Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2522

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/05/450470 / HZ ZA 25-105
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:18 AwbArt. 3:12 lid 8 WaboArt. 6:162 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens niet tijdig beslissen omgevingsvergunning

Eiser kocht in 2021 een door brand verwoest rijksmonument en vroeg een omgevingsvergunning aan voor restauratie en exploitatie. Hij stelde dat de gemeente niet tijdig op zijn aanvraag had beslist, wat onrechtmatig zou zijn, en vorderde schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de formele aanvraag pas op 22 februari 2022 was ingediend, waarna een beslistermijn van zes maanden inging. Hoewel de vergunning pas op 31 oktober 2023 werd verleend, was de overschrijding deels te wijten aan onvoldoende en late aanlevering van benodigde documenten door eiser zelf.

De rechtbank concludeerde dat de overschrijding van de beslistermijn niet onrechtmatig was, mede omdat de gemeente niet onzorgvuldig had gehandeld en eiser zelf vertraging veroorzaakte. De vorderingen tot schadevergoeding en kosten werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens geen onrechtmatig handelen van de gemeente bij overschrijding beslistermijn omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/450470 / HZ ZA 25-105
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. J.W. Verhoeven,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ZUTPHEN,
te Zutphen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. N.D. Niederer.

1.De zaak in het kort

[de eiser] heeft in 2021 het door brand verwoeste rijksmonument [het rijksmonument] in [naamplaats] gekocht. Hij wil het pand restaureren en vervolgens gaan exploiteren. Daarvoor heeft hij bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd. [de eiser] is van mening dat de gemeente niet tijdig op zijn vergunningaanvraag heeft beslist en dat – onder andere om die reden – sprake is van onrechtmatig handelen door de gemeente. [de eiser] vordert onder meer de veroordeling van de gemeente tot betaling van een schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig handelen van de gemeente. De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 januari 2026.
2.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
3. De feiten
3.1.
[het rijksmonument] (hierna: [het rijksmonument] ) is een van rijkswege beschermd monument aan de [het adres] in [naamplaats]. [het rijksmonument] dateert uit de zeventiende eeuw. In de twintigste eeuw en begin eenentwintigste eeuw werd het gebruikt als woning, makelaarskantoor en café.
3.2.
Op 24 april 2020 is [het rijksmonument] door brand verwoest. Sinds de brand staan alleen de muren nog overeind. Het gehele interieur en het dak is verloren gegaan.
3.3.
[de eiser] heeft het plan opgevat om [het rijksmonument] te restaureren en vervolgens te exploiteren. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Op 16 april 2021 heeft [de eiser] per e-mail aan de gemeente laten weten dat hij een omgevingsvergunning wilde aanvragen voor de verbouw van [het rijksmonument] (productie 1d bij dagvaarding).
3.4.
Bij e-mail van 10 augustus 2021 (productie 3 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de gemeente zijn plan voor [het rijksmonument] gestuurd. Boven de meegestuurde brief staat: “
Betreft:Aanvraag Omgevingsvergunning [het rijksmonument] (Fase 1 – vooroverleg).” De brief luidt verder onder meer als volgt:
“(…)
Zoals met u besproken hebben wij de stukken nog niet ge-upload op het OLO. We hebben besproken dat via de e-mail het informele vooroverleg met u, het Gelders Genootschap en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) beter doorlopen kan worden.
(…)
Wij hopen met deze brief en de bijbehorende stukken u een goed beeld te hebben gegeven van ons plan en onze ambities. Wij zien uit naar een inspirerende samenwerking en realisatie traject. Wat ons betreft treden wij binnenkort in overleg. Wij zien er naar uit!
3.5.
Bij e-mail van 17 augustus 2021 (productie 5 bij antwoord) heeft de gemeente de ontvangst van de “
aanvraag vooradvies” aan [de eiser] bevestigd.
3.6.
Op 10 september 2021 is het plan van [de eiser] besproken in een overleg van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie (RKC).
3.7.
Bij e-mail van 28 september 2021 (productie 5 bij dagvaarding) heeft [de eiser] het preadvies van RCE en RKC van 24 september 2021 ontvangen. Het pre-advies luidt onder meer als volgt:
“(…)
Allereerst is er veel waardering voor de initiatiefnemers om deze grote uitdaging aan te gaan. De toekomstige functies van een beheerderswoning met een logiesfunctie sluiten goed aan bij de oorspronkelijke functie van [het rijksmonument] . Over het algemeen kan worden gesteld dat in het voorliggende plan nog niet voldoende uit is gegaan van het herstel van de oorspronkelijke opzet van voor de brand. Er is nu wat te veel vrijheid genomen voor het doorvoeren van wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Het advies is om de oorspronkelijke hoofdvorm als uitgangspunt te nemen. Het is daarbij mogelijk om afgewogen accenten te wijzigen, daarbij volgen wij de principes van de Restauratieladder. In de brief van de RCE van 23 juli 2020 zijn eveneens de uitgangspunten benoemd voor het handhaven van de rijksmonumentenstatus.
Met betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende aandachtspunten:
(…)”
3.8.
Op 31 december 2021 heeft de levering van [het rijksmonument] aan [de eiser] plaatsgevonden.
3.9.
Op 3 januari 2022 heeft [de eiser] een aangepast plan bij de gemeente ingediend (productie 6 bij dagvaarding). Daarin staat onder meer:
“(…)
Met deze brief ontvangt u een bijgewerkte set voor het vooroverleg Omgevingsvergunning.(…)”
3.10.
Bij e-mail van 11 januari 2022 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan (de casemanager van) de gemeente gevraagd of het plan past binnen het bestemmingsplan en heeft hij gevraagd om een spoedig advies.
3.11.
Vanaf 16 januari 2022 bestond bij [de eiser] het vermoeden van noodzaak tot funderingsherstel. [de eiser] heeft sonderingen laten verrichten door een deskundige. De uitkomst daarvan was dat funderingsherstel noodzakelijk is.
3.12.
Bij e-mail van 28 januari 2022 (productie 8 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] laten weten dat het plan nog niet is besproken met de planoloog en dat het zal worden behandeld tijdens de vergadering van de RCE en RKC op 17 februari 2022.
3.13.
Bij e-mail van 2 februari 2022 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de casemanager onder meer geschreven:
“(…)
Vooroverleg / omgevingsvergunning
Wij zijn sinds augustus 2021 al in een vooroverleg situatie. Ik heb op 2 januari 2022 nieuwe stukken gezonden, waarin de kritiekpunten van commissie verwerkt zijn. Jij gaf aan dat 17 februari 2022 de eerste mogelijkheid is voor behandeling in de commissie. Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen. Je gaf ook aan mogelijk niet om een uitgebreide procedure heen te kunnen. Ik ben hier ongerust over. Ik ben bezorgd dat er een lang vooroverleg traject en een uitgebreide procedure beiden noodzakelijk zijn. Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen. Maar we hebben er allemaal niets aan als door capaciteitsproblemen bij gemeente er een bericht van uitstel komt. Wat kan de gemeente mij nu bieden qua prioritering?
(…)”
3.14.
Op 16 februari 2022 heeft [de eiser] het ondernemingsplan ingediend (productie 10 bij dagvaarding). Uitgangspunt van het ondernemingsplan is zeven à acht “verhuurbare eenheden” (woonstudio’s).
3.15.
Naar aanleiding van het aangepaste plan van [de eiser] (zie 3.9) hebben de RCE en RKC op 21 februari 2022 een nieuw preadvies uitgebracht (productie 11 bij dagvaarding). Dit preadvies luidt onder meer als volgt:
“(…)
Opnieuw wordt waardering uitgesproken voor het aangaan van deze uitdaging en voor de zorgvuldige aanpak. Ook is er veel waardering voor de stappen die sinds de vorige bespreking zijn gezet.
Met betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende opmerkingen en aandachtspunten:
(…)
Al met al zijn er goede stappen gezet richting een passende en zorgvuldige herbestemming van dit rijksmonument. De adviseurs zien de verdere uitwerking dan ook met vertrouwen tegemoet.
(…)”
3.16.
Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend via het Omgevingsloket Online (OLO).
3.17.
Op diezelfde datum heeft de gemeente een ontvangstbevestiging aan [de eiser] gestuurd (productie 8 bij antwoord). Daarin staat onder meer vermeld:
“(…)
Via www.omgevingsloket.nl hebben wij op 22 februari 2022 uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen.(…)”
3.18.
Op 15 maart 2022 is het plan/de aanvraag besproken door de zogenoemde intaketafel. De intaketafel is een beoordeling door de gemeente van een initiatief dat niet past binnen de regels van het destijds geldende bestemmingsplan. De intaketafel leidt tot een standpunt over de wenselijkheid van het initiatief, de eventuele medewerking en het vervolgproces. In dit geval heeft de intaketafel het standpunt ingenomen dat het initiatief van [de eiser] wenselijk is, maar dat er wel aandachtspunten zijn voor de uitwerking.
3.19.
Op 3 mei 2022 is het plan/de aanvraag besproken door de zogenoemde omgevingstafel. De omgevingstafel is een overlegvorm voor initiatieven waarvan bij het intaketafelgesprek is geoordeeld dat zij onder voorwaarden mogelijk zijn te realiseren. Aan de omgevingstafel worden de voorwaarden besproken om tot een complete vergunningaanvraag en haalbaar initiatief te komen.
3.20.
Bij e-mail van 18 mei 2022 (productie 12 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] meegedeeld dat het plan is beoordeeld door de omgevingstafel en dat men daar enthousiast is over de ontwikkeling. In de e-mail staat verder dat er vanuit het planologische traject enkele aandachtspunten zijn en dat nader onderzoek is vereist.
3.21.
Bij e-mail van 24 mei 2022 (productie 13 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] het verslag toegestuurd van het overleg van de omgevingstafel. In dat verslag staat dat voor het initiatief van [de eiser] onder andere advies nodig is op het gebied van stedenbouw/ruimtelijke ordening, economische zaken/recreatie en toerisme, cultuurhistorie/erfgoed, archeologie, landschappelijk/stedelijk groen/openbare ruimte/ecologie, verkeer/parkeren, bodem en geluid. In de begeleidende mail staat dat nog inzicht moet komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat [de eiser] daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moet aanleveren met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets. De e-mail vermeldt ook dat de uitgebreide aanvraagprocedure van toepassing is.
3.22.
Op 7 juli 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente over de noodzaak van funderingsherstel.
3.23.
Bij e-mail van 17 augustus 2022 heeft [de eiser] een ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 naar de gemeente gestuurd (productie 9 bij antwoord). Deze ruimtelijke onderbouwing gaat uit van elf kamers in totaal, waarvan tien kamers in het hoofdgebouw en één kamer in het bijgebouw.
3.24.
Op 6 september 2022 is het plan van [de eiser] opnieuw besproken aan de omgevingstafel. Het verslag van deze bijeenkomst (productie 11 bij antwoord) maakt melding van enkele aandachtspunten. Onder meer staat in het verslag dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan.
3.25.
Op 6 oktober 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] , de gemeente, de RKC en de RCE. [de eiser] heeft toen een presentatie gegeven over zijn plan voor [het rijksmonument] (productie 12 bij antwoord). Onderdeel van die presentatie is een tijdlijn van het vergunningtraject. In die tijdlijn staat onder meer vermeld: “
Aanvraag vooroverleg 10 augustus 2021” en “
Indiening OLO 22 februari 2022”.
3.26.
Bij e-mail van 6 oktober 2022 (productie 13 bij antwoord) is aan [de eiser] verzocht om de RCE van documenten te voorzien waaruit blijkt dat zal worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012 (met name de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ventilatie). [de eiser] heeft vervolgens documentatie opgesteld waarin een toetsing aan het Bouwbesluit 2012 is opgenomen (productie 14 bij antwoord).
3.27.
Bij brief van 5 december 2022 (productie 13a bij dagvaarding) heeft [de eiser] de gemeente geïnformeerd over de aanpassingen die hij heeft gedaan naar aanleiding van het overleg van 6 oktober 2022. Het funderingsontwerp is aangepast, er is een wijziging aangebracht in de uitvoering – metselwerk is vervangen door beton – en een actueel geotechnisch advies is bijgevoegd. [de eiser] heeft de gemeente met klem verzocht mee te werken aan een afsluiting, liefst met goedkeuring, voor kerst 2022.
3.28.
Op 8 december 2022 heeft [de eiser] een gewijzigde ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (productie 15 bij antwoord). Deze gaat uit van zeventien kamers in totaal, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het gebouw waar de spa zal worden gerealiseerd.
3.29.
Op 2 januari 2023 heeft de RCE onvoorwaardelijk akkoord gegeven op het funderingsherstel.
3.30.
Op 24 januari 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. Het verslag van dat overleg (productie 16 bij antwoord) vermeldt onder meer dat de ruimtelijke onderbouwing nog op enkele punten moet worden aangepast. Zo heeft de gemeente opgemerkt dat de toevoeging van extra kamers niet met haar is afgestemd of door haar is goedgekeurd en tot gevolg heeft dat extra parkeerplaatsen nodig zijn, en dat het parkeren op eigen terrein vorm moet krijgen met één inrit terwijl nu twee inritten staan ingetekend. Verder heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat zij niet wil meewerken aan een standplaats voor buitenverkoop. Ook moet er inzicht komen in de parkeersituatie en erfinrichting en moet er een goede ruimtelijke onderbouwing komen, met akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en een watertoets. [de eiser] heeft op zijn beurt aangegeven dat er een tiende parkeerplaats moet komen, op gemeentegrond, en dat hij graag twee inritten wil. Verder heeft [de eiser] kenbaar gemaakt dat het buitenverkooppunt belangrijk is voor de financiële haalbaarheid van het plan en dat “over een tijd” een ecologisch onderzoek volgt naar uilen en later naar vleermuizen en marterachtigen.
3.31.
Op 31 januari 2023 heeft de RCE een integraal advies uitgebracht (productie 18 bij antwoord). De RCE is op hoofdlijnen akkoord met het plan voor wat betreft erfgoedaspecten. Het advies is positief onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat nog een maquette/3D-beeld van het wellnessgebouw wordt voorgelegd ter advisering.
3.32.
Op 2 februari 2023 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. De gemeente heeft daarbij aan [de eiser] onder meer laten weten dat het maximaal aantal kamers in het hoofdgebouw twaalf stuks is en dat in de bijgebouwen geen kamers mogen worden gerealiseerd. Verder moet worden geparkeerd op eigen terrein en met één inrit en moet het buitenverkooppunt uit de ruimtelijke onderbouwing worden gehaald. De onderbouwing van het stikstofaspect is volgens de gemeente onvoldoende. Ten slotte heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten hoe het ecologisch aspect in kaart moet worden gebracht en dat de watertoets moet worden gevolgd bij Waterschap Vallei en Veluwe.
3.33.
Naar aanleiding van het overleg op 2 februari 2023 is een interne memo opgesteld voor de portefeuillehouder van de gemeente (productie 19 bij antwoord). Daarin staat vermeld dat nog niet alle onderzoeken zijn aangeleverd die horen bij de ruimtelijke onderbouwing, zoals ecologisch onderzoek. Bovendien is de ruimtelijke onderbouwing op 8 december 2022 door het toevoegen van meerdere kamers zodanig gewijzigd dat dit leidt tot een vergrote intensiteit op het perceel, die onwenselijk wordt geacht. Volgens het memo neemt de gemeente het standpunt in dat in het hoofdgebouw maximaal twaalf kamers zijn toegestaan en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw.
3.34.
Bij e-mail van 3 februari 2023 (productie 20 bij antwoord) heeft [de eiser] aan de gemeente meegedeeld dat de vier kamers in het spagebouw en de suite in de oude stal nodig zijn voor een haalbare businesscase en dat [het rijksmonument] zonder deze vijf kamers niet haalbaar is.
3.35.
Bij e-mail van 9 februari 2023 (productie 21 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat de gemeente blijft bij het standpunt dat twaalf kamers in het hoofdgebouw en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw passend en verantwoord is. De gemeente heeft aan [de eiser] geadviseerd om voor dit deel het vergunningtraject in te gaan en de ruimtelijke onderbouwing aan te passen, zodat [de eiser] kan starten met de opbouw. Daarnaast heeft de gemeente [de eiser] geadviseerd om voor een eventuele uitbreiding op dit plan – de kamers in de bijgebouwen – een apart traject te starten en een vooradvies in te dienen, met daarbij een passend participatietraject voor de buurt.
3.36.
Bij brief van 17 februari 2023 (productie 22 bij antwoord) heeft [de eiser] zijn ongenoegen geuit en de gemeente in gebreke gesteld “
wegens het ook op dit onderdeel ongefundeerd opvoeren van niet bestaande nadelige effecten van het voorliggende ontwerp op de leefomgeving. Ik verwacht van uw gemeente datuiterlijk op maandag 19 februari 2023 om 14:00 uurschriftelijk aan mij is bevestigd dat er geen nadelige verkeer-aantrekkende werking optreedt en als u dat niet doet in ieder geval uiterlijk op dat moment met een concrete, geobjectiveerde en verifieerbare weerlegging van onze argumentatie aanlevert.
3.37.
Bij brief van 20 februari 2023 (productie 23 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college van burgemeester en wethouders onder meer geschreven:
“(…)
Wij zijn in een vooradviestraject gegaan met gemeente in maart 2021(…).”
Verder vermeldt deze brief dat de vier kamers aan het eerdere plan zijn toegevoegd naar aanleiding van de dialoog met de RKC en RCE en de veranderde wereld, zoals de oorlog in Oekraïne en de daarmee veranderde economische situatie (gestegen (bouw)kosten, gewijzigd investeringsklimaat en veranderend consumentengedrag, wat leidde tot een “substantieel uitdagender businesscase”).
3.38.
Bij brief van 21 februari 2023 (productie 16 bij dagvaarding) aan de gemeente heeft [de eiser] zich op het standpunt gesteld dat het proces om te komen tot een omgevingsvergunning buitengewoon moeizaam is gebleken, met onverantwoord lange doorlooptijden en enorme vertragingen tot gevolg. [de eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het handelen van de gemeente stelt te hebben geleden en nog steeds lijdt. Eén van de verwijten van [de eiser] aan de gemeente is dat de gemeente ten onrechte geen extra kamers/suites heeft toegestaan, terwijl minimaal zestien kamers/suites nodig zijn voor een sluitende businesscase.
3.39.
Bij brief van 13 maart 2023 (productie 24 bij antwoord) heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze gaat uit van tien kamers in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in de spa. De ruimtelijke onderbouwing maakt melding van een peiling die is gehouden in de buurt, waaruit blijkt dat de omwonenden positief zijn over de plannen en het een goede ontwikkeling vinden in de wijk. Ook bevat de ruimtelijke onderbouwing een watertoets, stikstoftoets en ecologische toets.
3.40.
Bij e-mail van 15 maart 2023 (productie 13b bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat zij zou overgaan tot het gereedmaken van de omgevingsvergunning.
3.41.
Bij e-mail van 22 maart 2023 (productie 14 bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] verzocht om een planschadeovereenkomst te ondertekenen en om vragenformulieren in te vullen in het kader van een toets aan de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur).
3.42.
Bij e-mail van 24 mei 2023 (productie 25 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] de laatste actiepunten gestuurd die nog moeten worden uitgevoerd voordat de gemeente op de aanvraag kan beslissen. Het gaat om het aanleveren van de benodigde informatie voor de Bibob-toetsing, het aanleveren van de ondertekende planschadeovereenkomst, het verwerken van de laatste aanpassingen en opmerkingen op het gebied van brandveiligheid en het verwerken van de erfgoedkundige voorwaarden.
3.43.
Op 30 mei 2023 heeft [de eiser] een planschadeovereenkomst ondertekend en naar de gemeente gestuurd (productie 26 bij antwoord).
3.44.
Op 1 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente (productie 28 bij antwoord). Daarin heeft [de eiser] aangegeven dat de omgevingsvergunning een voorwaarde is voor de aanvraag van een hypotheek bij het Nationaal Restauratiefonds en de aanvraag van een subsidie bij de provincie Gelderland.
3.45.
Op 26 juni 2023 hebben de RCE en RKC een positief definitief advies uitgebracht (productie 32 bij antwoord). Aan het advies zijn enkele bouwkundige voorwaarden verbonden.
3.46.
Op 14 juli 2023 heeft de gemeente het ontwerpbesluit ter inzage gelegd (productie 33 bij antwoord). Onderdeel van het ontwerpbesluit is de ruimtelijke onderbouwing van 13 maart 2023, die betrekking heeft op het realiseren van vijftien kamers. Aan de vergunningverlening is de opschortende voorwaarde verbonden dat [de eiser] de gegevens overlegt waarmee het Bibob-onderzoek kan worden verricht (productie 29 bij antwoord).
3.47.
Op 24 augustus 2023 heeft [de eiser] een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend (productie 34 bij antwoord). Daarin heeft hij de gemeente verzocht om de woonfunctie te handhaven voor alle huisnummers op het perceel met het oog op de woonhuissubsidie, voorschrift c over het overleg over de uitvoeringswerkzaamheden te schrappen en medewerking toe te zeggen aan ‘plan B’ (slopen en nieuwbouw).
3.48.
Bij brief van diezelfde datum (productie 36 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college onder meer geschreven dat tijdens het vooroverleg in de periode van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is opgetreden “
door slecht vooroverleg”.
3.49.
Op 31 oktober 2023 heeft de gemeente de omgevingsvergunning aan [de eiser] verleend (productie 18 bij dagvaarding). Naar aanleiding van de zienswijze van [de eiser] zijn ten opzichte van het ontwerpbesluit tekstuele aanpassingen gedaan, maar geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.
3.50.
De omgevingsvergunning is door het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk geworden.
3.51.
Bij brief van 20 december 2023 (productie 19 bij dagvaarding) heeft [de eiser] een wethouder van de gemeente verzocht om rectificatie van onjuiste, schadelijke uitlatingen die de wethouder in raadsvergaderingen en de media zou hebben gedaan over [de eiser] en het project. Daarnaast heeft [de eiser] in de brief uiteengezet dat en op welke wijze de gemeente volgens hem in het vergunningtraject zeer onzorgvuldig en onjuist jegens hem heeft gehandeld, waardoor forse vertragingsschade is ontstaan die de gemeente moet vergoeden.
3.52.
Bij brief van 29 mei 2024 (productie 26 bij dagvaarding) heeft (de advocaat van) de gemeente aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.53.
[de eiser] is tot op heden niet met de bouwwerkzaamheden begonnen.

4.Het geschil

4.1.
[de eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] door niet tijdig op de aanvraag voor een omgevingsvergunning te beslissen;
II. de gemeente veroordeelt tot betaling van de schade die [de eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden, door [de eiser] begroot op € 1.087.692,00 inclusief btw (€ 898.919,00 exclusief btw), althans tot vergoeding van een door de rechtbank te bepalen bedrag;
III. de gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00 exclusief btw, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

5.De beoordeling

De vorderingen van [de eiser] worden afgewezen
5.1.
De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing komt.
Er geldt een beslistermijn van maximaal zes maanden na ontvangst van de aanvraag
5.2.
Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning is de reguliere of de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat in dit geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Op grond van artikel 3:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt daarbij een beslistermijn van maximaal zes maanden (26 weken), die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmalig met zes weken worden verlengd (artikel 3.12 lid 8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze destijds gold).
De beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022
5.3.
De wettelijke beslistermijn voor de gemeente is ingegaan op 23 februari 2022. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] immers de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend via het daarvoor bestemde OLO (zie 3.16) en heeft de gemeente de ontvangst van de aanvraag aan hem bevestigd (zie 3.17).
5.4.
Het standpunt van [de eiser] , dat hij de aanvraag heeft gedaan op 10 augustus 2021 en dat de beslistermijn toen is ingegaan, snijdt geen hout. Met de e-mail die [de eiser] op die dag naar de gemeente heeft gestuurd, heeft hij geen aanvraag gedaan, maar een document ingediend ten behoeve van een vooroverleg. Zo omschrijft [de eiser] het zelf en zo heeft de gemeente het ook opgevat zoals blijkt uit de ontvangstbevestiging van 17 augustus 2021 (zie 3.4 en 3.5). Ook in het aangepaste plan dat [de eiser] op 3 januari 2022 bij de gemeente heeft ingediend en in zijn e-mail van 2 februari 2022 aan de casemanager spreekt hij van “vooroverleg” (zie 3.9 en 3.13). In die e-mail schrijft [de eiser] verder: “
Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen.(…)
Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen.” Van een formele aanvraag en procedure was toen dus ook volgens [de eiser] zelf nog geen sprake. Ook uit andere communicatie van [de eiser] met de gemeente blijkt dat volgens [de eiser] op 10 augustus 2021 nog geen sprake was van een aanvraag. In de presentatie die [de eiser] op 6 oktober 2022 heeft gegeven aan de RCE, RKC en de gemeente (zie 3.25), heeft hij in een tijdlijn van het vergunningtraject vermeld dat op 10 augustus 2021 een vooroverleg is aangevraagd en dat op 22 februari 2022 een indiening via het OLO heeft plaatsgevonden. Verder heeft [de eiser] in zijn brief van 20 februari 2023 aan het college (zie 3.37) geschreven dat sprake was van een vooradviestraject vanaf maart 2021. En in zijn brief van 24 augustus 2023 (zie 3.48) aan het college heeft [de eiser] geschreven dat tijdens het vooroverleg van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is ontstaan doordat één en ander niet voortvarend zou zijn opgepakt. Gezien het voorgaande heeft [de eiser] op 10 augustus 2021 geen aanvraag gedaan.
5.5.
Het primaire standpunt van de gemeente, dat de beslistermijn is ingegaan op 13 maart 2023 omdat toen pas sprake was van een volledige aanvraag, houdt evenmin stand. Dat de aanvraag op 22 februari 2022 nog niet compleet was en dat [de eiser] eerst nog aanvullende gegevens moest aanleveren voordat de gemeente een inhoudelijke beslissing kon nemen, maakt – anders dan de gemeente betoogt – niet dat de beslistermijn niet op de daaropvolgende dag is ingegaan.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wettelijke beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022, de dag nadat [de eiser] de aanvraag heeft ingediend via het OLO.
De beslistermijn is met veertien maanden overschreden
5.7.
De beslistermijn is in dit geval zes maanden (artikel 3:18 Awb Pro) en is begonnen op 23 februari 2022. De beslistermijn eindigde dus in beginsel op 24 augustus 2022. De vergunning is afgegeven op 31 oktober 2023. Dat is (ruim) veertien maanden te laat.
De overschrijding van de beslistermijn is niet onrechtmatig
5.8.
De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, is onvoldoende voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden. [1] Een beslistermijn strekt er in de eerste plaats toe het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn. [2]
5.9.
In het in voetnoot 2 genoemde arrest oordeelde de Hoge Raad verder dat het erom gaat of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was. Bij de beoordeling of een termijnoverschrijding al dan niet onrechtmatig is, komt gewicht toe aan de mogelijkheid die het bestuursorgaan heeft om een termijn te verlengen. Of van die mogelijkheid gebruik is gemaakt, is daarbij niet doorslaggevend. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid kan niet zonder meer voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat, hoewel geen formele verlenging van de termijn heeft plaatsgevonden, de overschrijding van de termijn wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ had kunnen worden door verdaging. De Hoge Raad hecht belang aan het feit dat het voor betrokkene duidelijk was wanneer wel een besluit kon worden verwacht.
5.10.
Tegen de achtergrond van dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onrechtmatige overschrijding van de beslistermijn. Daartoe overweegt zij het volgende.
5.11.
Nadat de aanvraag op 22 februari 2022 was ingediend – en terwijl het traject bij de omgevingstafel gaande was – heeft de casemanager van de gemeente op 24 mei 2022 aan [de eiser] laten weten dat nog inzicht moest komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moest worden opgesteld met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch onderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets (zie 3.21). Pas op 17 augustus 2022, dus bijna een half jaar na de aanvraag, heeft [de eiser] voor het eerst een ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (zie 3.23). Uitgaande van de wettelijke beslistermijn van zes maanden/26 weken had de gemeente daar dan binnen een week op moeten beslissen. Dat is niet reëel.
5.12.
De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld – en [de eiser] heeft op zichzelf niet weersproken – dat de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 zowel op planologisch gebied als op erfgoedkundig gebied onvoldoende was uitgewerkt om tot vergunningverlening over te gaan. Daarbij wijst de gemeente op het verslag van de omgevingstafel van 6 september 2022, waarin staat vermeld dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan (zie 3.24). De gemeente heeft ook onweersproken aangevoerd dat bij de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 niet alle benodigde onderzoeken door [de eiser] zijn aangeleverd, terwijl hij daar wel op was gewezen in het eerste verslag van de omgevingstafel van 24 mei 2022. De watertoets, stikstoftoets en ecologische toets zijn pas in maart 2023 door [de eiser] aangeleverd (zie 3.39). Verder heeft [de eiser] pas in oktober 2022 een toetsing aan het Bouwbesluit laten uitvoeren (zie 3.26). Ook heeft [de eiser] na het overleg met de RKC en de RCE van 6 oktober 2022 nog aanpassingen doorgevoerd op erfgoedkundig gebied, zoals blijkt uit zijn brief aan de gemeente van 5 december 2022 (zie 3.27). Gelet op deze gang van zaken is de ontstane vertraging opgetreden aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om tot een complete vergunningaanvraag te komen ligt bij [de eiser] Hij kan de gemeente dan ook niet verwijten dat zij in 2022 nog geen besluit heeft genomen op de vergunningaanvraag en dus ook niet dat de wettelijke beslistermijn is overschreden in de periode van 22 augustus 2022 tot en met december 2022.
5.13.
Op 8 december 2022 heeft [de eiser] bovendien een aangepaste ruimtelijke onderbouwing ingediend. Deze ging uit van zeventien (in plaats van elf) kamers, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het spa-gebouw. Zowel op 24 januari 2023 (zie 3.30) als op 2 februari 2023 (zie 3.32) heeft de gemeente aan [de eiser] kenbaar gemaakt dat deze uitbreiding van het aantal kamers planologische gevolgen heeft waaraan de gemeente niet wil meewerken. Ook is [de eiser] er op gewezen dat nog steeds bepaalde onderzoeken niet zijn overgelegd terwijl [de eiser] er al op 24 mei 2022 over was geïnformeerd dat hij die onderzoeken moest aanleveren (zie 3.21). Tijdens het overleg op 24 januari 2023 heeft [de eiser] meegedeeld dat hij “over een tijd” ecologisch onderzoek zal laten verrichten naar uilen en later ook naar vleermuizen en marterachtigen. Ook hier is de vertraging ontstaan aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om de benodigde gegevens tijdig aan te leveren ligt bij hem. Hij kan de vertraging niet aan de gemeente tegenwerpen.
5.14.
Op 13 maart 2023 heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze ging uit van vijftien kamers in totaal. Ook zijn daarbij de nog ontbrekende onderzoeken (watertoets, stikstoftoets en ecologische toets) aangeleverd (zie 3.39). Daarmee was de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag compleet. Na het definitieve akkoord van de RCE en RKC van 26 juni 2023 (zie 3.45) kon de gemeente positief op de aanvraag beslissen.
5.15.
Gerekend vanaf 14 maart 2023 had de gemeente, uitgaande van de beslistermijn van zes maanden (26 weken), op 12 september 2023 een besluit moeten nemen. De vergunning is verleend op 31 oktober 2023. Dat is een zodanig geringe overschrijding van de beslistermijn dat deze geen onrechtmatig handelen van de gemeente oplevert.
5.16.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [de eiser] op 24 augustus 2023 (de een-na-laatste dag van de termijn) zelf een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, dat op 14 juli 2023 ter inzage is gelegd. Ook deze handelwijze van [de eiser] heeft vertragend gewerkt op de besluitvorming. De rechtbank neemt bij het voorgaande ook de voor de gemeente kenbare belangen van [de eiser] in aanmerking. Deze kenbare belangen houden in dat [de eiser] , zoals hij aan de gemeente heeft meegedeeld, minimaal zestien kamers nodig heeft voor een sluitende businesscase en ook dat hij de vergunning nodig heeft om een hypotheek en subsidie te kunnen aanvragen. Wat daarvan verder ook zij, deze omstandigheden doen er niet aan af dat het op de weg van [de eiser] lag om de benodigde gegevens tijdig bij de gemeente aan te leveren.
5.17.
Het enkele feit dat de gemeente de beslistermijn nooit (tussentijds) heeft verlengd, maakt het voorgaande niet anders. De termijnoverschrijding had immers wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ kunnen worden door verlenging van de termijn. De belangen afwegend komt de rechtbank tot de slotsom dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente. Aan een beoordeling van de gestelde schade komt de rechtbank dan niet toe.
Ook ‘in breder perspectief’ komt onrechtmatig handelen van de gemeente niet vast te staan
5.18.
[de eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van de gemeente ook “in breder perspectief” onrechtmatig is, omdat de gemeente heeft gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. In dat kader voert [de eiser] elf (vermeende) gedragingen van de gemeente op die onrechtmatig zouden zijn. De gemeente heeft hiertegen aangevoerd dat [de eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan de stelplicht, omdat hij heeft nagelaten per (vermeende) onrechtmatige gedraging aan te geven tot welke schade en tot welk schadebedrag dit handelen heeft geleid. Dit verweer is gegrond. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze grondslag komt de rechtbank niet toe.
[de eiser] krijgt ongelijk en wordt veroordeeld in de proceskosten
5.19.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Wat partijen meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.
5.20.
[de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van de gemeente op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
16.312,00
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
6.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. K.H.A. Heenk en mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
JE/PB/KH/FB

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040
2.Vgl. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579