ECLI:NL:RBGEL:2026:1544

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 530
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.37 Bouwbesluit 2012Art. 6.38 Bouwbesluit 2012Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlening omgevingsvergunning voor woningbouw ondanks bezwaren brandveiligheid

De zaak betreft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een levensloopbestendige woning met bijgebouw en het realiseren van een inrit op een perceel binnen de bebouwde kom. Eisers, wonend in de directe nabijheid, zijn het niet eens met dit besluit en voeren onder meer aan dat niet wordt voldaan aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 en dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering vanwege het ontbreken van een erfdienstbaarheid voor de toegangsweg.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat het oude recht van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat de privaatrechtelijke belemmering niet evident is, mede omdat inmiddels de benodigde erfdienstbaarheden zijn gevestigd en er intentieovereenkomsten zijn gesloten. Ten aanzien van de brandveiligheid concludeert de rechtbank dat het college op basis van advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid en eigen metingen heeft vastgesteld dat de verbindingsweg voldoet aan de vereiste breedte en dat de opstelplaats voor brandweerwagens adequaat is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het besluit van het college tot verlening van de omgevingsvergunning. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier J. van Oosterhout.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning is ongegrond verklaard en het college mocht de vergunning verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. L Gijsen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen

(gemachtigde: mr. J.W. Meelkop, F. van Gestel)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2](derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning met bijgebouw en het realiseren van een inrit. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 23 januari 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouw en het realiseren van een inrit. In de beslissing op bezwaar van 17 december 2024 is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en de derde-partij.
Plattegrond ter illustratie.

Totstandkoming bestreden besluit

3. Bij besluit van 2 maart 2023 heeft de raad het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan 1] ” (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de nieuwbouw van een levensloopbestendige woning op het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] in [plaats] . De woning is voorzien op gronden met onder meer de bestemming “Wonen” en de functieaanduiding “specifieke vorm van wonen, levensloopbestendige woning”. Op grond van het vorige bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan 2]” was de bouw van de levensloopbestendige woning op het perceel niet toegestaan. Het plangebied ligt net binnen de bebouwde kom, aan een doodlopende zijtak van de [locatie 1] . De noordzijde van het perceel grenst aan deze zijtak van de [locatie 1] . Aan de oostzijde van het perceel staat de huidige woning met huisnummer [huisnummer 1] . Deze woning krijgt het adres [locatie 2] [huisnummer 2b] . De voorziene woning wordt het nieuwe adres [locatie 1] [huisnummer 1] . De zuidzijde van het perceel grenst aan de tuin van [locatie 2] [huisnummer 2a] . De westzijde grenst aan de achtertuinen van [locatie 1] [huisnummer 3] tot en met [huisnummer 4] . Eisers wonen aan de [locatie 1] [huisnummer 3] , in de directe nabijheid van het perceel. Zij hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. In de uitspraak van 11 juni 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het beroep van eisers tegen het bestemmingsplan ongegrond verklaard. [1]
3.1.
Inmiddels had het college op 23 januari 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouw [2] , het afwijken van het bestemmingsplan wegens overschrijding van de toegestane bouwhoogte [3] en het realiseren van een inrit [4] op het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] te [plaats] . Eisers hebben tegen deze beslissing bezwaar gemaakt, omdat volgens hen niet wordt voldaan aan artikel 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit wat betreft de vereiste breedte van de verbindingsweg met de [locatie 2] en de eisen voor de opstelplaats. Ook stellen eisers dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, waardoor de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Een klein deel van de verbindingsweg loopt namelijk over het perceel van de bewoners van [locatie 2] [huisnummer 2] , met wie op dat moment nog geen afspraken waren gemaakt over de toegang.
3.2.
In afwijking van het advies van de commissie heeft het college bij de beslissing op bezwaar het besluit gehandhaafd om de omgevingsvergunning te verlenen. Het college stelt dat wordt voldaan aan artikel 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit en dat geen sprake meer is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

5. In de bijlage bij de uitspraak staan de voor deze uitspraak van belang zijnde artikelen uit het Bouwbesluit.
Privaatrechtelijke belemmeringen
6. Eisers stellen dat de noodzakelijke privaatrechtelijke toegang, die volgens het bestreden besluit en de onderliggende stukken moet worden verkregen om te kunnen voldoen aan de artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit 2012, op dit moment onvoldoende is gewaarborgd. In de eerste plaats moet daartoe een erfdienstbaarheid worden gevestigd op het deel van de toegangsweg dat over het perceel [locatie 2] [huisnummer 2] loopt. Zonder een dergelijke toestemming kan de toegangsweg niet worden gebruikt. Deze erfdienstbaarheid was ten tijde van het besluit nog niet gevestigd. Aangezien eisers geen mogelijkheden hebben om de vestiging daarvan af te dwingen, is volgens hen onvoldoende gewaarborgd dat daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van de toegangsweg richting de [locatie 2] en dat derhalve wordt voldaan aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012. Hetzelfde geldt voor het verkrijgen van toegang tot de percelen behorende bij [locatie 2] [huisnummer 2b] .
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is slechts sprake van een privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan in de weg staat indien deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om te beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoering van een activiteit in de weg staat. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering is pas sprake indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven. [5] Buiten beschouwing gelaten dat de vestiging van de benodigde erfdienstbaarheden inmiddels op 9 april 2025 heeft plaatsgevonden, was ook ten tijde van het besluit van 17 december 2024 geen sprake van een privaatrechtelijke belemmering die aan de vergunningverlening in de weg stond. De derde-partij had met de eigenaren van het perceel [locatie 2] [huisnummer 2b] reeds een intentieovereenkomst gesloten over de te vestigen erfdienstbaarheid en het verwijderen van de penanten. Met de eigenaren van [locatie 2] [huisnummer 2] was nog geen overeenkomst gesloten, maar niet is gebleken van een evidente privaatrechtelijke belemmering; er is immers niet gebleken dat de eigenaren van [locatie 2] [huisnummer 2] geen toestemming zouden geven.
Brandveiligheid
7. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning niet voldoet aan de artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit 2012. Zoals blijkt uit het advies van de Brandweer Gelderland-Zuid van 15 november 2024, en zoals ook door het college wordt bevestigd, moeten de aanwezige penanten worden verwijderd om een breedte van 4,5 meter te kunnen garanderen. Verder stellen eisers dat, ook wanneer deze maatregelen worden uitgevoerd, nog steeds sprake is van strijd met artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Eisers voeren aan dat nergens uit blijkt dat de brandweer de breedte van de weg daadwerkelijk heeft opgemeten; evenmin is eisers bekend dat het college in dit kader metingen heeft verricht. Tot op heden is volgens eisers onvoldoende vastgesteld dat de verbindingsweg zonder penanten minimaal 4,5 meter breed is. Daarnaast stellen eisers dat onvoldoende is gewaarborgd dat de doorgang vanaf de opstelplaats de minimale breedte van 4,5 meter heeft en dat deze in de toekomst niet zal worden geblokkeerd door een bouwwerk of erfafscheiding.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 juni 2025 geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene woning goed bereikbaar zal zijn voor hulpdiensten. [6] De gronden die eisers in deze procedure naar voren hebben gebracht geven geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Op grond van het Bouwbesluit moet de verbindingsweg een minimale breedte hebben van 4,5 meter en verhard zijn over een breedte van 3,25 meter. In reactie op het aangeleverde rapport “Beoordeling bereikbaarheid hulpdienstenverlening bouwplan [locatie 1] [huisnummer 1] te [plaats] ” heeft het college ook eigen metingen uitgevoerd. Uit deze metingen blijkt dat over de gehele lengte van de toegangsweg wordt voldaan aan de vereiste breedte; hierbij is gemeten van hek tot hek. Het college heeft op basis van het advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid en de zelf uitgevoerde metingen kunnen concluderen dat aan de vereiste breedte wordt voldaan. Dat de naastgelegen haag door het hek kan groeien, doet hier niet aan af, nu de haag regelmatig wordt gesnoeid waardoor een goede doorgang gewaarborgd blijft. Ten aanzien van hetgeen eisers aanvoeren over de opstelplaats voor de brandweer geldt dat op advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is voorzien in een opstelplaats op het perceel [locatie 2] [huisnummer 2b] . Hierdoor is de woning in geval van brand goed bereikbaar. Verder is op de situatietekening een doorgang tussen de percelen opgenomen, waarmee de doorgang is geborgd. Voor deze doorgang geldt, anders dan eisers stellen, geen eis van een minimale breedte van 4,5 meter.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Bouwbesluit 2012

Artikel 6.37. Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
-
3. Tenzij het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaalt heeft een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid:
a. een breedte van ten minste 4,5 meter;
b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;
c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter, en
d. een doeltreffende afwatering.
4. Een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte en breedte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5. Hekwerken die een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 6.38 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
- op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
- op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
- een lichte industriefunctie uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090, of
- indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen opstelplaatsen als bedoeld in het eerste lid vereist.
3. De afstand tussen een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 m.
4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen als bedoeld in het eerste lid is over de voorgeschreven hoogte en breedte als bedoeld in artikel 6.37, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5. Hekwerken die een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Voetnoten

2.Met toepassing van artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.Met toepassing van artikel 2.1, eerste lid en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° van de Wabo.
4.Met toepassing van artikel 2.2, eerste lid en onder e, van de Wabo.