ECLI:NL:RBGEL:2026:1398

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24_8969
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.26 WnbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 5.39 OmgevingswetArt. 8.104 Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 8.74t Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking jachtakte en weigering omgevingsvergunning onterecht wegens twijfel aan proces-verbaal

Eiser kreeg op 1 april 2023 een jachtakte die geldig was tot 31 maart 2024. Op 29 november 2023 voerde de politie een controle uit in een horecagelegenheid waar jagers aanwezig waren, waaronder eiser. Volgens het proces-verbaal lag het jachtgeweer van eiser onverpakt en open en bloot in een hoek van het café, wat leidde tot de intrekking van zijn jachtakte en de weigering van een omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteit.

Eiser betwistte de juistheid van het proces-verbaal en stelde dat zijn wapen in een gesloten wapenkoffer lag. Hij overlegde meerdere schriftelijke verklaringen van aanwezigen en getuigenverklaringen onder ede die dit bevestigden. De minister bleef vasthouden aan het proces-verbaal, dat op ambtsbelofte was opgesteld, en betwijfelde de onpartijdigheid van de getuigen.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende twijfel bestond over de juistheid van het proces-verbaal, mede door de gedetailleerde en consistente verklaringen van getuigen die dicht bij eiser zaten tijdens de controle. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het wapen onverpakt lag. De vrees voor misbruik was daarom niet gerechtvaardigd, en de intrekking van de jachtakte en weigering van de vergunning waren onterecht.

De rechtbank vernietigde het besluit van de korpschef en de minister, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de intrekking van de jachtakte en de weigering van de omgevingsvergunning wegens onvoldoende bewijs en twijfel aan het proces-verbaal.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8969

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. W.J. Liebrand),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. S. van Wielink).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de jachtakte van eiser en de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit te verlenen. Eiser is het hier niet mee eens en voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de jachtakte en de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de jachtakte van eiser niet mocht worden ingetrokken en de aanvraag om een omgevingsvergunning daarom ook niet mocht worden geweigerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 29 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken. Ook heeft de korpschef geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een jachtgeweeractiviteit.
2.1.
Met de beslissing van 31 oktober 2024 op het administratief beroep van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op het administratief beroep. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister samen met mr. I.M. Touwen.
2.4.
Op verzoek van eiser zijn [getuige 1] (getuige 1) en [getuige 2] (getuige 2) op de zitting als getuigen onder ede gehoord.
2.5.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld om foto’s in te dienen. Dit heeft eiser gedaan op 4 en 5 november 2025. Ook heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld na te gaan wanneer het proces-verbaal is opgemaakt en gewijzigd. De minister heeft dit gedaan op 3 november 2025.
2.6.
Partijen hebben niet gereageerd op de vraag of zij een nadere zitting willen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten op 15 januari 2026. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 1 april 2023 een jachtakte gekregen. [2] Deze jachtakte was geldig tot 31 maart 2024. [3]
3.1.
Op 29 november 2023 heeft de politie een melding gekregen dat een gezelschap jagers de horecagelegenheid [naam horecagelegenheid] in [plaats 2] (het café) binnen was gelopen. De jachtgeweren zijn daarbij ook mee naar binnen genomen. Een politieagent heeft daarop een controle uitgevoerd. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer [PV-nummer] (hierna: het proces-verbaal) blijkt dat verschillende jachtwapens verspreid lagen in het café. In de hoek van het café stond een onverpakt dubbelloops hagelgeweer. Dat wapen was van eiser. Het gaat om het merk Sauer, type Apollo en kaliber 12 met nummer [nummer].
3.2.
Op 19 januari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit voor de periode 2024-2025. [4]
3.3.
De korpschef heeft op 17 februari 2024 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte en de weigering van de omgevingsvergunning gestuurd naar eiser. Eiser heeft hierop zijn schriftelijke zienswijze kenbaar gemaakt met de brief van 2 maart 2024.
3.4.
Met het besluit van 29 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken [5] en geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een jachtgeweeractiviteit [6] , omdat er vrees voor misbruik is.
3.5.
Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland.
3.6.
Met de uitspraak van 5 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. [7]
3.7.
Met de beslissing van 31 oktober 2024 op het administratief beroep is de minister bij de intrekking van de jachtakte en de weigering van de omgevingsvergunning gebleven.
Mocht de minister uitgaan van het proces-verbaal?
4. Bij de beslissing op het administratief beroep heeft de minister zich gebaseerd op het proces-verbaal van de politieagent. Hieruit volgt dat de politieagent op 29 november 2023 om 12:32 uur een telefonische melding heeft gekregen dat er een jagersgezelschap het café binnen was gelopen. De politieagent is naar het café gereden. Voor het café zag de politieagent al verschillende jagersspullen liggen, zoals bemodderde laarzen, wandelstokken en groene jassen. Bij binnenkomst in het café zag de politieagent op verschillende plekken jachtgeweren staan. In een hoek van het café zag de politieagent als eerste onverpakt, en dus “open en bloot”, een dubbelloops hagelgeweer staan. Dit was volgens de politieagent het wapen van eiser.
4.1.
Eiser betoogt dat het proces-verbaal onjuist is. In het proces-verbaal staat vermeld dat de politieagent in de hoek van de horecagelegenheid als eerste een dubbelloops hagelgeweer zag staan dat onverpakt tegen de muur stond. Eiser betwist dit. Volgens eiser zat zijn wapen in de wapenkoffer en die stond op de grond onder de televisie. Dat is ook op de foto’s te zien die één van de aanwezigen heeft gemaakt. Op de foto’s is ook te zien dat het wapen niet “open en bloot” tegen de muur staat, zoals in het proces-verbaal wordt vermeld. De controle leek volgens eiser ook niet op een georganiseerde controle, want het onderzoek naar de wapens verliep chaotisch. Het is volgens eiser daarom mogelijk dat de politieagent zich bij het opstellen van het proces-verbaal heeft vergist. De politieagent heeft tijdens de controle aantekeningen gemaakt in een aantekeningenboek(je). De politieagent heeft in een klein notitieboekje het nummer van het wapen, de naam en de geboortedatum van eiser genoteerd. Dit heeft de politieagent ook verklaard bij de voorzieningenrechter. Tijdens die zitting heeft eiser het notitieboekje ingezien. In het notitieboekje staat niet vermeld of en hoe het wapen verpakt was. Dit heeft de politieagent later uit zijn geheugen toegevoegd. Dat kan volgens eiser niet betrouwbaar zijn. In eisers geval pakt dit onterecht uit, omdat eiser meent dat zijn wapen in een wapenkoffer verpakt zat. Uit een interne e-mail van de politieagent naar de korpschef noemt de politieagent de jagersgroep bovendien “boefjes”. Dit suggereert volgens eiser een bepaalde vooringenomenheid. Volgens eiser zijn er meerdere getuigen die kunnen bevestigen dat het wapen van eiser in een wapenkoffer zat. Bij zijn beroepschrift heeft eiser vijf schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die op dezelfde dag in het café aanwezig waren. Zij verklaren ieder dat het wapen van eiser in de wapenkoffer zat.
In de schriftelijke verklaring van [persoon A] staat:
“(…) Ik heb geconstateerd dat [eiser] zijn wapen in een koffer had die dicht bij zijn stoel lag. Dit is niet meer dan een meter geweest.
Ik heb gezien dat [eiser] desgevraagd de koffer pakte, opende en het wapen eruit haalde om te laten zien aan de aanwezige agent.”
In de schriftelijke verklaring van [getuige 1] staat:
“(…) Omdat de heer [eiser] tijdens de lunch rechts van mij zat heb ik gezien dat de heer [eiser] zijn jachtwapen bij zich had in een geweerkoffer (zwart plastic). Deze koffer stond binnen handbereik van de heer [eiser]. De omvang van de koffer is dusdanig dat het geweer alleen in de geweerkoffer kan worden geplaatst als het geweer uit elkaar is gehaald (drie delen: de kolf met bascule, de loop en het voorhout).
Op het moment dat de heer [eiser] zich diende te legitimeren en zijn wapen liet controleren door de verbalisant, zag ik dat de heer [eiser] zijn geweerkoffer opende om zijn geweer aan de verbalisant te tonen. (…)”
In de schriftelijke verklaring van [persoon B] staat:
“(…) Ik zat aan het eind van de jagerstafel tijdens de lunchpauze en kon jou goed zien zitten. Je had de geweerkoffer binnen een halve meter (schat ik in) naast je staan. (…) Toen hij aan jullie kant de controle deed heb ik jou je koffer zien pakken en deze heb je op de grond geopend waarna je hem het geweer in delen gepresenteerd hebt.”
In de schriftelijke verklaring van [persoon C] staat:
(…) ben ik gelijktijdig met [getuige 1], [getuige 2] en jou vanaf de auto’s de horecagelegenheid in gelopen. [getuige 2] en jij hadden jullie wapens in een geweerkoffer en [getuige 1] zijn geweer was opgeborgen in een geweerfoedraal.
Ik heb gezien dat jullie de koffers en foedraal met wapens in een hoek in de horecagelegenheid hebben geplaatst naast de tafel waar jullie zaten.
In jouw geval heb ik gezien dat je het wapen uit de geweerkoffer hebt gehaald en ter controle hebt aangeboden aan de controlerende politieagent (…).”
In de schriftelijke verklaring van [getuige 2] staat:
“(…) Tijdens de controle van de agent die als eerste [getuige 1] controleerde en als twee [eiser] die beiden rechts naast mij zaten aan tafel heb ik duidelijk kunnen zien dat [eiser] zijn wapen in zijn zwarte geweerkoffer bij zich had en deze stond schuin achter/naast hem op de grond onder het tv scherm naast hem. (…) Ik weet 100% zeker dat hij zijn koffer plat op de grond legde om te openen en het geweer zat in delen in zijn koffertje.”
4.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit wordt volgens de minister slechts anders als er tegenbewijs is. De minister stelt dat de getuigenverklaringen die door eiser overgelegd zijn, niet onpartijdig zijn. De betreffende personen maakten allen deel uit van het jachtgezelschap en hadden om die reden zelf een belang bij de verklaringen. De minister is het niet eens met het betoog van eiser dat het proces-verbaal onbetrouwbaar is, omdat de politieagent niet alles in zijn aantekeningenboek heeft opgeschreven. Volgens de minister is de politieagent een getrainde agent die vaker wapencontroles uitvoert. Hij is op deze melding afgestuurd en kwam dus ook niet onverwachts in deze situatie terecht. Ook als hij ter plaatse niet alles stap voor stap in zijn aantekeningenboek heeft opgeschreven, mag ervan worden uitgegaan dat hij door zijn training in staat is om de relevante details correct in een proces-verbaal van bevindingen uit te werken. Op de zitting van 17 juni 2024 bij de voorzieningenrechter heeft de politieagent bovendien verklaard dat hij het proces-verbaal direct na de controle heeft opgemaakt. Het tijdsverloop tussen de controle en het opmaken van het proces-verbaal is dus minimaal geweest. Verder stelt de minister dat op de foto’s ook niet is te zien dat het wapen van eiser in de wapenkoffer zat voorafgaand en tijdens de controle. Op de zitting van een andere jager bij de rechtbank Midden-Nederland zijn dezelfde foto’s getoond in dezelfde volgorde. Daar is verklaard dat eiser als eerste is gecontroleerd en dat van dit moment geen foto is genomen. De minister stelt zich daarom op het standpunt onvoldoende reden te hebben om te twijfelen aan het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover die bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van de betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [8]
4.4.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser overgelegde foto’s onvoldoende duidelijkheid bieden om vast te kunnen stellen dat het wapen van eiser gedurende de controle verpakt in de wapenkoffer zat. Uit het proces-verbaal volgt dat de politieagent eerst het wapen van eiser heeft gecontroleerd. Op de foto’s is weliswaar niet te zien dat er een wapen tegen de muur staat, maar uit de tijdscodes op de foto’s volgt dat de eerste foto’s zijn gemaakt bij de biljarttafel. [9] De foto’s van de hoek waar eiser zat, zijn pas daarna gemaakt. [10] Op basis daarvan kan de rechtbank niet vaststellen dat het wapen van eiser in de wapenkoffer zat op het moment van de controle. In zoverre slaagt het betoog niet.
4.5.
Op de zitting heeft de rechtbank twee getuigen, apart van elkaar, onder ede gehoord. Getuige 1 heeft verklaard dat hij aan dezelfde tafel zat als eiser en dat de wapenkoffer van eiser schuin achter eiser stond. Verder heeft getuige 1 verklaard dat eiser zijn wapenkoffer open heeft gemaakt om vervolgens het wapen te laten zien. Ook denkt getuige 1 dat het nummer van het wapen is gecontroleerd. Vervolgens ging de politieagent volgens getuige 1 verder naar de volgende persoon. Getuige 2 heeft verklaard dat hij naast eiser aan tafel zat. De wapenkoffer van eiser lag volgens getuige 2 binnen handbereik. Toen de politieagent bij hen kwam om te controleren, zag getuige 2 dat eiser de wapenkoffer openmaakte. Getuige 2 weet zeker dat het wapen van eiser in de wapenkoffer zat. Beide getuigen zijn ook bij hun schriftelijke verklaringen gebleven.
4.6.
De rechtbank oordeelt dat met de schriftelijke getuigenverklaringen en de getuigen die op de zitting onder ede zijn gehoord, voldoende twijfel bestaat over de juistheid van de bevindingen die in het proces-verbaal staan. De verklaringen zijn gedetailleerd en spreken elkaar niet tegen. Bovendien zaten getuigen 1 en 2 zodanig dicht bij eiser in de buurt op het moment van de controle, dat zij de controle goed hebben kunnen volgen. Dat de minister stelt dat degenen die een (schriftelijke) verklaring hebben afgegeven daar zelf een belang bij hebben volgt de rechtbank niet. Het is namelijk niet gebleken dat van hen ook de jachtakte is ingetrokken en dat daardoor voor hen van belang is dat het proces-verbaal wordt betwist. Bovendien hebben de twee getuigen die op de zitting onder ede zijn gehoord verklaard dat zij bekenden van elkaar zijn, maar geen vrienden. Op de vraag van de minister hoe goed getuige 1 eiser kent, antwoordde getuige 1:
“mijn echtgenoot ken ik goed. Ik heb vrienden. Reken ik hem tot mijn vaste vrienden? Nee. Ik heb hem enkele weken geleden voor het laatst gezien. Ik zie hem wel eens bij De Graafschap. We gaan niet vaak met elkaar om. We zijn geen hartsvrienden.”
Op dezelfde vraag antwoorde getuige 2:
“privé kennen we elkaar goed. Ik sta hier onder ede om op alles antwoord te geven. Ik heb daar geen belang bij.”.
4.7.
Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat er zodanige twijfel bestaat aan de juistheid van het proces-verbaal, dat deze niet aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kan worden gelegd. Daarmee is onvoldoende vast komen te staan dat het wapen van eiser onverpakt tegen de muur stond. De vrees voor misbruik kon daarom niet aan eiser worden verweten. Om die reden is er ook geen grond om de jachtakte in te trekken en de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
4.8.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank de beslissing op het administratief beroep vernietigt. Gelet op wat de rechtbank onder 4.7. heeft overwogen kon de minister niet tot de conclusie komen dat wapens en munitie niet langer aan eiser kunnen worden toevertrouwd. De jachtakte van eiser is ten onrechte ingetrokken en de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is ten onrechte geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank vernietigt de beslissing op het administratief beroep van 31 oktober 2024 en herroept het besluit van de korpschef van 29 maart 2024. Omdat de gevraagde omgevingsvergunning ziet op de periode 2024-2025 en deze periode al is verstreken, hoeft de korpschef niet opnieuw op de aanvraag te beslissen. De rechtbank bepaalt daarom dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. In administratief beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van administratief beroep en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op het administratief beroep van 31 oktober 2024;
- herroept het besluit van de korpschef van 29 maart 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt de minister op het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, en artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming (Wnb).
3.Op grond van artikel 2.5, tweede lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet geldt een jachtakte als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder a, van de Wnb als een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet.
4.Artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet.
5.Artikel 5.39 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.104, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
6.Artikel 8.74t, tweede lid, onder a, van het Bkl.
8.Uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2244, r.o. 4.2.
9.Tijdcodes van 13:00 uur tot 13:03 uur.
10.Tijdcodes van 13:09 tot 13:12.