Eiser ontving bijstand als alleenstaande en is per 2 september 2024 gaan samenwonen met zijn vriendin. De gemeente startte een onderzoek naar zijn recht op bijstand, mede vanwege onduidelijkheid over de relatie en het feit dat vijf personen op het adres stonden ingeschreven. Uit het onderzoek bleek dat de vriendin van eiser een uitkering ontvangt die ver boven de bijstandsnorm ligt.
De gemeente trok het recht op bijstand van eiser in voor de periode 2 september tot en met 29 oktober 2024 en beëindigde het per 30 oktober 2024. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onzorgvuldigheid, onvoldoende onderzoek naar de financiële situatie van zijn vriendin, schending van het vertrouwensbeginsel en het verbod op vooringenomenheid.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en beëindigd. Het onderzoek was zorgvuldig, het college hoefde geen rekening te houden met het negatieve verzamelinkomen van de vriendin, en het gesprek met de fraudepreventiemedewerker was gerechtvaardigd. Klachten over de wijze van behandeling en informatievoorziening zijn niet relevant voor de rechtmatigheid van het besluit.
Het beroep is ongegrond verklaard, eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. van Schagen op 19 februari 2026 te Arnhem.