Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1546

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24_6642 en AWB 25_1096
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a AwirArt. 8 lid 2 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen vennootschap tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting niet-ontvankelijk wegens ontbinding

Belanghebbende, een vennootschap die een discotheek exploiteerde, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2017 en 2018. De inspecteur legde aanslagen en belastingrente op nadat belanghebbende geen aangiften had ingediend. Belanghebbende was per 1 juli 2023 ontbonden zonder baten en uitgeschreven uit het handelsregister.

De rechtbank behandelde de beroepen tegen de navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen. De kernvraag was of de beroepen ontvankelijk waren, gelet op het feit dat de vennootschap was ontbonden en de beroepen niet namens een beroepsgerechtigde (zoals de vereffenaar of laatste bestuurder) waren ingediend.

De rechtbank oordeelde dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn omdat belanghebbende was opgehouden te bestaan en de gemachtigde niet optrad namens de vereffenaar of laatste bestuurder. Hierdoor kon belanghebbende geen rechtshandelingen meer verrichten. De rechtbank kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de navorderingsaanslagen.

De beroepen werden afgewezen zonder proceskostenvergoeding aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan door een meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Gelderland op 27 februari 2026.

Uitkomst: De beroepen van de ontbonden vennootschap tegen de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet namens een beroepsgerechtigde zijn ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/6642 en 25/1096

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 februari 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 april 2024 en 23 januari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 320.000 (2017) en € 495.982 (2018). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking € 22.480 (2017) en € 34.268 (2018) aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] ( [persoon A] ) en de gemachtigde. Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon G] . De zaken van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld met de zaak van [persoon A] (zaak 25/1109).
De rechtbank heeft de zitting geschorst en belanghebbende in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op een ter zitting door de inspecteur ingenomen standpunt. Belanghebbende heeft hiervan gebruik gemaakt en de inspecteur daarop schriftelijk gereageerd. Met instemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Feiten

1. Belanghebbende is opgericht op 30 augustus 2001 en zij exploiteerde een discotheek in [plaats] (de discotheek). Enig aandeelhouder van belanghebbende was [naam bedrijf].
2. Op 8 november 2017 heeft belanghebbende een koopovereenkomst gesloten met [persoon H] (de koper). Op grond van deze overeenkomst heeft belanghebbende aan koper de bedrijfsinventaris, goodwill, de handelsnaam en de domeinnaam van de discotheek verkocht. In 2018 heeft de levering daarvan plaatsgevonden.
3. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd een aangemaand tot het doen van aangifte Vpb voor het jaar 2017 en 2018. Belanghebbende heeft geen aangiften ingediend.
4. De inspecteur heeft voor de jaren 2017 en 2018 met dagtekening 16 maart 2019 (2017) en 29 februari 2020 (2018) ambtshalve aanslagen Vpb vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 0 (20217) en € 35.982 (2018) en daarbij verzuimboeten opgelegd van € 2.639.
5. De ambtshalve aanslagen zijn gericht aan belanghebbende en vermelden als adres [locatie] in [plaats] .
6. De inspecteur heeft bij brief van 31 januari 2023 bij het administratiekantoor van belanghebbende informatie opgevraagd voor de afhandeling van de aangifte Vpb voor het jaar 2019. De inspecteur is op dat moment bekend geraakt met de verkoop van de inventaris, goodwill, de handelsnaam en domeinnaam van de discotheek.
7. Naar aanleiding van deze informatie heeft de inspecteur met dagtekening 20 mei 2023 de navorderingsaanslag Vpb 2017 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 320.000.
8. De inspecteur heeft op 8 maart 2024 informatie opgevraagd bij Rabobank. Rabobank heeft bankgegevens van belanghebbende verstrekt. Naar aanleiding van deze informatie heeft de inspecteur met dagtekening 15 april 2024 de navorderingsaanslag Vpb 2018 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 495.982.
9. De navorderingsaanslag Vpb 2018 is op naam gesteld van belanghebbende en met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 bekend gemaakt. Bij brief van 3 april 2024 is [naam bedrijf] hiervan op de hoogte gesteld.
10. In het beroepschrift in zaak 24/6642 van 16 mei 2024 is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Door deze (…) stelt ondergetekende, zich namens [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , te dezer zake vertegenwoordigd door [gemachtigde] , verbonden aan [naam advocatenkantoor] , die door haar bepaaldelijk is gevolmachtigd dit beroepschrift in te dienen en voor hen te ondertekenen, beroep in tegen de beslissing op bezwaar d.d. 29 april 2024 (…)”
11. In het aanvullend beroepschrift van 15 oktober 2024 is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Thans wenst [belanghebbende] , hierna te noemen ‘ [belanghebbende] ’ de gronden waarop haar beroep d.d. 16 mei 2024 berust nader aan te vullen. [belanghebbende] is een besloten vennootschap die eerder vorig jaar is ontbonden, geliquideerd. Haar voormalig bestuurder woont in Ierland. (…)”
12. Bij het aanvullend beroepschrift heeft belanghebbende een uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende gevoegd. In het uittreksel is onder meer het volgende vermeld:
“Online inzage uittreksel - [belanghebbende] – [nummer]
(…)
Uitgeschreven uit het handelsregister per 25-07-2023
(…)
Op 25-07-2023 is geregistreerd dat de vestiging is opgeheven met ingang van 23-04-2018 . (…)”
13. In het beroepschrift in zaak 25/1096 van 3 maart 2025 is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Door deze (…) stelt ondergetekende, zich namens [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , te dezer zake vertegenwoordigd door [gemachtigde] , verbonden aan [naam advocatenkantoor] , die door haar bepaaldelijk is gevolmachtigd dit beroepschrift in te dienen en voor hen te ondertekenen, beroep in tegen de beslissing op bezwaar d.d. 23 januari 2025 (…)”
14. In het aanvullend beroepschrift van 2 april 2025 is onder meer het volgende vermeld:
“(…) [belanghebbende] , voorheen gevestigd te [plaats] (hierna te noemen ' [belanghebbende] ) en inmiddels in juli 2023 geliquideerd. De heer [persoon A] voormalig aandeelhouder en thans vereffenaar, wonende te Ierland kiest te dezer zake domicilie (…) ten kantore van [naam advocatenkantoor] , van wie [gemachtigde] ten deze tot advocaat wordt gesteld, en die als zodanig namens haar het onderhavig beroepschrift indient. (…)”
15. In het proces-verbaal van de zitting van 12 november 2025 is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Voorzitter:
Ik heb een inleidende vraag over de structuur en de machtiging. [persoon A] is 100% aandeelhouder van [naam bedrijf] en die is 100% aandeelhouder van [belanghebbende] . [belanghebbende] is geliquideerd en [persoon A] is de vereffenaar?
Gemachtigde:
Dat klopt.
Voorzitter:
Heeft er heropening plaatsgevonden?
Gemachtigde:
Nee.
Voorzitter:
[persoon A] was middellijk aandeelhouder van [belanghebbende] en vereffenaar. U bent advocaat. U staat [belanghebbende] en [persoon A] bij en staat ook de vereffenaar bij?
Gemachtigde:
Ik sta niet bij in de kwaliteit van de vereffenaar.
Voorzitter:
Ik las dat in een aanvullend stuk.
Gemachtigde:
Ik sta de vereffenaar niet bij. Ik sta [belanghebbende] en [persoon A] bij en niet de vereffenaar.
(…)”
16. In het dossier bevindt zich een ingevuld formulier van de Kamer van Koophandel (KvK) genaamd ‘17a Inschrijving. Ontbinding vennootschap, rechtspersoon of maatschap’. In het formulier wordt mededeling gedaan van de ontbinding van [belanghebbende] onder KvK-nummer [nummer] per 1 juli 2023. Het formulier is namens [naam bedrijf] , ondertekend door [persoon A] . In het formulier is ook vermeld dat het een ontbinding zonder baten betreft.
17. In het dossier bevindt zich ook een informatie van [website] met de volgende vermelding:
Datum Omschrijving
26-07-2023 Per 1-7-2023 liquidatie beëindigd. Per 25-7-2023 is de rechtspersoon uitgeschreven wegens Geen bekende baten meer aanwezig bij rechtspersoon.
Daarbij is een uittreksel uit het handelsregister gevoegd van 27 juli 2022 waarin [naam bedrijf] als bestuurder van belanghebbende is vermeld.

Beoordeling door de rechtbank

18. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
19. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:
  • Zijn de bezwaren tegen de verzuimboeten terecht niet-ontvankelijk verklaard?
  • Zijn de navorderingsaanslagen buiten de termijn opgelegd?
  • Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan?
  • Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?
  • Aan welk jaar moet de winst van de verkoop van de discotheek worden toegerekend?
  • Is sprake van een redelijke schatting?
  • Is de belastingrente juist berekend?
  • Zijn de verzuimboeten terecht opgelegd?
20. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaken, dient te worden beoordeeld of de beroepen ontvankelijk zijn.
21. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn en komt daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling toe
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De ontvankelijkheid van de beroepen
22. De inspecteur heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat deze niet zijn ingesteld door een beroepsgerechtigde.
23. De rechtbank heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld op deze nieuwe stelling schriftelijk te reageren. En de gemachtigde heeft hier ook gebruik van gemaakt. Daar komt bij dat de rechter ambtshalve dient te beoordelen of het bezwaar en beroep is ingesteld door degene die daartoe gerechtigd is. [1] Anders dan de gemachtigde heeft gesteld, is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen daarom niet in strijd met de goede procesorde.
24. Op grond van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan – voor zover voor deze zaak relevant - het beroep slechts worden ingesteld door (i) de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd of degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt of (ii) de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar in geval van een belastingaanslag die is vastgesteld met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (IW) aan een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan.
25. Gelet op de overgelegde uittreksels uit het handelsregister, het KvK-formulier 17A, de vermeldingen van de gemachtigde in de beroepschriften en hetgeen de gemachtigde ter zitting heeft gesteld, stelt de rechtbank vast dat belanghebbende is ontbonden bij gebrek aan baten en daarmee opgehouden is te bestaan. Voor zover de gemachtigde heeft bedoeld te stellen dat belanghebbende niet is opgehouden te bestaan, faalt deze stelling.
26. De navorderingsaanslag Vpb 2017 heeft een dagtekening 20 mei 2023 en is dus vastgesteld voordat belanghebbende is ontbonden. De gemachtigde heeft bij brief van 26 mei 2023 namens belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 30 mei 2023 door de inspecteur ontvangen. De gemachtigde heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroepschrift is op 22 mei 2024 door de rechtbank ontvangen. Op dat moment was belanghebbende echter opgehouden te bestaan en zij kon daarom geen rechtshandelingen meer verrichten.
27. In een arrest van 19 september 2003 [2] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de termijn voor het indienen van een bezwaar tegen een aanslag die is vastgesteld nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan pas begint nadat die vereffening is heropend en de aanslag aan de vereffenaar bekend is gemaakt. Indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, moet niet-ontvankelijkverklaring (wegens een prematuur bezwaar) achterwege blijven. Deze regel heeft ook te gelden ten aanzien van een beroep tegen de belastingaanslagen die op naam van een ontbonden vennootschap zijn gesteld. [3]
28. De gemachtigde heeft zich echter op de zitting desgevraagd nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat hij niet de (voormalig) vereffenaar bijstaat. In de schriftelijke reactie op het schorsingsbesluit is de gemachtigde daar niet op teruggekomen. Dit brengt met zich dat de gemachtigde het beroep tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 niet namens de (voormalig) vereffenaar heeft ingediend.
29. De navorderingsaanslag Vpb 2018 is met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de IW bekend gemaakt, nadat belanghebbende is opgehouden te bestaan. Dit brengt mee dat beroepsgerechtigd zijn de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar van belanghebbende. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de gemachtigde het beroep niet ingediend namens de vereffenaar. De laatste bestuurder en aandeelhouder van belanghebbende is volgens de gegevens in het dossier [naam bedrijf] De gemachtigde heeft geen stukken overgelegd die betrekking hebben op die vennootschap. De gemachtigde heeft ook niet gesteld dat hij optreedt namens deze vennootschap of namens een rechtsgeldige vertegenwoordiger van deze vennootschap.
30. De gemachtigde heeft in zijn schriftelijk reactie na de zitting het volgende geschreven:
“De bestuurder, in dit geval [persoon A] , blijft in die situatie als laatste functionaris bevoegd om namens de vennootschap te handelen”. De rechtbank kan op grond van de overgelegde informatie echter niet vaststellen dat [persoon A] de laatste bestuurder is van belanghebbende. Het had op de weg van de gemachtigde gelegen om hier duidelijkheid in te verschaffen.
31. De beroepen zijn daarom niet namens een beroepsgerechtigde ingediend en zijn daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

32. Gelet op het voorgaande moeten de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard. De zaken worden niet inhoudelijk behandeld. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 27 februari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080.
2.Hoge Raad 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288.
3.Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:542.