legaliserende) omgevingsvergunning verleend [11] om het perceeldeel aan de westzijde van de woning in strijd met het bestemmingsplan tijdelijk als tuin te mogen inrichten en gebruiken.
10.1.
Eisers 1 zijn het met deze beslissing niet eens. Door het huidige gebruik als tuin toe te staan zal de komende tien jaar dan namelijk geen sprake hoeven zijn van het realiseren van de voorziene afzonderlijke toegangsweg naar de expositieruimte aan de achterzijde van de woning van eiser 2. Door de voortzetting en intensivering van het gebruik van de bestaande in- en uitweg vrezen eisers 1 voor achteruitgang van de kwaliteit van hun leefomgeving. In het bestreden besluit van 22 december 2022 heeft het college het bezwaar van eisers 1 ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning op basis van een goede ruimtelijke ordening in stand gelaten.
Grondslag voor de vergunning
11. De rechtbank stelt vast dat het college artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de uitwerking daarvan in gemeentelijke beleidsregels aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft gelegd. [12] Dit heeft het college gewijzigd door in de beslissing op bezwaar onderdeel 11 van artikel 4, van bijlage II van het Bor aan de tijdelijke vergunning ten grondslag te leggen.
Heeft het college haar bevoegdheid verkeerd gebruikt?
12. Eisers 1 betogen dat het college zijn bevoegdheid op een verkeerde manier gebruikt, door via een tijdelijke omgevingsvergunning mee te werken aan de wens van de derde-partij een definitieve situatie te bewerkstelligen.
12.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
12.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor de toepasbaarheid van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor uitsluitend vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Niet van belang is of het aannemelijk is dat de vergunde activiteit ook daadwerkelijk na 10 jaar zal worden beëindigd. [13] Hiervan uitgaande volgt de rechtbank het betoog van het college dat met het toestaan van de aanleg van de (moes)tuin geen onomkeerbare situatie is ontstaan die na 10 jaar niet hersteld zou kunnen worden. De moeite om het gebruik als (moes)tuin na 10 jaar ongedaan te maken is te overzien. Het betoog van eisers 1 slaagt dus niet.
Heeft het college zorgvuldig en voldoende gemotiveerd dat met het verlenen van de vergunning sprake is van een goede ruimtelijke ordening?
13. Eisers 1 betogen dat het college de beslissing op het bezwaar van eisers gebrekkig heeft geformuleerd. Daartoe voeren zij aan dat het college met deze beslissing in strijd handelt met de gedachte achter het bestemmingsplan. Door de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ door te trekken naar de perceelstrook aan de westzijde van de woning werd namelijk voorgesorteerd op de aanleg van een afzonderlijke in- en uitweg, bedoeld voor het kunnen bereiken van de expositieruimte. Door nu juist het gebruik van datzelfde perceeldeel als ‘tuin’ en daarmee de afwijking van het bestemmingsplan toe te staan, doorbreekt het college zijn commitment aan het bestemmingsplan en is van een goede ruimtelijke ordening geen sprake meer. Het leidt namelijk tot voortzetting en intensivering van het gebruik van de huidige in- en uitweg waardoor eisers 1 vrezen voor achteruitgang van de kwaliteit van hun leefomgeving.
13.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hij op de aanvraag heeft besloten met inachtneming van het wettelijk kader. De vergunning om het perceeldeel in afwijking van het bestemmingsplan als ‘tuin’ te mogen gebruiken is verleend binnen het wettelijk kader en met inachtneming van de beleidsregels. Volgens het college leidt het gebruik als ‘tuin’ niet tot een onevenredige aantasting van de elementen genoemd in artikel 3.2. van de beleidsregels. Er is daarom geen strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus het college.
13.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
13.3.
Op grond van artikel 3.4, onderdeel 11.3 van de beleidsregels moet voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4, onderdeel 11 van bijlage II van het Bor voor ander gebruik dan als paardenbak of ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren, maatwerk worden geleverd. Maar er moet wel altijd aan de algemene regels voor het gebruik van deze beleidsregels worden voldaan.
13.4.
Hieruit volgt dat er geen specifieke beleidsregels bestaan op basis waarvan het tijdelijke gebruik van de perceelstrook als ‘tuin’ (al dan niet met voorschriften) al dan niet vergund kan worden. Als hoofdregel geldt dat bij de vergunningverlening of weigering ervan maatwerk moet worden geleverd. Dat wil zeggen dat het college zijn eigen afwegingen moet maken en daarbij de concrete omstandigheden van het geval moet meewegen. Dat daarnaast ook aan de algemene beleidsregels van artikel 3.3. van de beleidsregels moet worden getoetst, maakt dit uitgangspunt niet anders. Juist niet omdat uit dit artikel volgt dat een aanvraag enkel in aanmerking komt voor ontheffing als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • het straat- en bebouwingsbeeld (ruimtelijke structuur van de omgeving);
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Uit het beleid volgt niet dat de vergunning moet worden verleend als de aantasting van de hiervoor genoemde elementen niet onevenredig wordt bevonden. Een aanvullende motivering op basis van de specifieke omstandigheden van het geval is daarvoor noodzakelijk.
13.5.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van het college van onvoldoende maatwerk getuigt. Het college heeft de aanvraag enkel getoetst aan de algemene gemeentelijke beleidsregels van artikel 3.3. en daarnaast in het kader van een goede ruimtelijke ordening de belangen in beperkte mate en binnen de kaders van deze specifieke vergunningaanvraag gewogen. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding voor een bredere afweging van de belangen dan door het college is gedaan. Daarvoor is van belang dat er in het bestemmingsplan bewust voor gekozen is om de perceelstrook aan de westzijde van de woning (ook) te bestemmen als ‘Cultuur en ontspanning’ om op die manier het realiseren van een in- en uitweg aan die kant van de woning te faciliteren. Niet in geschil is dat dit de uitkomst was van uitgebreid overleg van het college met eisers 1 en eiser 2. De oorspronkelijke gedachte was dat met het realiseren van een afzonderlijke in- en uitweg voor de expositieruimte de door eisers 1 ervaren overlast zou worden teruggedrongen. Met het vergunnen van het gebruik van de perceelstrook als ‘tuin’ wijkt het college daarvan af. In de wetenschap dat eiser 2 daarnaast ook nog vergunningen had aangevraagd voor het gebruik van een deel van de expositieruimte als B&B en als ontmoetingsplek voor kleinschalige buurtactiviteiten had een brede afweging van de belangen, beschouwd in samenhang met elkaar, voor de hand gelegen. Het college heeft dit onvoldoende onderkend en in dat kader de belangen niet kenbaar afgewogen; niet in het primaire besluit en ook niet in de beslissing op bezwaar.
13.6.
Een dergelijke afweging is daarnaast ook niet af te leiden uit de ruimtelijke onderbouwing die eiser 1 bij de vergunningaanvraag heeft ingediend:
“Het beoogde gebruik is niet in strijd met een deugdelijke ruimtelijke ordening. Ingeval van een deugdelijke belangenafweging (omwonenden, aanvrager en gemeente) dient te worden geconcludeerd dat het toestaan van de strook grond als 'tuin' geen nadelige gevolgen heeft.”
Pas als alle relevante feiten en omstandigheden inzichtelijk zijn (zoals bijvoorbeeld de haalbaarheid van een extra in- en uitweg of de mogelijkheden voor het beperkt ontsluiten van de bestaande in- en uitweg voor eisers 1 en eiser 2 en de bewoners van de achterliggende percelen) kunnen de belangen goed worden afgewogen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het college niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichting wat betreft de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en de vergunning dus niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De opmerking van het college dat de vergunning er niet aan in de weg staat dat eiser 2 alsnog een nieuwe in- en uitweg realiseert op de oorspronkelijk beoogde locatie, maakt deze conclusie niet anders. Met de huidige vergunning kan de grond namelijk anders gebruikt worden dan waarvoor het is bestemd, waardoor de ontsluiting op die plek moeilijker af te dwingen is.
13.7.
Ook de opmerking van het college dat de rechtbank terughoudend dient te toetsen of het college in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen, leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar is sprake van een beperkte afwijking van het bestemmingsplan, maar dat betekent niet dat de gevolgen ervan niet groot of zodanig gewogen moeten worden in een belangenafweging dat het toch zou kunnen leiden tot de weigering van een omgevingsvergunning.
Zaaknummer 23/1091
Waar gaat deze zaak over?
14. Op 16 augustus 2022 heeft het college aan eiser 2 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend [14] voor het realiseren en gebruiken van een deel van de expositieruimte in strijd met het bestemmingsplan, namelijk als B&B met één kamer, gelegen op de begane grond.
14.1.
Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Volgens het college is het bezwaar van eisers ongegrond, omdat de expositieruimte waar de B&B gerealiseerd wordt te beschouwen is als een bijbehorend bouwwerk dat op het zelfde perceel is gelegen als de woning van de derde-partij. Daarmee is de vereiste link met de hoofdactiviteit ‘wonen’ aanwezig en is aan de voorwaarden van de gestelde beleidsregels voldaan.
14.2.
Partijen zijn het erover eens dat de B&B op grond van de geldende bestemming niet is toegestaan. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het college een tijdelijke vergunning heeft kunnen verlenen om hiervan te mogen afwijken.
Grondslag voor de vergunning
15. De rechtbank stelt vast dat het college de tijdelijke vergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 9 van bijlage II van het Bor en de uitwerking daarvan in gemeentelijke beleidsregels [15] . Dit heeft het college gewijzigd door in de beslissing op bezwaar onderdeel 11 van artikel 4, van bijlage II van het Bor aan de tijdelijke vergunning ten grondslag te leggen.
Heeft het college zorgvuldig en voldoende gemotiveerd dat met het verlenen van de vergunning sprake is van een goede ruimtelijke ordening?
16. Eisers 1 betogen dat dat de vergunning niet had mogen worden verleend, omdat de B&B in strijd is met de gemeentelijke beleidsregels. Daartoe voeren zij aan dat de expositieruimte niet kan worden aangemerkt als een bijgebouw en dat het in functioneel opzicht niet ondergeschikt is aan de woning. Daarnaast betogen eisers 1 dat het college niet in redelijkheid tot vergunningverlening had kunnen overgaan omdat de komst van een B&B op die locatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
16.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag aan zowel de algemene beleidsregels als aan de specifieke beleidsregels met betrekking tot B&B’s voldoet. Nu ook sprake is van een goede ruimtelijke ordening, stelt het college bevoegd te zijn om de vergunning voor een periode van 10 jaar te verlenen.
16.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
16.3.
Uit wat de rechtbank hiervoor onder 15 heeft overwogen, volgt dat artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II, van het Bor niet aan het besluit ten grondslag ligt. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze bepaling ook niet aan het besluit ten grondslag worden gelegd, omdat op grond van artikel 4, onderdeel 9 van bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning kan worden verleend als het gaat om het gebruiken van bouwwerken, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. In deze zaak is een reguliere B&B (voor toeristen) beoogd die buiten de bebouwde kom is gelegen. Dit betekent ook dat de uitgewerkte beleidsregels voor artikel 4, onderdeel 9 voor B&B’s [16] in dit geval niet van toepassing zijn. Het college heeft hier dan ook onterecht aan getoetst en naar verwezen in zijn beslissing op bezwaar. [17] In plaats daarvan had het college, net als bij de omgevingsvergunning voor het gebruik van een deel van het perceel als ‘tuin’ (zie onder 11.4), maatwerk moeten leveren. Dat wil zeggen dat het college zijn eigen afwegingen moet maken en daarbij de concrete omstandigheden van het geval moet meewegen.
16.4.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van het college van onvoldoende maatwerk getuigt. Het college heeft de aanvraag enkel getoetst aan de algemene gemeentelijke beleidsregels van artikel 3.3. en daarnaast in het kader van een goede ruimtelijke ordening de belangen in beperkte mate en binnen de kaders van deze specifieke vergunningaanvraag gewogen. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding voor een bredere afweging van de belangen dan door het college is gedaan. Daarvoor is ook hier van belang dat er in het bestemmingsplan bewust voor gekozen is om de perceelstrook aan de westzijde van de woning (ook) te bestemmen als ‘Cultuur en ontspanning’ om op die manier het realiseren van een in- en uitweg aan die kant van de woning te faciliteren.
16.5.
De rechtbank stelt vast dat ook ten aanzien van het gebruik van de expositieruimte als B&B de effecten ervan op het aantal vervoersbewegingen en het geluid door de gemeente niet in kaart zijn gebracht. Ook is niet gebleken dat het college het ontbreken van een rechtmatige ontsluitingsweg voor de B&B, bij het besluit heeft betrokken. Gezien het bestaande bestemmingsplan, het nog lopende handhavingsverzoek en de effecten van de verlening van de omgevingsvergunning voor een B&B hierop, had het op de weg van het college gelegen om een bredere belangenafweging te maken. Het college heeft de samenhang van de verschillende verzoeken en vergunningaanvragen onvoldoende onderkend, of in ieder geval de daarmee gepaard gaande belangen niet kenbaar afgewogen. Daarnaast moeten alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging worden meegenomen. Pas als deze inzichtelijk zijn (zoals bijvoorbeeld de haalbaarheid van een extra in- en uitweg of de mogelijkheden voor het beperkt ontsluiten van de bestaande in- en uitweg voor eisers 1 en eiser 2 en de bewoners van de achterliggende percelen) kunnen de belangen goed worden afgewogen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat sprake is van een te beperkte belangenafweging. Het college heeft daarmee niet voldaan aan haar wettelijke verplichting wat betreft de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en heeft de vergunning dus niet in redelijkheid kunnen verlenen.
Zaaknummers 24/4534 & 24/4558
Waar gaan deze zaken over?
17. Op 12 april 2023 heeft het college aan eiser 2 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend om een deel van de expositieruimte in strijd met het bestemmingsplan tijdelijk als ontmoetingsplek voor buurtactiviteiten te mogen gebruiken. Daarvoor is toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo samen met artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Bor en de uitwerking daarvan in gemeentelijke beleidsregels .
17.1.
Eisers 1 zijn het met deze beslissing niet eens en zijn in bezwaar gekomen. Na een hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften heeft het college, in navolging van het advies van deze commissie, het bezwaar van eisers 1 in het besluit van 23 mei 2024 ongegrond verklaard en het bestreden besluit, onder aanvulling van de motivering en de voorschriften, in stand gelaten.
17.2.
Ter verduidelijking van de aard en omvang van de vergunde activiteiten heeft het college in de beslissing op bezwaar de aan de vergunning verbonden specifieke voorschriften aangescherpt en als volgt geformuleerd:
“Specifieke voorschriften
Dit besluit maakt het naast de oorspronkelijke activiteiten mogelijk om in de schuur de volgende activiteiten uit te voeren:
1.
Sjoelavonden voor buurtgenoten uit het buurtschap [naam buurtschap 1];
2.
Vieren van verjaardagen of jubilea van buurtgenoten uit het buurtschap [naam buurtschap 1]. Inhoudende dat de personen waarvan een verjaardag of jubilea wordt gevierd woonachtig moeten zijn binnen het buurtschap, de bezoekers hoeven dit niet te zijn;
3.
Een plek bieden voor de bijbelkring;.
4.
Het houden van vergaderingen van buurtgenoten uit het buurtschap [naam buurtschap 1] in verband met plannen die het buurtschap [naam buurtschap 1] aangaan;
5.
Schoolreünies voor buurtgenoten uit het buurtschap [naam buurtschap 1];
6.
Bingoavond voor buurtgenoten uit het buurtschap [naam buurtschap 1];
7.
De in lid 1, 4, 5 en 6 genoemde activiteiten zijn uitsluitend toegestaan voor het bezoek door mensen uit het buurtschap [naam buurtschap 1];
8.
De omgevingsvergunning is geldig voor 10 jaar ingaande op de dag van verzending van het primaire besluit met kenmerk [kenmerk];
9.
Na afloop van deze termijn komen de onder 1 t/m 6 genoemde functies te vervallen en dient de schuur weer gebruikt te worden conform het oorspronkelijke gebruik;
10.
Maandelijks mogen maximaal 10 activiteiten plaatsvinden die middels onderhavige vergunning mogelijk gemaakt worden. Daarbij mogen geen activiteiten plaatsvinden tussen 0:00 uur en 7:00 uur.”
17.3.
Zowel eisers 1 als eiser 2 zijn het niet eens met deze beslissing en zijn (los van elkaar) in beroep gekomen. Daarbij gaat het zowel om het toegestane gebruik van een deel van de expositieruimte als ontmoetingsplek voor buurtactiviteiten als de specifieke voorschriften die het college aan dat gebruik heeft verbonden.
Grondslag voor de vergunning
18. De rechtbank stelt vast dat het college ook deze tijdelijke vergunning in eerste instantie heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 9 en onderdeel 11, van bijlage II, van het Bor en de uitwerking daarvan in gemeentelijke beleidsregels [18] . In de beslissing op bezwaar heeft het college dit gewijzigd en enkel onderdeel 11, van artikel 4, van bijlage II, van het Bor aan de vergunningverlening ten grondslag gelegd.
Heeft het college zorgvuldig en voldoende gemotiveerd dat met het verlenen van de vergunning sprake is van een goede ruimtelijke ordening?
19. Eisers 1 betogen dat de vergunning in strijd met de beleidsregels en zonder de toepassing van maatwerk door het college is verleend. Daartoe voeren eisers 1 aan dat het verzochte gebruik van de expositieruimte van invloed is op de parkeerdruk en verkeersveiligheid in de directe omgeving. Daarnaast voorziet het gewenste gebruik ook niet in een behoefte, omdat er in de directe omgeving al twee ontmoetingscentra bestaan. Het is voor eisers niet duidelijk op basis van welke afwegingen het college concludeert dat een nadelig effect op de verkeersveiligheid niet te verwachten is en heeft besloten om de vergunning te verlenen.
19.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag aan de algemene beleidsregels voldoet. Volgens het college hebben eisers 1 niet onderbouwd dat sprake zou zijn van een onevenredige aantasting van de in artikel 3.2 van de beleidsregels genoemde criteria. Daarnaast zegt het college dat het door middel van het koppelen van voorschriften aan het toegestane gebruik van de expositieruimte het noodzakelijke maatwerk heeft geleverd.
19.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
19.3.
Eerder heeft de rechtbank onder 13.4 al overwogen dat in het verlengde van de toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II, van het Bor, op grond van de Beleidsregels maatwerk moet worden geleverd bij het besluit om de vergunning al dan niet te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dat miskend, door de aanvraag enkel te toetsen aan de algemene beleidsregels van artikel 3.3. Juist vanwege de specifieke omstandigheden in deze zaak, namelijk het ontbreken van een rechtmatige ontsluitingsweg, de al bekende problematiek rondom het handhavingsverzoek, de effecten daarvan op de bestaande in- en uitweg en de reeds door eisers 1 ervaren overlast, had het op de weg van het college gelegen om een bredere afweging van de betrokken belangen te maken. Door uitsluitend voorschriften te verbinden aan het gebruik van een deel van de expositieruimte voor buurtactiviteiten heeft het college geen maatwerk geleverd. Daarbij speelt mee dat het college niet is ingegaan op het betoog van eisers 1 dat er al een ontmoetingscentrum bestaat en dat van behoefte aan een tweede locatie niet gebleken is. Daarnaast zijn de (verwachte) effecten van het gewijzigde gebruik van de expositieruimte op bijvoorbeeld het aantal vervoersbewegingen en het geluid niet in kaart gebracht. Verder is onduidelijk of bij de beoordeling van de parkeerdruk rekening is gehouden met gelijktijdig gebruik van de beschikbare parkeerplaatsen in verband met andere activiteiten (zoals gebruik door B&B-gasten of museumbezoekers). Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het college zijn conclusie dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten van het gewenste gebruik onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee is het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen onvoldoende gemotiveerd en slaagt het betoog van eisers 1.
Zijn de voorschriften rechtmatig?
20. Eisers betogen dat de (in de beslissing op bezwaar herziene) formulering van de voorschriften leidt tot rechtsonzekerheid en onvoldoende bijdraagt aan een duidelijke afbakening van aard en omvang van de toegestane buurtactiviteiten. Voor eisers 1 is de formulering nog te ruim (op jaarbasis staat het college 120 bijeenkomsten toe) en te onduidelijk (zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de interpretatie van de sluitingstijden). Voor eiser 2 is de formulering juist te onduidelijk en te eng, omdat hij de expositieruimte ter beschikking wil stellen voor kleinschalige activiteiten gericht op de buurtschappen [naam buurtschap 2] en [naam buurtschap 1] en het college heeft besloten om de reikwijdte te beperken tot de bewoners van het buurtschap [naam buurtschap 1]. Daarmee wordt aan het doel van de activiteiten voorbij gegaan, aldus eiser
20.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de voorschriften duidelijk zijn. Daarnaast zegt het college te hebben voldaan aan het advies van de commissie om duidelijkheid te scheppen over de doelgroep van de buurtactiviteiten, door het buurtschap [naam buurtschap 1] als uitgangspunt te nemen. Dat eiser liever een ruimere doelgroep heeft mag zo zijn, maar maakt het besluit niet anders, aldus het college.
20.2.
Deze beroepsgrond van beide eisers slaagt.
20.3.
De rechtbank stelt vast dat het college een geografische beperking in de voorschriften heeft aangebracht [19] om de omvang van de activiteiten, in de zin van het aantal deelnemers, te beperken. Dat doel wordt echter niet bereikt, omdat deze beperking niet consequent is doorgevoerd. Zo geldt er namelijk geen geografische beperking voor de herkomst van bezoekers in het kader van de bijbelkring of het vieren van verjaardagen (zie de voorschriften 2 en 3). Bovendien is niet het onderscheid naar geografische herkomst maar het absolute aantal bezoekers of deelnemers relevant voor de omvang van een activiteit of deelnemersgroep. Daarnaast heeft het college het aantal activiteiten per maand tot 10 begrenst. Daarbij heeft het college op de zitting toegelicht dat uitgegaan wordt van een bepaalde differentiatie van activiteiten, in die zin dat het niet 10 verjaardagsfeesten per maand zijn, maar een combinatie van kleinschalige en grotere activiteiten. Omdat het college hier blijkbaar belang aan hecht, had het voor de hand gelegen om dit in de voorschriften zelf of als achterliggend uitgangspunt te verduidelijken. Dat heeft het college echter niet gedaan. Gelet op het voorgaande werken de gestelde voorschriften rechtsonzekerheid in de hand. De beroepsgronden van zowel eisers 1 als eiser 2 hiertegen slagen dus.

Conclusie en gevolgen

21. De conclusie van het voorgaande is dat de beroepen van eisers 1 (met zaaknummers 23/2042, 23/596, 23/1091 en 24/4558) tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek en de verleende omgevingsvergunningen gegrond zijn. Wat betreft het handhavingsverzoek heeft het college in het bestreden besluit namelijk onvoldoende gemotiveerd dat het de belangen van eiser 2 bij voortzetting van het strijdige gebruik van de bestaande in- en uitweg zwaarder mocht laten wegen dan het algemeen belang en het belang van eisers 1 bij de beëindiging ervan. In de bestreden besluiten over de omgevingsvergunningen heeft het college de samenhang van de vergunningaanvragen en de gevolgen ervan (voor onder meer het aantal verkeersbewegingen) niet erkend en daarbij onvoldoende maatwerk geleverd bij de beoordeling van de aanvragen. Om die reden hebben deze besluiten een motiveringsgebrek. Het college is er niet in geslaagd om deze gebreken met een mondelinge aanvulling of toelichting op zitting te repareren. Het beroep van eiser 2 (met zaaknummer 24/4534 ) tegen de omgevingsvergunning voor het gebruik van een deel van de expositieruimte als ontmoetingsplek is ook gegrond, omdat de formulering van de voorschriften niet tegemoetkomt aan het beoogde doel en rechtsonzekerheid in de hand werkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De reden daarvoor is dat het college nader onderzoek zal moeten doen en de zaken daarna opnieuw zal moeten beoordelen. Er zijn daarom verschillende uitkomsten mogelijk. Dat betekent dat de rechtbank de bestreden besluiten zal vernietigen en het college zal opdragen om in alle vijf de beroepsprocedures een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
21.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college in vier zaken het griffierecht aan eisers 1 en in één zaak het griffierecht aan eiser 2 vergoeden. Dat betekent voor eisers 1 een bedrag van in totaal € 739,- [20] en voor eiser 2 een bedrag van € 187,-. Eisers krijgen daarnaast ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor eisers 1 € 4.670,- omdat de gemachtigde van eisers 1 vier beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voor eiser 2 bedraagt deze vergoeding € 1.868,-vanwege de indiening van één beroepschrift en deelname aan de zitting door zijn gemachtigde. [21] Verder zijn er door eisers geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten;
  • draagt het college op om in alle zaken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college in vier zaken het griffierecht dat eisers 1 hebben betaald moet vergoeden, te weten € 739,-;
  • bepaalt dat het college in één zaak het griffierecht dat eiser 2 heeft betaald moet vergoeden; € 187,-;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 4.670,- aan proceskosten aan eisers 1;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser 2.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Besluit omgevingsrecht
Artikel 4, aanhef en onderdeel 9 en onderdeel 11
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;het straat- en bebouwingsbeeld (ruimtelijke structuur van de omgeving);
[…]
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo (versie 2017) gemeente Ermelo
3.3
Algemene beleidsregels
Voor de toepassing van de beleidsregels geldt de volgende algemene regel:
Burgemeester en wethouders verlenen enkel ontheffing indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld (ruimtelijke structuur van de omgeving);
de woonsituatie;
de verkeersveiligheid;
e sociale veiligheid;
de milieusituatie;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
In de onderbouwing bij van de omgevingsvergunning zullen deze aspecten kort worden toegelicht.
3.4
Specifieke beleidsregels
Per artikellid is eerst de wettekst vet weergegeven. Daarna staat per artikellid de toe te passen beleidsregel met vervolgens de toelichting. Voor het toepassen van deze regels wordt een verschil gemaakt voor het gebied van de gemeente Ermelo dat binnen de bebouwde kom ligt en voor het gebied buiten de bebouwde kom. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in bouwwerken bij woningen en bouwwerken bij overige gebouwen.
11.
Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
11.1
Beleidsregels voor een ander gebruik van gronden als paardenbak
[…]
11.2
Beleidsregels voor een ander gebruik van gronden ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren
[…]
11.3
Beleidsregels voor een ander gebruik van gronden of bouwwerken
Voor het toepassen van deze afwijkingsmogelijkheid voor ander gebruik dan hiervoor omschreven wordt maatwerk geleverd, omdat dit veel verschillende soorten aanvragen kunnen betreffen. Maar er moet altijd aan de algemene regels voor het gebruik van deze beleidsregels worden voldaan.
Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan]

Artikel 10.2 Overgangsrecht gebruik

Artikel 10.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Artikel 10.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 10 lid Pro 2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Artikel 10.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in artikel 10 lid Pro 2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
10.2.3.1 Uitzondering
artikel 10 lid Pro 2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Voetnoten

1.Het handhavingsverzoek ziet niet op het gebruik van de bestaande in- en uitweg door de bewoners van de achtergelegen percelen aan de [locatie] [nummer 3] en [nummer 4].
2.Zaaknummer ARN 21/2160.
3.Kadastraal bekend als gemeente Ermelo, sectie [sectie], nummers [perceel 1] en [perceel 2].
4.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
5.ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
6.Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.
7.In de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
8.Artikel 10.2.1 samen gelezen met artikel 10.2.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan.
9.In het kader van een later ingetrokken vergunningaanvraag.
10.Dit betreft de uitspraak ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694
11.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
12.’Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo’ van de gemeente Ermelo.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1007.
14.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo.
15.’Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo’ van de gemeente Ermelo.
16.Zie artikel 3.4, onderdeel 9.1 van de beleidsregels.
17.Dat betekent dat de rechtbank aan het betoog van eisers 1 dat de B&B niet aan de beleidsregels voldoet, voorbij kan gaan.
18.’Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o Wabo’ van de gemeente Ermelo.
19.Zie de voorschriften 1, 2, 4, 5, 6, en 7 behorende bij de omgevingsvergunning.
20.Drie keer € 184,- en één keer € 187,-.
21.Deze vergoedingen zijn berekend met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026.