Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Inleiding
Feiten
- Een bedrag van € 50.000 met betalingskenmerk [kenmerk 1] . Dit bedrag is op 19 juli 2023 verrekend met de aanslag IB/PVV 2020.
- Een bedrag van € 8.057 met betalingskenmerk [kenmerk 1] . Dit bedrag is op 3 februari 2022 verrekend met de aanslag IB/PVV 2022.
- Een bedrag van € 3.119 met betalingskenmerk [kenmerk 2] . Dit bedrag is op 31 december 2021 teruggeboekt aan belanghebbende.
- Een bedrag van € 50.000 met betalingskenmerk [kenmerk 3] . Dit bedrag is op 8 februari 2022 verrekend met de voorlopige aanslag IB/PVV 2021.
- Een bedrag van € 36.866 met betalingskenmerk [kenmerk 3] . Dit bedrag is op 19 januari 2022 verrekend met de voorlopige aanslag IB/PVV 2021.
- Een bedrag van € 3.352 met betalingskenmerk [kenmerk 4] . Dit bedrag is op 19 januari 2022 verrekend met de voorlopige aanslag Zvw 2021.
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de belastingrente voor de aanslag IB/PVV 2020;
- vermindert de belastingrente voor de aanslag IB/PVV 2020 tot een bedrag van € 2.911;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.500 aan belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.