ECLI:NL:RBGEL:2026:1695

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/3569
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.22 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.1 WaboArt. 3.6.3 planregelsArt. 4.23 Iow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning zorgboerderij met verkeers- en geluidsoverlast

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede om een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghouder voor het gebruik van een perceel als zorgboerderij met diverse activiteiten. Eiser woont naast het perceel en vordert handhaving tegen activiteiten die volgens hem in strijd zijn met het bestemmingsplan en leiden tot overlast.

De rechtbank beoordeelt het overgangsrecht van de Omgevingswet en stelt vast dat de oude Wabo-regels van toepassing zijn. De beroepsgronden van eiser richten zich op de vergunningvoorschriften, de ruimtelijke ordening, de cultuurhistorische landschapswaarde, detailhandel, geluidsoverlast, het gebruik van gebouwen, activiteiten buiten gebouwen en de verkeersaantrekkende werking.

De rechtbank oordeelt dat de voorschriften niet in strijd zijn met artikel 2.22 Wabo en dat de vergunning geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische landschapswaarde veroorzaakt. De verkoop van streekproducten binnen een beperkte ruimte is toegestaan en geen detailhandel in strijd met het bestemmingsplan. Geluidsoverlast is onvoldoende onderbouwd en het akoestisch onderzoek ondersteunt het college. Het gebruik van gebouwen is legaal en het college heeft ten onrechte gesteld dat niet-agrarische activiteiten uitsluitend binnen gebouwen plaatsvinden, maar dit wordt gepasseerd.

De rechtbank stelt vast dat het college onvoldoende heeft beoordeeld of het verkeer via een tussenroute langs de woning van eiser leidt, wat mogelijk onaanvaardbare overlast veroorzaakt. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en voegt de rechtbank een voorschrift toe dat bezoekers geen gebruik mogen maken van deze tussenroute. Hiermee blijft de vergunning in stand en mag vergunninghouder de activiteiten voortzetten. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en een voorschrift toegevoegd dat bezoekers geen gebruik mogen maken van de tussenroute, waardoor de vergunninghouder de activiteiten mag voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3569

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Patandin),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college

(gemachtigden: A.G.J. Polman en mr. R. Wassenaar),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats], vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. Met het bestreden besluit zijn de besluiten van 19 februari 2021 en 9 juni 2021 in stand gelaten.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van vergunninghouder en [persoon A] namens vergunninghouder.

Procesverloop

2. Op 9 september 2020 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend. Hierin heeft eiser verzocht om handhavend op te treden tegen vergunninghouder, omdat vergunninghouder activiteiten uitvoert zonder omgevingsvergunning, zoals het in gebruik hebben van een zorgboerderij en activiteiten die geen verband houden met de zorgboerderij
zoals het houden van bruiloften en familiedagen.
2.1.
De zorgboerderij van vergunninghouder ligt op het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] in [plaats] (het perceel) en ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Agrarisch Buitengebied Ede 2012' (het bestemmingsplan). De bestemming ter plaatse is 'Agrarisch' en verder heeft het perceel onder meer de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorische Landschapswaarde’. Eiser is eigenaar van de woning op het perceel [locatie 1] [huisnummer 2] in [plaats]. Het perceel van eiser ligt naast het perceel van vergunninghouder.
2.2.
Op 19 februari 2021 heeft het college besloten op het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is door het college in kennis gesteld dat er verschillende activiteiten op het perceel plaatsvonden in strijd met het bestemmingsplan, maar dat de meeste van deze activiteiten zijn gestaakt en daarom het college hiertegen niet handhavend zal optreden. Alleen de horeca-activiteit in samenhang met de zorgboerderij en de boerderijwinkel zijn niet gestaakt en daarom gaat het college hiertegen handhavend optreden. Hiermee heeft het college het handhavingsverzoek gedeeltelijk geweigerd.
2.3.
Op 19 februari 2021 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghouder (het handhavingsbesluit). Hierin heeft het college vergunninghouder gelast dat zij de horeca-activiteit in samenhang met de zorgboerderij en de boerderijwinkel moet beëindigen en beëindigd moet houden.
2.4.
Op 4 maart 2021 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van bovenstaande overtreding. Vergunninghouder heeft het volgende aangevraagd: het in werking hebben van een kwekerij/zorgboerderij met de volgende activiteiten:
  • dagbesteding voor mensen met een beperking in de vorm van een zorgboerderij;
  • verkoopruimte t.b.v. verkoop spreekproducten;
  • diverse werkruimtes;
  • het kweken en telen van aardbeien en diverse (zacht) fruitsoorten met de daarbij behorende pluktuin;
  • parkeren ten behoeve van bezoekers van de zorgboerderij;
  • theeschenkerij als activiteit van de dagbesteding;
  • het organiseren van high-tea en vergaderingen als activiteit van de dagbesteding;
  • het organiseren van een educatieve speurtocht in de fruithof.
2.5.
Op 1 april 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het handhavingsbesluit.
2.6.
Op 9 juni 2021 heeft het college vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met de regels van
ruimtelijke ordening'. [1] Deze activiteiten vallen uiteen in (de vergunde activiteiten):
- Het exploiteren van een zorgboerderij/kwekerij:
  • met dagbesteding voor mensen met een beperking in de vorm van een zorgboerderij;
  • met verkoopruimte t.b.v. verkoop streekproducten;
  • met diverse werkruimtes;
  • het kweken en telen van aardbeien en diverse (zacht) fruitsoorten met de daarbij behorende pluktuin;
  • parkeren ten behoeve van bezoekers van de zorgboerderij;
  • theeschenkerij als activiteit van de dagbesteding.
2.7.
Op 20 juli 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 juni 2021.
2.8.
Op 8 februari 2022 heeft het college met de beslissing op bezwaar beslist op de bezwaren van eiser (de eerste beslissing op bezwaar). In deze eerste beslissing op bezwaar heeft het college het handhavingsbesluit in stand gelaten en het besluit van 9 juni 2021 met toevoeging van een aanvullende motivering ook in stand gelaten.
2.9.
In de uitspraak van 18 juli 2023 heeft de rechtbank Gelderland (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de eerste beslissing op bezwaar gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. [2] De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 3.6.3, van de planregels af te wijken van het bestemmingsplan om de aangevraagde activiteit te vergunnen, omdat op het perceel geen agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. [3]
2.10.
Op 14 maart 2025 heeft vergunninghouder, op verzoek van het college, haar aanvraag gewijzigd (de gewijzigde aanvraag). Vergunninghouder heeft in deze gewijzigde aanvraag verzocht om de omgevingsvergunning te wijzigen van een permanente omgevingsvergunning naar een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van 3 jaar. Deze omgevingsvergunning is als zodanig op 8 juli 2025 verleend en wijzigt daarmee de omgevingsvergunning zoals die is verleend op 9 juni 2021. [4]
2.11.
Op 8 juli 2025 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft het college de (gewijzigde) omgevingsvergunning in stand gelaten. Verder heeft het college de gedeeltelijke toewijzing van het handhavingsbesluit in stand gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en voorziet zelf in de zaak door een vergunningvoorschrift toe te voegen aan de omgevingsvergunning. Dit betekent dat vergunninghouder de vergunde activiteiten mag blijven uitoefenen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Leeswijzer

5. De rechtbank bespreekt als eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eiser stelt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften in strijd zijn met artikel 2.22, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen van omgevingsrecht (Wabo). Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden waarin eiser stelt dat de vergunde activiteiten in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Overgangsrecht Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet (Iow) in werking getreden.
Besluit tot opleggen last onder dwangsom
6.1.
Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Iow op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 19 februari 2021 heeft het college aan vergunninghouder een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft inzake de beoordeling van het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom.
Besluit tot verlening omgevingsvergunning
6.2.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag van vergunninghouder voor een omgevingsvergunning is ingediend op 4 maart 2021. De gewijzigde aanvraag van 14 maart 2025 betreft een wijziging van de (oorspronkelijke) aanvraag met een wijziging van ondergeschikte aard. [5] Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft inzake de beoordeling van de verleende omgevingsvergunning. [6]
Bespreking beroepsgronden
7. Voordat de rechtbank toekomt aan bespreking van de beroepsgronden van eiser, merkt de rechtbank het volgende op. De beroepsgronden van eiser zijn alleen gericht tegen het onderdeel van de beslissing op bezwaar, waarin het college heeft besloten dat de omgevingsvergunning voor de aangevraagde activiteiten in stand blijft. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen het onderdeel van de beslissing op bezwaar, waarin het college het handhavingsbesluit in stand heeft gelaten.
Zijn de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften in strijd met artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo?
8. Eiser betoogt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften niet in overeenstemming zijn met artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo. Eiser stelt dat in het bestreden besluit niet kenbaar is gemotiveerd waarom deze voorschriften de negatieve effecten van de vergunde activiteiten voldoende beperken. Bij een groot aantal voorschriften is door het college niet gemotiveerd waarom deze zijn opgenomen en welke belangenafweging heeft plaatsgevonden, aldus eiser. Eiser stelt in zijn beroepschrift verschillende wijzigingen van voorschriften voor waarmee volgens hem de negatieve impact van de activiteiten op het woon- en leefklimaat van de omgeving afdoende worden verminderd, de cultuurhistorische landschapswaarde afdoende wordt gewaarborgd en de voorgestelde voorschriften duidelijker zijn en daarmee in de toekomst beter handhaafbaar zijn. Zo stelt eiser dat het voorschrift, waarin is neergelegd het spelen van akoestische muziek is toegestaan, mits er geen onaanvaardbare geluidsoverlast wordt veroorzaakt, te vaag is. Het is voor eiser namelijk niet op voorhand duidelijk wat onder ‘onaanvaardbaar‘ moet worden verstaan.
8.1.
Artikel 22.2, tweede lid, van de Wabo luidt:

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. (…) De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd.’
8.2.
De rechtbank stelt vast dat aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften zijn verbonden:

4. Feesten en partijen zijn niet toegestaan.
(…)
8. Het spelen van (akoestische) muziek is toegestaan, mits hierdoor geen onaanvaardbare geluidsoverlast ontstaat voor omliggende percelen.
(…)
10. De activiteiten duren uiterlijk tot 17:00 uur.’
8.3.
De rechtbank stelt voorop dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften betrekking hebben op hetgeen is vergund in de omgevingsvergunning. De voorschriften reguleren namelijk het gebruik van het perceel in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Hierdoor zijn de gestelde voorschriften niet in strijd met artikel 22.2, tweede lid, van de Wabo aan de omgevingsvergunning verbonden. Dat deze voorschriften het gebruik niet afdoende beperken volgens eiser, heeft niet tot gevolg dat deze in strijd met voornoemde bepaling zijn gesteld. Voor zover eiser stelt dat het aangehaalde voorschrift te onbepaald is, merkt de rechtbank op dat zij deze stelling niet volgt. Hierbij neemt de rechtbank in acht dat in het voorschrift is opgenomen dat onaanvaardbare geluidsoverlast is verboden. De vraag wat in het specifieke geval moet worden verstaan onder ‘onaanvaardbaar’, zal in een mogelijk te volgen handhavingsprocedure moeten worden bepaald. Dat geeft echter geen aanleiding om het voorschrift nu te onduidelijk te achten. Daarbij neemt de rechtbank in acht dat het spelen van (akoestische) muziek ook wordt beperkt door andere voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning, zoals het verbod tot het organiseren van feesten en partijen en de begrenzing van de activiteiten tot 17:00 uur. Verder acht de rechtbank relevant dat de vergunninghouder geen geluidsversterkende activiteiten heeft aangevraagd en ter zitting ter kennen heeft gegeven ook niet voornemens te zijn om geluidsversterkende activiteiten te gaan verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening?
9. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo volgt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met ‘een goede ruimtelijke ordening’ en aangewezen is in een algemene maatregel van bestuur.
9.1.
De rechtbank heeft de verschillende beroepsgronden waarin eiser betoogt dat de vergunde activiteiten in strijd zijn met een ‘goede ruimtelijke ordening’ verdeeld in verschillende onderdelen:
  • De beoordeling of het college heeft kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare afbreuk doen aan de cultuurhistorische landschapswaarden;
  • De beoordeling of het college heeft kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten niet gekwalificeerd kunnen worden als detailhandel en daarom niet in strijd zijn met het verbod op detailhandel;
  • De beoordeling of het college heeft kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare geluidhinder tot gevolg hebben;
  • De beoordeling of het college ten onrechte het strijdige gebruik van twee gebouwen op het perceel niet heeft meegewogen bij de beoordeling;
  • De beoordeling of het college ten onrechte de niet-agrarische activiteiten buiten de bedrijfsgebouwen niet heeft meegewogen in de beoordeling;
  • De beoordeling of het college heeft kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
9.2.
Voordat de rechtbank op bovengenoemde beroepsgronden ingaat, benadrukt de rechtbank dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een ‘goede ruimtelijke ordening’. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [7]
Onevenredige afbreuk aan de cultuurhistorische landschapswaarde?
10. Eiser betoogt dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of de cultuurhistorische landschapswaarde wordt aangetast door de vergunde activiteiten. Eiser stelt dat het college vanaf het voornemen tot handhavend optreden van 1 december 2020 (het voornemen tot handhaving) consistent het standpunt heeft ingenomen dat de vergunde activiteiten leiden tot een onaanvaardbare toename van publieks- en verkeersbewegingen en een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische landschapswaarde tot gevolg hebben. Verder verwijst eiser naar een brief van het college van 2 augustus 2022 waaruit volgens hem blijkt dat het college geen ruimte ziet voor het toestaan van de vergunde activiteiten binnen de huidige bestemmingsplanregels omdat die leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische landschapswaarde.
10.1.
De rechtbank overweegt dat, zoals onder 2.1 overwogen, op het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorische Landschapswaarde´ rust. De planregels die betrekking hebben op deze dubbelbestemming zijn neergelegd in artikel 21 van Pro het bestemmingsplan. Op grond van artikel 21.1 van de planregels zijn de voor 'Waarde - Cultuurhistorische Landschapswaarde' aangewezen gronden naast de andere daar geldende bestemmingen mede bestemd voor het behoud, versterking en ontwikkeling van cultuurhistorische landschapswaarden. Verder zijn in artikel 21 verschillende Pro planregels opgenomen die gaan over eisen die kunnen worden gesteld aan bouwwerken (artikel 21.2) en over het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (artikel 21.3).
10.2.
In het bestreden besluit is in bijlage 4 ‘Reactie op zienswijze’ onder meer het volgende opgenomen:

We hebben deze bezwaren onderzocht. Het leidt niet tot aanpassing van het besluit. Onze reactie op bovenstaande bezwaren is als volgt:
(…)
Ad 4. (…) De waarde ‘Cultuurhistorische Landschapswaarde’ beschermt de gronden bij het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werken of werkzaamheden. Daar is in deze omgevingsvergunning geen sprake van. Deze vergunning ziet enkel op het strijdig gebruik van de gronden. De Cultuurhistorische Landschapswaarde strekt dus niet tot bescherming van gronden bij strijdig gebruik, zonder dat hier werkzaamheden worden uitgevoerd of bouwwerken worden gebouwd.’
10.3.
In het voornemen tot handhaving is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

(…)Motivering
Overtreding
(…)
Het college is van mening dat deze activiteiten niet passend zijn op een locatie als deze. Horecagelegenheden horen niet op agrarische percelen en daarnaast zijn de andere activiteiten niet in lijn met de agrarische bestemming en niet wenselijk om toe te staan.
(…)
Voor het huidige gebruik zullen wij geen omgevingsvergunning verlenen, omdat dit niet voldoet aan de afwijkingsmogelijkheden van het bestemmingsplan. Daarnaast vindt het college het niet wenselijk om deze recreatieve en horeca-activiteiten op een agrarisch perceel als deze toe te staan. Er is in dit geval geen concreet zicht op legalisatie.’
In het op het voornemen tot handhaving volgend handhavingsbesluit van 19 februari 2021 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

(…)Legalisatie
In onze eerdere brief gaven wij aan dat geen mogelijkheden zagen tot het verlenen van een omgevingsvergunning.
Na aanleiding van het gesprek op 21 januari 2021 is gebleken dat een deel van de horeca-activiteiten onderdeel zijn van de dagbesteding van de jongeren op de zorgboerderij. (…) Omdat het in dit geval niet in eerste instantie gaat om een commercieel bedrijf dat horeca-activiteiten voert met winstoogmerk maar deze activiteiten voert met winstoogmerk maar deze activiteiten uitvoert als onderdeel van de dagbesteding voor de zorgboerderij, wil het college hieraan medewerking verlenen. Wel dient hiervoor een nieuwe omgevingsvergunning te worden aangevraagd, inclusief een parkeergelegenheid welke past in het idyllische karakter van de omgeving. (…) Op dit moment zien wij mogelijkheden tot het legaliseren van de activiteit, maar er is nog geen concreet zicht op legalisatie. Dit concrete zicht op legalisatie is er pas als de omgevingsvergunning is verleend of dat er zicht is op dat de vergunning verleend gaat worden. Als de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, zullen wij de dwangsom nog niet invorderen.’
10.4.
De rechtbank stelt vast dat het college in het handhavingsbesluit heeft gemotiveerd waarom, anders dan eiser stelt, het in tegenstelling tot wat in het voornemen tot handhaving was opgenomen, wel mogelijkheden ziet tot legalisatie van de aangevraagde activiteiten. Hierbij heeft het college opgemerkt dat vergunninghouder daartoe dan wel een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet indienen. Dit heeft vergunninghouder daaropvolgend met de aanvraag van 4 maart 2021 gedaan.
10.5.
De rechtbank oordeelt dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat de vergunde activiteiten de cultuurhistorische landschapswaarde ter plekke niet (onevenredig) aantasten. De rechtbank acht daartoe van belang dat de vergunde activiteiten alleen zien op het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel en niet op de in artikel 21 van Pro het bestemmingsplan gereguleerde activiteiten die gaan over bouwen en aanlegactiviteiten. Wat betreft de verwijzing door eiser naar de brief van 2 augustus 2022 merkt de rechtbank het volgende op. Ter zitting is gebleken dat de reactie van het college in deze brief volgde op een aanvraag van vergunninghouder voor een omgevingsvergunning voor de realisatie van bouwwerken (in de vorm teeltondersteunende voorzieningen) op het perceel. Dit betreft een andere en tevens door artikel 21 van Pro het bestemmingsplan wel gereguleerde activiteit. Hierdoor is die situatie niet vergelijkbaar met de situatie in onderhavige procedure. De brief van 2 augustus 2022 is daarom niet van betekenis voor de procedure die nu voorligt en de activiteiten die nu zijn vergund. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte geen rekening gehouden met het verbod op detailhandel?
11. Eiser betoogt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte concludeert dat geen sprake is van detailhandel. Eiser stelt dat de verkoop van streekproducten ook valt onder de reikwijdte van de definitie van ‘detailhandel’ uit het bestemmingsplan. Verder betoogt eiser dat vergunninghouder ook zelf vervaardigde producten verkoopt op het perceel.
11.1.
Op grond van artikel 3.5, aanhef en onder b, van de planregels is detailhandel op gronden met de bestemming ‘agrarisch’ niet toegestaan, met uitzondering van ter plaatse geproduceerde streekeigen producten met een maximum oppervlakte van 50 m².
11.2.
In het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen: ‘
De niet-agrarische activiteiten vinden binnen dit gebouw plaats, zonder buitenopslag. De verkoopactiviteiten zijn beperkt tot hoofdzakelijk zelf vervaardigde producten en streekproducten en vinden enkel plaats binnen de op de tekening aangegeven ruimte. De niet-agrarische activiteit valt in milieucategorie 1 of 2 en er zijn geen andere milieu hygiënische belemmeringen. Ook is geen sprake van detailhandel of buitenopslag. Met deze onderdelen wordt aangesloten bij het gemeentelijke beleid.’
11.3.
De rechtbank stelt vast dat aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift is verbonden: ‘
De verkoopproducten zijn beperkt tot hoofdzakelijk zelf vervaardigde producten (tenminste 75%) en streekproducten en vinden enkel plaats binnen de op de tekening aangegeven ruimte.’
Verder is bij de omgevingsvergunning een plattegrond van het perceel gevoegd maar daarop de volgende indeling van een van de op het perceel aanwezige gebouwen. Blijkens deze indeling heeft de verkoopruimte in het gebouw een oppervlakte van ongeveer 25 m²:
11.4.
De rechtbank stelt voorop dat in het bovengenoemde voorschrift uitdrukkelijk is opgenomen dat de verkoop van producten is beperkt is tot de verkoop van ‘streekproducten’ en deze verkoop alleen is toegestaan in de op de tekening afgebeelde verkoopruimte. Gelet op het feit dat deze verkoopruimte een oppervlakte heeft van circa 25 m² is deze vorm van verkoop reeds toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De stelling van eiser dat deze verkoop ook een vorm van detailhandel betreft, brengt in het voorgaande geen verandering en is niet relevant voor de beoordeling. Eveneens is niet relevant dat in het bestreden besluit is opgenomen dat er geen sprake is van detailhandel. Voor zover eiser heeft betoogd dat vergunninghouder naast streekproducten ook andere producten verkoopt en daarmee handelt in strijd met het vergunningsvoorschrift, is dat een kwestie van handhaving. De beroepsgrond slaagt niet.
Hebben de vergunde activiteiten onevenredige geluidsoverlast tot gevolg?
12. Eiser betoogt dat hij onevenredige geluidsoverlast ondervindt van de vergunde activiteiten. Eiser stelt onder meer dat hij veel overlast ervaart van rennende en schreeuwende kinderen als gevolg van de georganiseerde educatieve speurtochten op het perceel.
12.1.
Het college voert hierover aan dat voor de beoordeling van het geluid dat wordt veroorzaakt door de vergunde activiteiten, aansluiting is gezocht bij de geldende richtafstanden van een ‘kinderboerderij’ uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (de brochure). De reden om bij de activiteit ‘kinderboerderij’ aan te sluiten is gelegen in de omstandigheid dat de activiteit ‘zorgboerderij’ niet is opgenomen in de brochure en een kinderboerderij het beste past binnen in een wel in de brochure opgenomen activiteit, aldus het college. De afstand tussen de zorgboerderij en de woonbestemming van eiser is volgens het college ongeveer 63 meter. Hiermee is volgens het college ruimschoots voldaan aan de richtafstand die geldt voor een kinderboerderij uit de brochure van 30 meter.
12.2.
In het bestreden besluit is, onder meer, het volgende opgenomen:

De niet-agrarische activiteit valt in milieucategorie 1 of 2 en er zijn geen andere milieu-hygiënische belemmeringen. (…) Het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] is gelegen naast een recreatiepark. Er liggen, op circa 75 meter afstand, twee woonpercelen met agrarische grond.’
12.3.
Het adviesbureau [naam adviesbureau] heeft, in opdracht van de vergunninghouder, op 12 januari 2026 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door middel van het berekenen van de geluidsgevolgen op de directe omgeving door vergunde activiteiten (het akoestisch onderzoek). [naam adviesbureau] concludeert in dit akoestisch onderzoek dat de vergunde activiteiten niet resulteren in een relevante geluidbijdrage ter hoogte van bestaande woningen van derden en dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. [8]
12.4.
De rechtbank merkt vooraf op dat, anders dan eiser lijkt te veronderstellen, voor het organiseren van (educatieve) speurtochten geen omgevingsvergunning is verleend. Hoewel de vergunninghouder deze activiteit wel had aangevraagd in haar aanvraag van 21 maart 2021, is voor deze activiteit geen omgevingsvergunning verleend.
12.5.
De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten geen onevenredige geluidsoverlast op het perceel van eiser tot gevolg hebben. De rechtbank acht hiertoe relevant dat het college bij de beoordeling van de gevolgen van de vergunde activiteiten acht heeft geslagen op de richtafstand uit de brochure en met juistheid heeft geconcludeerd dat ruimschoots aan deze richtafstand is voldaan. Deze conclusie van het college vindt steun in het akoestisch onderzoek. Eiser heeft met de enkele stelling dat hij onaanvaardbare geluidsoverlast ondervindt van een of meerdere activiteiten de voorgaande conclusies niet weerlegd. Het had op de weg van eiser gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Ook de stelling van eiser ter zitting dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte de geluidsgevolgen door de vergunde activiteiten zijn berekend en niet zijn gemeten, brengt in het voorgaande geen verandering. Ook als dat betoog juist zou zijn, doet dat niets af aan het feit dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden uit de brochure. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte het gebruik van de gebouwen niet beoordeeld?
13. Eiser betoogt dat het college ten onrechte het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de twee gebouwen op het perceel niet heeft beoordeeld. Eiser stelt dat voor de oprichting van deze twee gebouwen op 29 januari 2016 een bouwvergunning is verleend. Voor het gebruik van deze twee gebouwen ten behoeve van de zorgboerderij is volgens eiser op 29 januari 2016 geen omgevingsvergunning verleend en middels deze omgevingsvergunning wordt het strijdig gebruik alsnog toegestaan, aldus eiser. Verder stelt eiser dat deze gebouwen te ruim zijn uitgevoerd en ingericht voor een zorgboerderij met slechts 9 cliënten per dag.
13.1.
De rechtbank stelt voorop dat in het bestreden besluit geen omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van de twee betreffende gebouwen. Deze toestemming is immers verleend op 29 januari 2016. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de vraag of deze gebouwen te ruim zijn uitgevoerd en ingericht voor een zorgboerderij met 9 cliënten per dag. Voor zover eiser betoogt dat het college het in strijd met bestemmingsplan gebruiken van deze twee gebouwen niet heeft betrokken in haar besluitvorming, mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag. In onderhavige procedure staat namelijk de omgevingsvergunning centraal die het college heeft verleend voor het strijdige gebruik van het perceel als zorgboerderij. Hiermee is juist een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van deze gebouwen als zorgboerderij. De beroepsgrond slaagt niet.
Niet-agrarische activiteiten ook buiten de bedrijfsgebouwen vergund?
14. Eiser betoogt dat het college in haar beoordeling bij de gevolgen van de vergunde activiteiten ten onrechte heeft verondersteld dat de niet-agrarische activiteiten uitsluitend binnen de bedrijfsgebouwen plaatsvinden. Eiser stelt dat op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening zichtbaar is dat de terrasactiviteiten en de theetuin/schenkerij buiten de bedrijfsgebouwen mogelijk zijn en daarmee ook vergund zijn.
14.1.
Het college voert hierover aan dat in het bestreden besluit inderdaad is opgenomen dat de niet-agrarische activiteiten binnen de bedrijfsgebouwen plaatsvinden. Daarmee worden de zorgboerderij-activiteiten waar de cliënten hun dagbesteding verrichten bedoeld, aldus het college. Het college stelt verder dat in het bestreden besluit is opgenomen dat een terras is toegestaan. Volgens het college blijkt dit uit het voorschrift waarin is bepaald dat maximaal 30 m² ingericht mag zijn voor het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse.
14.2.
In het bestreden besluit, is voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Het perceel heeft een agrarische bestemming. De betreffende bedrijfsbebouwing is legaal aanwezig. De niet-agrarische activiteiten vinden binnen dit gebouw plaats, zonder buitenopslag. De verkoopactiviteiten zijn beperkt tot hoofdzakelijk zelf vervaardigde producten en streekproducten en vinden enkel plaats binnen de op de tekening aangegeven ruimte. De niet-agrarische activiteit valt in milieucategorie 1 of 2 en er zijn geen andere milieu hygiënische belemmeringen. Ook is geen sprake van detailhandel of buitenopslag. Met deze onderdelen wordt aangesloten bij het gemeentelijke beleid.’
14.3.
De rechtbank stelt vast dat aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift is verbonden: ‘
De theetuin is ondergeschikt aan de zorgboerderij met maximaal 20 zitplaatsen. Het bebouwde oppervlak inclusief terras mag maximaal 30 m² gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereidde etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van niet-alcoholische dranken.’
14.4.
De rechtbank oordeelt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft opgenomen dat de niet-agrarische activiteiten uitsluitend plaatsvinden in de bedrijfsgebouwen. Zoals eiser terecht heeft aangedragen zijn niet-agrarische activiteiten gedeeltelijk ook vergund buiten de bedrijfsgebouwen. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit (motiverings)gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Zoals de rechtbank onder 12.5 heeft overwogen heeft het college onderbouwd dat de vergunde activiteiten, waaronder de terrasactiviteiten en de theetuin/schenkerij, geen onevenredige geluidsoverlast tot gevolg hebben voor de omliggende percelen en zijn de gevolgen van deze niet-agrarische activiteiten buiten de bedrijfsgebouwen dus wel als zodanig beoordeeld. De rechtbank merkt in dit verband op dat niet is gebleken dat de terrasactiviteiten en theetuin/schenkerij vallen buiten de reikwijdte van de gehanteerde geluidszone en dat deze ook als zodanig zijn beoordeeld in het akoestisch onderzoek.
Heeft het college heeft kunnen besluiten dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben?
15. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Eiser stelt dat door het gebruik van het perceel als zorgboerderij een significante toename van verkeersbewegingen is ontstaan. Het college heeft volgens eiser deze toename ten onrechte niet beoordeeld. Zo heeft het college nagelaten om vast te stellen wat de toename is van het aantal verkeersbewegingen. Verder stelt eiser dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat het verkeer richting de zorgboerderij op het terrein van de zorgboerderij terugdraait en naar de verharde weg rijdt. Het is volgens eiser aannemelijker dat dit verkeer gebruik maakt van de mogelijkheid om rondom het perceel, via de route die leidt langs het perceel van eiser, terug te rijden naar de [locatie 2] (de tussenroute). Ter onderbouwing verwijst eiser naar onderstaande afbeelding, waarop hij de hiervoor genoemde tussenroute met een rood-witte lijn heeft aangeduid.
15.1.
Het college voert hierover aan dat geen sprake is van een forse verkeersoverlast als gevolg van het gebruik van het perceel als zorgboerderij. Het college stelt dat een groot deel van het verkeer dat richting het perceel rijdt, niet nabij of langs de woning van eiser zal rijden. De omstandigheid dat in het verleden minder verkeersbewegingen voorkwamen, betekent volgens het college niet dat deze verkeersbewegingen niet mogen en kunnen veranderen. Verder stelt het college dat er geen aanleiding was voor een aanvullend verkeeronderzoek, omdat het verkeer van en naar de zorgboerderij op het perceel niet langs de woning van eiser of andere woningen in de omgeving komt. Ter onderbouwing verwijst het college naar onderstaande afbeelding waarop de verkeerroute naar het perceel zichtbaar is gemaakt.
15.2.
In het bestreden besluit, is voor zover relevant, het volgende opgenomen:
‘De zorgboerderij kan zorgen voor een toename van de verkeersbewegingen, omdat de cliënten door zorgverleners of ander vervoer naar de locatie gebracht moeten worden. De verkeersaantrekkende werking blijft echter beperkt. De locatie is afgelegen aan een niet-doorgaande weg. De theeschenkerij is niet bedoeld voor grootschalige horeca-exploitatie, maar als een dagbesteding voor de kwetsbare doelgroep waar (veelal fietsers) even langs zullen komen. Er worden enkel streekproducten verkocht in een winkeltje. Er mogen geen feesten en partijen worden gehouden. Op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid, waardoor eventuele bezoekers geen overlast veroorzaken voor de omwonenden. Wij vinden dit daarom aanvaardbaar.’
15.3.
In het bestreden besluit, is in bijlage 4 ‘Reactie op zienswijze’ onder meer het volgende opgenomen:
‘De zorgboerderij wordt bereikt vanuit de [locatie 1]. Deze zandweg splitst in twee wegen: richting [locatie 1] [huisnummer 1] (doodlopend) en richting de naastgelegen woonpercelen. De zandweg richting de naastgelegen woonpercelen buigt vervolgens door richting de [locatie 2]. De verwachting is dat het verkeer richting de [locatie 1] [huisnummer 1] daarom via het eigen terrein van de [locatie 1] [huisnummer 1] terugdraait richting de verharde weg.’
15.4.
De rechtbank stelt vast dat de [locatie 1] een rondweg betreft die via twee uitwegen wordt ontsloten op de [locatie 2]. De eerste uitweg is een grotendeels geasfalteerde weg in het verlengde van het perceel. Deze weg is op bovenstaande afbeelding van het college gemarkeerd met een rode lijn. De tweede uitweg, die niet zichtbaar is op bovenstaande afbeeldingen, is gelegen op circa 180 meter afstand van de eerste uitweg. Deze weg is niet geasfalteerd. Verder is bij de eerste uitweg bebording geplaatst waarop zichtbaar is dat het perceel via deze uitweg bereikt kan worden.
15.5.
De rechtbank stelt voorop dat zij de onderbouwing van het college dat het verkeer dat naar het de zorgboerderij op het perceel rijdt, gebruik maakt van de eerste uitweg om het perceel te bereiken, volgt. Daartoe neemt de rechtbank in acht dat bij de eerste uitweg een bord is geplaatst met routebewijzering naar het perceel en de tweede uitweg niet is geasfalteerd. Verder is ter zitting vast komen te staan dat in de huidige situatie weinig verkeer over de tweede uitweg naar het perceel rijdt. Alleen de vuilophaaldienst en de postbezorging rijden via deze tweede uitweg van en naar het perceel. Wel staat tussen partijen ter discussie of bezoekers, en met name kort bezoek, bij het perceel gebruik maken van de tussenroute om het perceel via de niet geasfalteerde weg te benaderen of te verlaten. Het college heeft ten onrechte niet onderkend dat deze tussenroute kan worden gebruikt door bezoekers van de zorgboerderij en daarbij ook niet inzichtelijk gemaakt hoeveel gebruik gaat worden gemaakt van deze tussenroute als gevolg van de verleende omgevingsvergunning. Hiermee heeft het college ten onrechte ook niet beoordeeld of eiser mogelijk onaanvaardbare overlast ondervindt van het verkeer dat gebruik maakt van de tussenroute. Het betoog slaagt.
Finale geschilbeslechting en proceskosten
16. Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiser gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, omdat door het college niet is onderkend dat de tussenroute mogelijk gebruikt wordt door bezoekers – bestaande uit klanten, cliënten, personeel en leveranciers – van de zorgboerderij en eiser hiervan overlast kan ondervinden.
16.1.
De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Dit voorschrift luidt: ‘
De ontsluiting van het perceel vindt plaats via het geasfalteerde deel van de [locatie 1]. Klanten/cliënten/personeel/leveranciers van de zorgboerderij mogen geen gebruik maken van de tussenroute’.
De rechtbank stelt voorop dat de vergunninghouder op de zitting ter kennen heeft gegeven om in te stemmen met een dergelijk voorschrift. Met dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank voldoende geborgd dat bezoekers van de zorgboerderij geen gebruik meer mogen maken van de tussenroute en eiser mogelijk onaanvaardbare overlast hiervan ondervindt. De stelling van eiser dat het college het totaal aantal verkeersbewegingen niet in kaart heeft gebracht hoeft volgens de rechtbank geen bespreking meer, nu met het voorschrift is gewaarborgd dat dit extra verkeer niet langs de woning van eiser komt.
16.2.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat dit tot gevolg heeft dat het bestreden besluit in stand blijft en vergunninghouder de vergunde activiteiten mag blijven uitoefenen met inachtneming van het toegevoegde vergunningsvoorschrift.
16.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is opgenomen dat de vergunde activiteiten geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
  • voegt het volgende voorschrift toe aan de omgevingsvergunning:
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • veroordeelt het college tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van €194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2 1. eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12. eerste lid, aanhef en onder a en onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 3.6.3. van de planregels.
2.Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4045.
3.Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4045, r.o. 4.5.
4.Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wabo en artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bezwaar van eiser van rechtswege tevens gericht tegen de gewijzigde omgevingsvergunning.
5.Zoals eerder door de rechtbank Gelderland overwogen in haar uitspraak van 19 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4661, r.o. 3.2 en 3.3, is een wijziging van een permanente naar een tijdelijke omgevingsvergunning, een wijziging van ondergeschikte aard.
6.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24405, r.o. 3.1.
7.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3567, r.o. 5.
8.Akoestisch onderzoek [locatie 1] [huisnummer 1] te [plaats], 12 januari 2026, [naam adviesbureau], p. 17.