Eisers hebben het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem verzocht handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van een recreatiewoning op het Bospark. Het college verklaarde het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk omdat eisers niet als belanghebbenden werden aangemerkt. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, maar ook dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank beoordeelt het beroep en stelt vast dat het college ten onrechte heeft besloten dat eisers bezwaar konden maken tegen de beslissing van 11 september 2024. De rechtbank analyseert de belanghebbendheid van de individuele eisers en concludeert dat geen van hen feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt van de permanente bewoning. Dit geldt ook voor [eiseres 1], ondanks haar eigendom van een klein aandeel in de gemeenschappelijke gronden, en voor [eiser] en [eiseres 2], die geen eigendom of huurrecht hebben.
De rechtbank benadrukt dat het handhavingsverzoek geen aanvraag is en dat de afwijzende beslissing geen besluit in de zin van de Awb is, waardoor bezwaar niet mogelijk was. De beslissing op bezwaar wordt vernietigd en het bezwaar van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard. Tevens wordt het griffierecht aan eisers vergoed.
De uitspraak kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.