AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond verklaard inzake inkomensafhankelijke combinatiekorting en verzuimboete 2021
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, waarin zij geen recht kreeg op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) en een verzuimboete werd opgelegd wegens te late aangifte. De rechtbank beoordeelde of belanghebbende voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor iack, waaronder de inschrijvingseis dat het kind gedurende ten minste zes maanden in het kalenderjaar op hetzelfde adres als de belastingplichtige moet zijn ingeschreven.
De rechtbank stelde vast dat het kind in 2021 niet gedurende zes maanden op hetzelfde adres als belanghebbende stond ingeschreven, en dat er geen sprake was van een gelijke verdeling van de zorg over beide ouders. De Hoge Raad heeft bepaald dat co-ouderschap recht op iack kan geven indien het kind doorgaans ten minste 78 dagen per kalenderjaar bij elke ouder verblijft, maar dit was niet het geval. Belanghebbende kon niet aantonen dat het kind gedurende een periode van zes maanden ten minste 78 dagen tot haar huishouden behoorde.
Verder oordeelde de rechtbank dat het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden, omdat het onderscheid tussen ouders die in goede harmonie uit elkaar gaan en ouders die niet in goede harmonie uit elkaar gaan niet leidt tot ongelijke behandeling in de toepassing van iack. Ook het motiveringsbeginsel werd niet geschonden; de inspecteur had zijn besluit voldoende gemotiveerd.
Ten aanzien van de verzuimboete stelde de rechtbank vast dat belanghebbende na uitnodiging en aanmaning niet tijdig aangifte had gedaan, waardoor de boete terecht en passend was opgelegd. De aanslag, belastingrente en boete bleven in stand, en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2021 en de verzuimboete wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7195
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 augustus 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.356. Tevens is bij beschikking € 96 aan belastingrente in rekening heeft gebracht. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld door haar partner, en [persoon A] en [persoon B] namens de inspecteur.
Feiten
1. Belanghebbende staat volgens de Basisregistratie Personen (BRP) in belastingjaar 2021 met haar partner ingeschreven op het woonadres in [plaats 1].
2. Belanghebbende heeft met haar ex-partner samen één kind. Het kind is geboren op [geboortedag] 2011.
3. Het kind staat volgens de BRP vanaf [geboortedag] 2011 tot en met 30 april 2021 ingeschreven op het woonadres van belanghebbende.
4. Bij beschikking van de rechtbank is vanaf 1 mei 2021 de hoofdverblijfplaats van het kind gewijzigd naar het adres van de ex-partner van belanghebbende in [plaats 2].
5. De inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 28 februari 2022, 15 juni 2022 en 7 september 2022 uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2021.
6. Belanghebbende heeft op 27 februari 2023 de aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een verzamelinkomen van € 46.356 aangegeven bestaande uit belastbaar inkomen uit werk en woning.
7. Met dagtekening 15 augustus 2023 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd conform de ingediende aangifte. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikkingen belastingrente van € 96 in rekening gebracht, en een verzuimboete van € 385 opgelegd voor het niet tijdig indienen van de aangifte.
8. Belanghebbende heeft op 18 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2021. Belanghebbende geeft aan dat zij recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack), omdat er sprake is van co-ouderschap. Belanghebbende geeft aan dat het kind 169 dagen bij haar verbleef, waarvan in de eerste zes maanden 120 dagen.
9. Bij brief van 28 maart 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende gewezen op het hoor- en inzagerecht.
10. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van het inzagerecht en is op 29 mei 2024 door de inspecteur gehoord.
11. De inspecteur heeft met dagtekening 15 augustus 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Hij heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende niet aan de inschrijvingseis van zes maanden voldoet en ook niet aan het vereiste dat het kind in een periode van zes maanden ten minste 78 dagen tot het huishouden van belanghebbende behoort.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2021 juist is vastgesteld, in het bijzonder of belanghebbende recht heeft op iack. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
IACK
14. In artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is bepaald wanneer recht bestaat op iack. Eén van de vereisten is dat een kind jonger dan 12 jaar gedurende ten minste zes maanden van een kalenderjaar in de BRP op hetzelfde woonadres staat ingeschreven als de belastingplichtige. Dit wordt ook wel de inschrijvingseis genoemd.
15. Ingevolge artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR IB 2001, tekst 2021) is bepaald dat voor de toepassing van artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001, een kind dat niet op hetzelfde adres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de BRP toch beschouwd wordt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven gedurende de periode van het kalenderjaar dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort en het kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven. Een kind behoort tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders, indien hij in een binnen het kalenderjaar doorgaans repeterend ritme, ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. Indien het kind niet gedurende het hele kalenderjaar, maar gedurende ten minste zes maanden, in elk van beide huishoudens enkele dagen verblijft, wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang gerekend.
16. De Hoge Raad heeft in het arrest van 30 september 2022 geoordeeld, dat als een co-ouder in aanmerking wil komen voor iack, het niet nodig is dat het kind gedurende het hele kalenderjaar doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij hem blijft. Het is voldoende als dit “doorgaans verblijf” gedurende ten minste de helft van het jaar plaatsvindt, waarbij het niet om een aaneengesloten periode behoeft te gaan. [1] Voor betreffend belastingjaar leidt dit ertoe dat een co-ouder die 78 dagen in een kalenderjaar voor een kind zorgt, recht kan hebben op iack.
17. Belanghebbende voert aan dat het kind in de eerste zes maanden van 2021 121,5 dagen bij haar verbleef en de tweede zes maanden van dat jaar 45,3 dagen. Volgens belanghebbende voldoet zij hiermee aan de vereiste zorg van 78 dagen, omdat die eerste maanden waarin het kind op hetzelfde adres als belanghebbende ingeschreven stond, ook meegerekend moet worden. Belanghebbende voert verder aan dat de inspecteur onterecht de vakanties niet meerekent.
18. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er geen recht bestaat op iack, omdat belanghebbende niet aan de inschrijvingseis voldoet of niet aannemelijk heeft gemaakt dat het kind in een periode van zes maanden ten minste 78 dagen tot elk van beide huishoudens behoorde. Volgens de inspecteur kunnen vakantieperiodes niet in aanmerking worden genomen, omdat hierbij niet aan het criterium “doorgaans” wordt voldaan.
19. De rechtbank stelt vast dat het kind in 2021 jonger was dan 12 jaar, maar niet gedurende ten minste zes maanden van 2021 op hetzelfde adres van belanghebbende stond ingeschreven. Hiermee is in beginsel niet voldaan aan de wettelijke inschrijvingseis, zoals die in 2021 gold.
19. De Hoge Raad heeft op 13 maart 2020 [2] voor zover hier van belang in punt 2.4.2. het volgende overwogen:
“In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8.14 Wet IB 2001 valt te lezen: “Een en ander heeft tot consequentie dat in geval van co-ouderschap waarbij beide ouders niet samenwonen maar de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen toch door beide ouders de combinatiekorting kan worden genoten.” Uit deze passage kan worden afgeleid dat de wetgever beoogde dat de combinatiekorting (nadien de iack) kan worden genoten door beide ouders als zij de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen.”
21. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat enkel recht bestaat op iack in het geval de zorg voor een kind, ondanks dat niet aan de inschrijvingseis is voldaan, gelijkelijk over beide ouders is verdeeld. Dit volgt ook uit de tekst van artikel 44b UR IB 2001. Van een dergelijke situatie is in 2021 echter geen sprake. De eerste vier maanden had belanghebbende de zorg voor het kind. De andere maanden van het jaar was van gelijke verdeling van de zorg evenmin sprake. Er is immers sprake van een gelijke zorg als het kind doorgaans drie gehele dagen per week bij belanghebbende heeft verbleven. Daarvan is, gelet op de feiten, echter geen sprake. Zo bezien heeft het kind op geen enkel moment in het kalenderjaar tot beide huishoudens behoort. Er bestaat dus geen recht op iack.
Gelijkheidsbeginsel
22. Belanghebbende voert aan dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens belanghebbende gaat het ene gezin netjes uit elkaar en regelt dan een co-ouderschapsregeling en komt een ander gezin in een vechtscheiding terecht. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit niet dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Bij een gezin wat in goede harmonie uit elkaar gaat bestaat immers evenmin voor beide ouders recht op iack als er geen sprake is van co-ouderschap. In het geval waarbij wel sprake is van een vechtscheiding, maar beide ouders wel de zorg gelijkelijk verdelen hebben beide ouders wel recht op iack. Anders dan belanghebbende stelt bestaat er dus geen onderscheid tussen ouders die in goede harmonie uit elkaar gaan en ouders die niet in goede harmonie uit elkaar gaan.
23. Belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een begunstigend beleid of dat ten aanzien van een groep belastingplichtigen sprake is van een oogmerk tot begunstiging of de meerderheidsregel is geschonden. Ook zo bezien is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.
Motiveringsbeginsel
24. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat het motiveringsbeginsel is geschonden geldt het volgende. Deze stelling slaagt evenmin. De inspecteur heeft het besluit uitvoerig gemotiveerd. Dat belanghebbende het niet eens is met de motivering of dat belanghebbende de motivering onnavolgbaar vindt, maakt niet dat het motiveringsbeginsel is geschonden.
Belastingrente
25. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.
Boete
26. In artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), zoals die in 2021 gold, is bepaald dat indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, dit een verzuim vormt waarvan de inspecteur hem, uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.514 kan opleggen.
27. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Awr, wordt met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte bij de inspecteur gedaan binnen een door hem gestelde termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. In het derde lid van artikel 9 vanPro de Awr is bepaald dat de inspecteur belastingplichtige daarna kan aanmanen om binnen de gestelde termijn aangifte te doen.
28. Vaststaat dat belanghebbende na door de inspecteur uitgenodigd en aangemaand te zijn, niet binnen de gestelde termijn zijn aangifte heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd. De boete kan achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is.
29. De rechtbank acht de boete van € 385 passend en geboden. Belanghebbende heeft geen redenen aangevoerd die aanleiding geven om de boete te matigen.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 20 maart 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.