ECLI:NL:CRVB:2016:792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen werkzaamheden in supermarkt
Appellant ontving bijstand sinds 1999 en werd beschuldigd van het verzwegen van werkzaamheden in een supermarkt vanaf mei 2011. De gemeente Amsterdam voerde een onderzoek uit met waarnemingen en gesprekken, leidend tot intrekking van de bijstand vanaf 1 mei 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep. De Raad weigerde een nieuwe getuigenverklaring wegens te late indiening en oordeelde dat het onderzoek naar de werkzaamheden gerechtvaardigd was, ook zonder voorafgaande redelijke grond. De inbreuk op het privéleven was proportioneel gezien het beperkte aantal waarnemingen op openbare plaatsen.
Appellant erkende de werkzaamheden vanaf maart 2013, maar betwistte dat hij daarvoor werkte of dat deze gemeld hoefden te worden. De Raad concludeerde dat appellant wel degelijk werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar waren en dat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden. Omdat appellant geen bewijs leverde over de omvang van zijn werkzaamheden en inkomsten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Daarom bevestigde de Raad de intrekking van de bijstand met ingang van 1 mei 2011 en wees het hoger beroep af. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet melden van werkzaamheden in de supermarkt wordt bevestigd.