Beoordeling door de rechtbank
16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de belastingrentebeschikking terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
17. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:
- Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
- Is de navorderingsaanslag buiten de termijn opgelegd?
- Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan?
- Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?
- Woont belanghebbende heel 2018 in Nederland?
- Is het beroep tegen de bij de aanslag IB/PVV 2018 opgelegde verzuimboete ontvankelijk?
- Is de belastingrente terecht en niet te hoog vastgesteld?
18. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
19. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur een digitaal dossier heeft overgelegd, maar dat het niet mogelijk is voor belanghebbende om dit dossier naar behoren in te zien.
20. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende heeft niet nader concreet gemaakt welke stukken niet zouden zijn overgelegd. De gemachtigde heeft vrijwillig ervoor gekozen om digitaal te procederen. Dit brengt met zich dat de op de zaak betrekking stukken via het digitale systeem beschikbaar komen van de gemachtigde. Het ligt vervolgens op de weg van de gemachtigde om ervoor zorg te dragen dat, indien gewenst, belanghebbende ook inzage krijgt in de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Is de navorderingsaanslag buiten de termijn opgelegd?
21. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag buiten de termijn is opgelegd. Hij voert daarvoor aan dat niet op zijn verzoek uitstel is verleend voor het doen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018. Het administratiekantoor [naam administratiekantoor] (het administratiekantoor) geeft aan in 2018 niet voor belanghebbende te hebben gewerkt en in die hoedanigheid dus ook geen uitstel heeft kunnen aanvragen. Het administratiekantoor heeft in opdracht van de dochter van belanghebbende werkzaamheden verricht, maar dus ten onrechte. Belanghebbende heeft het administratiekantoor hier op aangesproken. De aanmaningen zijn ten onrechte naar het administratiekantoor gestuurd.
22. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag binnen de termijn is opgelegd, omdat op verzoek uitstel is verleend. Het administratiekantoor heeft voor de jaren 2016, 2017 en 2018 werkzaamheden verricht waaruit een volmacht blijkt. Anders is in ieder geval de schijn van vertegenwoordiging gewekt. Het uitstel is ook kenbaar verleend, zoals opgenomen in de herinneringsbrief.
23. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd.Het gaat om de duur van het verleende uitstel, niet om de duur van het uitstel dat de belastingplichtige daadwerkelijk heeft genoten.Dat de inspecteur uitstel heeft verleend en voor welke periode, moet voor de belastingplichtige duidelijk kenbaar zijn.Indien een belastingplichtige aan een belastingconsulent de opdracht verstrekt om een belastingaangifte te verzorgen, dan impliceert dat een volmacht om, zo de consulent dat dienstig oordeelt, uitstel voor de indiening van die aangifte te vragen.
24. Het administratiekantoor heeft namens belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend voor de jaren 2016 en 2017. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 is ingediend op 30 januari 2018, die voor het jaar 2017 is ingediend op 14 november 2019. Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat het administratiekantoor ten tijde van het indienen van het uitstelverzoek op 26 maart 2019 een volmacht had voor het indienen van aangiften IB/PVV van belanghebbende, ook voor het jaar 2018, en dus impliciet ook voor het verzoeken om uitstel. Belanghebbende heeft niets concreet naar voren gebracht op grond waarvan anders moet worden geoordeeld; de loutere ontkenning dat een dergelijke volmacht is verleend, is daarvoor onvoldoende.
Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan?
25. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit, omdat in 2017 al bekend was dat de onderneming was verkocht en een koopovereenkomst was gesloten.
26. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit, omdat hij na het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2018 de beschikking heeft gekregen over de informatie waaruit volgt dat de BV in 2018 betalingen heeft gedaan aan belanghebbende. Deze informatie was de inspecteur niet bekend en had ook niet redelijkerwijs bekend kunnen zijn. Ook is sprake van kwade trouw, omdat belanghebbende geen aangifte heeft ingediend, alhoewel hij daartoe wel was verplicht.
27. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (ambtelijk verzuim), kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.Het ligt in beginsel op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw.
28. De inspecteur is in 2024 ervan op de hoogte gesteld door de inspecteur van de BV, dat contante betalingen hadden plaatsgevonden door de BV aan belanghebbende. Deze informatie was de inspecteur niet eerder bekend en is aan te merken als het nieuwe feit op grond waarvan de inspecteur bevoegd was na te vorderen. De inspecteur was ook niet verplicht om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 het dossier van de BV te raadplegen. Niet gesteld of gebleken is dat de gegevens in het dossier van belanghebbende aanleiding gaven om het dossier van de BV te raadplegen.
29. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende, alhoewel daartoe uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte heeft ingediend. De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat belanghebbende tot emigratiedatum 26 juni 2018 in Nederland woonde en dus binnenlands belastingplichtig was. Mocht belanghebbende niet in Nederland woonachtig zijn, dan is Nederland op basis van artikel 10, tweede lid, van het verdrag tussen het koninkrijk der Nederland en Ierland toch bevoegd om 15% te heffen op de winstuitdeling.
30. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij heel 2018 in Ierland woonachtig was. Hij had in het eerste half jaar van 2018 nog geen eigen woning in Ierland en hij heeft toen deels bij zijn ex-partner gewoond. Belanghebbende wijst in dat verband op een jaaropgaaf uit 2018 en bankafschriften van een Ierse bankrekening.
31. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan dient het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Van het niet doen van de vereiste aangifte is onder meer sprake indien de betrokkene is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de betrokkene de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.
32. De inspecteur heeft diverse uitdraaien van de systemen van de Belastingdienst overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 te doen. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte IB/PVV te doen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit het geval is.
33. Belanghebbende heeft echter geen aangifte IB/PVV 2018 ingediend en daarom heeft hij de vereiste aangifte niet gedaan. Daarom moet belanghebbende overtuigend bewijzen dat de aanslag te hoog is vastgesteld (omkering en verzwaring van de bewijslast). De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet om de navorderingsaanslagen in redelijkheid, en dus niet naar willekeur, vast te stellen.
34. Gelet op de vermeldingen in de Brp mocht de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat belanghebbende, tot aan de uitschrijving per 25 juni 2018, in Nederland woonachtig was. De inspecteur is voor de hoogte van de aanslag uitgegaan van betalingen die zijn vermeld op de bankafschriften van de BV. Hij mocht zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat hierbij sprake was van een onttrekking. De inspecteur heeft de aanslag daarom in redelijkheid vastgesteld.
35. Belanghebbende heeft gesteld dat hij heel 2018 buiten Nederland woonachtig was. Omdat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, moet belanghebbende overtuigend aantonen dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat zijn woonplaats niet in Nederland is gelegen. Belanghebbende is daar echter niet in geslaagd. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is daarvoor onvoldoende. Op grond hiervan is niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende vóór 25 juni 2018 niet meer in Nederland woonde. Belanghebbende heeft verder niet betwist dat sprake is van een onttrekking en hij heeft ook de hoogte van de navorderingsaanslag niet betwist.
36. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat navorderingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld.
37. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen verzuimboete kon worden opgelegd.
38. De rechtbank stelt vast dat de verzuimboete is opgelegd bij de primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 en geen onderdeel uitmaakt van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018. Belanghebbende heeft ook tegen de aanslag IB/PVV 2018 een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift (ook) als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt en het verzoek afgewezen. Dit neemt niet weg dat de inspecteur op het bezwaarschrift dient te beslissen. De inspecteur heeft echter nog niet beslist op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 en dus ook nog niet beslist op het bezwaar (ontvangen door de inspecteur op 5 januari 2022) tegen de verzuimboete. Het beroep van belanghebbende kan niet worden opgevat als een beroep tegen het niet of niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift voor zover het gericht was tegen de bij de primitieve aanslag IB/PVV 2018. Voor zover het beroep is gericht tegen de verzuimboete, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan.
39. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet inzichtelijk is hoe de belastingrente is berekend. Belanghebbende heeft geen vertraging veroorzaakt.
40. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belastingrente juist is berekend conform de wettelijke bepalingen.
41. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de belastingrente heeft berekend conform de wettelijke bepalingen en ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden de belastingrente te verminderen.
42. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.
43. De rechtbank wijst het verzoek af omdat de redelijke termijn van twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 op de datum van deze uitspraak nog niet is verstreken.