ECLI:NL:RBGEL:2026:2648

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
K/5001/11663096
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 2 cao PBArt. 47 cao PB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing loonvordering op grond van cao particuliere beveiliging

De eiser was van augustus 2020 tot november 2024 oproepkracht bij de gedaagde, werkzaam als beveiliger onder een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er ontstond een geschil over de toepassing van de cao particuliere beveiliging (cao PB) en de betaling van loon, toeslagen en reiskostenvergoeding. Na eerdere procedures en onderhandelingen sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin finale kwijting werd verleend, met uitzondering van een mogelijke loonvordering gebaseerd op toeslagen uit de cao PB.

De kantonrechter moest de uitleg van artikel 12.5 van de vaststellingsovereenkomst beoordelen aan de hand van de Haviltex-norm. De rechter oordeelde dat alleen loonvorderingen gebaseerd op toeslagen uit de cao PB waren uitgesloten van finale kwijting, en dat overige loonvorderingen onder de kwijting vielen. De loonvordering van de eiser voor een correctie op het uurloon en de vakantietoeslag werden daarom afgewezen.

De reiskostenvergoeding werd afgewezen omdat de eiser een leaseauto ter beschikking had gekregen die als een gunstige afwijking van de cao werd beschouwd. Wel kon de eiser aanspraak maken op een vergoeding voor woon-werkverkeer boven 40 kilometer, maar deze vordering was onvoldoende onderbouwd. De onregelmatigheidstoeslag werd toegewezen omdat deze vordering was uitgesloten van finale kwijting en de gedaagde onvoldoende gemotiveerd had betwist. Daarnaast werd de wettelijke verhoging en rente toegewezen. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €5.974,63 bruto plus wettelijke verhoging en rente, en tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering op basis van toeslagen wordt toegewezen, overige loon- en reiskostenvergoedingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11663096 \ CV EXPL 25-1311
Vonnis van 13 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [de eiser]
gemachtigde: mr. M.P.J. Rubens
tegen
[naam gedaagde]h.o.d.n.
[naam gedaagd bedrijf]
zaakdoende te [vestigingsplaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [de gedaagde]
gemachtigde: mr. D.F. de Hamer

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 20 juni 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord van [de gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 1 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende productie 11 van [de eiser] ;
- de aanvullende productie 4 van [de gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. [de eiser] is verschenen met zijn gemachtigde mr. Rubens. Aan de zijde van [de gedaagde] is verschenen [de gedaagde] vergezeld door [belanghebbende] en bijgestaan door mr. De Hamer. De gemachtigden hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt spreekaantekeningen voor te dragen. De griffier heeft aantekeningen gehouden van hetgeen aan de orde gekomen.
1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de gedaagde] is een onderneming die actief is in de beveiliging op het gebied van horeca en evenementen maar ook particuliere beveiliging.
2.2.
[de eiser] is in de periode 1 augustus 2020 tot 1 november 2024 als oproepkracht werkzaam geweest bij [de gedaagde] in de functie van Beveiliger, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.3.
In 2023-2024 is een bodemprocedure gevoerd (zaaknummer 10721245 \ cv expl 23-2795) tussen een werknemer en [de gedaagde] waarbij [de gedaagde] in een vonnis van 3 mei 2024 is veroordeeld achterstallig loon aan de betreffende werknemer te betalen, de wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Ten aanzien van de toepasselijke cao is geoordeeld:
4.3. (..)
Vast staat aldus dat [de gedaagde] [ [de gedaagde] ; kantonrechter] een beveiligingsbedrijf uitoefent dat, gelet op haar activiteiten en de aan haar verstrekte vergunning, valt onder de werkingssfeer van de cao PB, zoals omschreven in artikel 2 van Pro die cao. Dit betekent dat de cao PB van toepassing is op de arbeidsovereenkomst die partijen hebben gesloten en dat [de gedaagde] de verkeerde cao heeft toegepast. Van de uitzonderingssituatie waarin de cao EHB van toepassing is kan in dit geval immers geen sprake zijn, omdat [de gedaagde] geen lid is van de Nederlandse Veiligheidsbranche.
2.4.
Vervolgens is er tussen [de eiser] en [de gedaagde] een geschil ontstaan. Medio augustus 2024 is namens [de eiser] een verzoekschrift tot vernietiging van ontslag op staande voet ingediend bij deze rechtbank. In die zaak stond een mondelinge behandeling gepland op 8 oktober 2024.
2.5.
Partijen, ieder bijgestaan door hun gemachtigde, zijn vervolgens in onderhandeling met elkaar getreden. Naar aanleiding daarvan is een concept vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, opgesteld door de gemachtigde van [de gedaagde] (hierna: mr. De Hamer), met de volgende tekst in artikel 12.6:
Partijen verlenen elkaar, na effectuering van hetgeen in deze overeenkomst is bepaald, over en weer finale kwijting ter zake van alle aangelegenheden voor nu en in de toekomst die de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan betreffen en verklaren niets meer van elkaar te vorderen te hebben.
2.6.
Nadien hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt, die zijn opgenomen in een addendum. De gemachtigde van [de eiser] (hierna: mr. Rubens) heeft als gevolg hiervan bij e-mail van 30 september 2024 aan mr. De Hamer een aanpassingsverzoek gedaan:
(..)
Wilt u in het concept artikel 12.5 schrappen en artikel 12.6 als volgt aanpassen:
Partijen verlenen elkaar, na effectuering van hetgeen in deze overeenkomst en het daarbij behorende addendum is bepaald, over en weer finale kwijting ter zake van alle aangelegenheden voor nu en in de toekomst die de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan betreffen en verklaren niets meer van elkaar te vorderen te hebben.
2.7.
Bij e-mail van 1 oktober 2024 heeft mr. Rubens de uitspraak van 3 mei 2024 (genoemd in r.o. 2.3) aan mr. De Hamer gestuurd en erop gewezen dat de uitspraak leidt tot een aanvullende loonvordering:
Het was mijn bedoeling u gisteren een door cliënt ondertekende VSO en Addendum te sturen. Gisteren meldde cliënt mij echter nieuwe informatie die hij ook pas sinds dit weekend heeft. Ik zend u bijgaand een vonnis waarbij uw cliënt bij verstek is veroordeeld om de cao particuliere beveiliging na te leven. Deze informatie maakt dat de heer [de eiser] een aanvullende loonvordering heeft over de periode dat hij in de opvang voor mensen uit Oekraïne op ongebruikelijke tijden heeft gewerkt. Deze aanvullende loonvordering moet nog worden berekend en als eisvermeerdering aan de rechtbank worden voorgelegd. Het maakt wel dat client niet bereid is om de eerder gemaakte afspraak tegen finale kwijting gestand te doen.
(..)
Mij lijkt dat alsnog afspraken kunnen worden gemaakt, als het addendum vermeld dat een aanvullende loonvordering gebaseerd op toeslagen uit de cao particuliere beveiliging door [de gedaagde] ten behoeve van de heer [de eiser] zullen worden gehonoreerd. Wilt u bij uw cliënt navragen of hij hiertoe bereid is?
2.8.
Bij e-mail van 2 oktober 2024 heeft mr. Rubens aan mr. De Hamer verzocht een aangepaste vaststellingsovereenkomst en addendum te formuleren. In dat bericht staat vermeld, voor zover thans van belang:
(..)
De heer [de eiser] heeft in zijn laatste bericht gemeld dat hij bereid is het scenario te volgen dat de toepassing van de cao PB uit de finale kwijting wordt gehaald. Wilt u dit in een aangepaste VSO en addendum formuleren?
(..)
2.9.
Tussen partijen is vervolgens een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, waarna de verzoekschriftprocedure (genoemd onder r.o. 2.4) bij deze rechtbank is ingetrokken. In de vaststellingsovereenkomst is in artikel 12.5 bepaald:
(..) Ten tijde van het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst bestaat tussen partijen nog geschil over een eventuele toepassing van de cao Particulier Beveiliging. Werknemer meent een loonvordering op Werkgever te hebben gebaseerd op toeslagen uit de cao Particuliere Beveiliging. Partijen sluiten deze eventuele vordering nadrukkelijk uit van de finale kwijting.
2.10.
Op 26 november 2024 heeft mr. Rubens een berekening van de vordering van [de eiser] , bestaande uit een loonvordering, reiskostentoeslag en onregelmatigheidstoeslagen, aan mr. De Hamer gezonden.
2.11.
Bij e-mail van 28 januari 2025 heeft mr. De Hamer daarop gereageerd en de loonvordering van [de eiser] (grotendeels) afgewezen. In de e-mail is onder meer vermeld:
(..)
Allereerst geeft uw cliënt in het Excel-bestand (cao vergelijking [de eiser] ) aan dat er een correctie op het uurloon plaats zou moeten vinden, waardoor hij een loonvordering op cliënte zou hebben van € 3.329,89 bruto. Nog even los van het feit dat cliënte de ingevulde gewerkte uren betwist, zijn partijen in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting overeengekomen. Daarbij verwijs ik naar de volgende passage uit artikel 12.5 van de vaststellingsovereenkomst.
“Werknemer meent een loonvordering op Werkgever te hebben gebaseerd op toeslagen uit de cao Particuliere Beveiliging. Partijen sluiten deze eventuele vordering nadrukkelijk uit van de finale kwijting.”
Enkel een eventuele loonvordering gebaseerd op toeslagen uit de cao Particuliere Beveiliging is dan ook uitgesloten van de finale kwijting. Voor het overige hebben partijen verklaard niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Cliënte is dan ook niet bereid een eventuele vordering gebaseerd op een correctie van het uurloon (..) te betrekken in een eventueel te sluiten minnelijke regeling.
Met betrekking tot het vergoeden van (een toeslag op) reiskosten, meent uw cliënt een vordering op cliënte te hebben van € 3.771,16 bruto. Dit verbaast cliënte. Uw cliënt heeft gedurende zijn dienstverband bij [de gedaagde] namelijk een leaseauto tot zijn beschikking gehad waar hij zowel zakelijk als privé mee heeft gereden. Partijen hadden de afspraak gemaakt dat uw cliënt de leaseauto zowel zakelijk als privé mocht rijden en dat hij enkel de benzine zelf diende te betalen. De kosten van de auto, waaronder (maar niet uitsluitend) begrepen verzekeringen, wegenbelasting en onderhoud, zou [de gedaagde] op zich nemen. (..) Cliënte is dan ook niet bereid de reiskostenvergoeding, waar u cliënt meent recht op te hebben, te betrekken in een minnelijke regeling.
Het derde onderdeel (..) gaat over een onregelmatigheidstoeslag. Uw cliënt geeft aan een vordering (..) te hebben van € 5.974,63 bruto. Hoewel cliënte bereid is hierover met uw cliënt in gesprek te treden, is het voor cliënte niet duidelijk hoe uw cliënt op dit bedrag is gekomen. (..) Indien zij dezelfde uren invult, (..) komt zij op een lager bedrag uit, namelijk € 5.673,08.
Gelet op dit grote verschil ziet cliënte graag een onderbouwing van de gemaakte uren (in de vorm van de urenbriefjes van uw client), en een toelichting op de door uw cliënt ingevulde tabel voor de onregelmatigheidstoeslag tegemoet, zodat cliënte deze op waarheid kan beoordelen en partijen tot afspraken kunnen komen. (..)

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] te veroordelen om aan hem te betalen:
€ 10.048,88 bruto aan onvoldoende betaald loon, verhoogd met vakantietoeslag;
€ 5.024,44 bruto aan wettelijke verhoging
€ 3.771,16 bruto aan reiskostenvergoeding;
de wettelijke rente vanaf datum van deze uitspraak;
de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de gedaagde] heeft, ondanks een door [de eiser] opgestelde berekening, nagelaten een uitbetaling te doen van loon, toeslagen en reiskostenvergoeding die kan worden gebaseerd op de cao PB. Zij is daarom ook de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, en vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Beoordeeld dient te worden of [de gedaagde] gehouden is de vordering van [de eiser] te betalen, hetgeen [de eiser] stelt en [de gedaagde] gemotiveerd betwist.
4.2.
Partijen hebben ten eerste een geschil over de vraag hoe artikel 12.5 van de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd.
Omdat partijen het niet eens zijn over de uitleg van het beding, moet de kantonrechter het beding uitleggen aan de hand van de zogenaamde Haviltex-norm. [1] Daarbij gaat het doorgaans niet alleen om de letterlijke tekst van een overeenkomst, maar ook om de vraag welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Kort gezegd: wat waren de bedoelingen van partijen?
4.3.
[de eiser] stelt dat hij heeft bedoeld om de toepassing van de cao PB (in z’n geheel) uit de finale kwijting te laten, zoals ook is verzocht in de e-mail van 2 oktober 2024 van zijn gemachtigde. [de eiser] heeft meermaals de toepassing van de cao PB ter discussie gesteld en met toezending van het vonnis van 3 mei 2024 kon [de gedaagde] redelijkerwijs er niet van uitgaan dat [de eiser] de bedoeling had elementen van de toepassing van de cao PB achterwege te laten, aldus [de eiser] .
[de gedaagde] voert aan dat de definitieve tekst van artikel 12.5 van de vaststellings-overeenkomst is gebaseerd op de inhoud van de e-mail van 1 oktober 2024 van mr. Rubens, waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat een aanvullende loonvordering gebaseerd op toeslagen uit de cao PB dient te worden uitgesloten van de finale kwijting. Aangezien [de eiser] werd bijgestaan door een gemachtigde en partijen hebben gesproken en onderhandeld over de bepaling meent [de gedaagde] dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de inhoud van de bepaling een juiste weergave van de bedoeling van [de eiser] was.
4.4.
Hoewel de tekst van de vaststellingsovereenkomst bij de uitleg daarvan niet de enige factor is die meegewogen moet worden is dat wel een belangrijke factor.
De kantonrechter acht de bewoording ‘
gebaseerd op toeslagen uit de cao PB’zuiver taalkundig niet voor meerderlei uitleg vatbaar. Weliswaar staat tussen partijen vast dat mr. De Hamer de vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld, maar [de gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat de inhoud van artikel 12.5 letterlijk is overgenomen uit de e-mail van 1 oktober 2024 van mr. Rubens. De stelling van [de eiser] dat [de gedaagde] desondanks de inhoud van die e-mail had moeten begrijpen dat alle vorderingen gebaseerd op de cao PB dienden te worden uitgesloten van de finale kwijting, omdat [de gedaagde] dit uit de meegezonden uitspraak van 3 mei 2024 alsmede uit de daaropvolgende e-mail van 2 oktober 2024 had moeten opmaken, kan hem niet baten. Het ligt immers op de weg van een gemachtigde om de bedoeling van zijn cliënt zo concreet en duidelijk mogelijk weer te geven. Dit heeft zich geuit in de zeer specifiek omschreven aanvullende loonvordering gebaseerd op toeslagen uit de cao PB. Daar komt bij dat na de e-mail van 2 oktober 2024 een aangepaste versie van de vaststellingsovereenkomst aan [de eiser] is gezonden en [de eiser] de tekst met zijn gemachtigde heeft kunnen controleren en bespreken alvorens de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen.
Indien en voor zover de betreffende bepaling de bedoeling van [de eiser] niet op de juiste wijze weergaf, had het op de weg van (de gemachtigde van) [de eiser] gelegen hierop te ageren. Dit geldt temeer aangezien in een bestek van enkele dagen meerdere wijzigingsvoorstellen zijn gedaan vanuit (de gemachtigde van) [de eiser] en zijn besproken tussen partijen. Omdat [de eiser] vervolgens de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend en niet heeft geklaagd over de inhoud van de bepaling, dient het – gelet op de feitelijke gang van zaken – voor rekening en risico van [de eiser] te blijven dat artikel 12.5 van de vaststellingsovereenkomst niet een juiste weergave is van wat hij heeft bedoeld.
Een en ander leidt tot de conclusie dat [de gedaagde] gerechtvaardigd er vanuit mocht gaan of mocht begrijpen dat het de bedoeling van [de eiser] was om enkel de vorderingen gebaseerd op toeslagen uit de cao PB uit te sluiten van de finale kwijting.
Loonvordering
4.5.
De loonvordering van [de eiser] (betreffende een correctie op het uurloon van
€ 3.329,89) wordt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen afgewezen, omdat deze vordering valt onder de overeengekomen finale kwijting.
4.6.
De daarover meegevorderde vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente worden ook afgewezen, omdat die met de hoofdvordering samenhangen.
Reiskostenvergoeding
4.7.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de cao PB van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [de eiser] en dat deze cao een minimum karakter heeft. Dat betekent dat een afwijking ten gunste, maar niet ten nadele van [de eiser] is toegestaan. [de gedaagde] stelt dat ten gunste van [de eiser] is afgeweken, doordat hij een auto van de zaak ter beschikking gesteld heeft gekregen, die hij zowel zakelijk als privé kon gebruiken en waarbij hij alleen de benzinekosten hoefde te betalen. [de gedaagde] betaalde de verzekering, belastingen en eventuele schades. De auto was in feite gelijk aan een lease auto, maar zonder dat [de eiser] een bijtelling diende te betalen, aldus [de gedaagde] .
[de eiser] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. Hoewel in de uitspraak van 3 mei 2024 onder r.o. 4.11 is geoordeeld dat het ter beschikking stellen van een auto geen grond vormt om niet conform de cao reiskostenvergoeding te betalen, volgt uit artikel 47 lid 1 sub c van Pro de cao PB dat aanspraak kan worden gemaakt op reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer met eigen vervoer of voor het openbaar vervoer. Aangezien in deze zaak vast staat dat [de eiser] een auto van de zaak ter beschikking gesteld heeft gekregen, waarbij is onderbouwd dat dit op een zodanige wijze was dat dit als een afwijking van de cao ten gunste [de eiser] dient te worden beschouwd, is de conclusie dat [de eiser] (in beginsel) geen aanspraak op reiskostenvergoeding kan maken.
4.8.
Dit is anders wanneer sprake is van een situatie zoals bepaald in artikel 47 lid 3 cao Pro PB, waarbij het woon-werkverkeer meer dan 40 km bedraagt. Deze regeling geldt ook wanneer gebruik is gemaakt van een zakelijke auto. [de eiser] stelt dat hij naar een locatie in Deventer moest rijden (60 kilometer enkele reis) en dat hij zelf de benzinekosten moest betalen, waarvoor hij geld van collega’s moest lenen. [de gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [de eiser] op een evenement in Deventer was ingepland en dat zij, toen [de eiser] aangaf geen geld te hebben voor benzine, een voorschot op het salaris naar [de eiser] heeft overgemaakt.
Op grond van artikel 47 lid 3 cao Pro PB kan [de eiser] aanspraak maken op € 0,16 bruto per kilometer voor elke kilometer boven de 40 (per reisbeweging). [de eiser] heeft echter zijn vordering op dit punt niet nader onderbouwd, zodat thans niet vastgesteld kan worden hoe hoog de vergoeding is waar [de eiser] aanspraak op zou kunnen maken. De vordering van [de eiser] voor wat betreft de reiskostenvergoeding wordt daarom (als onvoldoende onderbouwd) afgewezen. De kantonrechter laat het evenwel aan partijen om ten aanzien van deze (naar de kantonrechter begrijpt) uitzonderlijke klus onderling nog tot een gelijk te komen.
Onregelmatigheidstoeslag
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat deze vordering is uitgesloten van de finale kwijting. Het meest verstrekkende verweer van [de gedaagde] is dat [de eiser] zijn klachtplicht zou hebben geschonden. [de eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat hij pas in maart/april 2024 realiseerde dat [de gedaagde] de verkeerde cao toepaste, waarna hij dit ter sprake heeft gebracht. Het verweer van [de gedaagde] op dit punt houdt daarom geen stand.
4.10.
[de eiser] heeft ter onderbouwing van deze vordering een uitgebreide specificatie overlegd (productie 9 bij dagvaarding). [de gedaagde] betwist de juistheid van deze vordering en stelt dat zij bij een herberekening op een lager bedrag uitkwam. De kantonrechter stelt voorop dat bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed de werkgever zijn betwisting mede zal moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens, die dan ook door de werkgever in het geding dienen te worden gebracht. Hier ontbreekt het aan. [de gedaagde] heeft tijdens de zitting gesteld dat haar boekhouder tot een andere berekening is gekomen, maar hiervan heeft zij geen stukken overgelegd. Daarnaast kon [de gedaagde] desgevraagd ook niet (concreet) aangeven op welke punten de berekening van [de eiser] onjuist was. Als gevolg daarvan moet het ervoor worden gehouden dat de specificatie en het door [de eiser] berekende bedrag van € 5.974,63 bruto juist is. Deze vordering van [de eiser] wordt daarom toegewezen.
4.11.
De wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro wordt toegewezen over het bedrag van € 5.974,63 bruto, nu [de gedaagde] de onregelmatigheidstoeslag niet (tijdig) aan [de eiser] heeft betaald en zij de verschuldigdheid ervan niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
4.12.
[de eiser] vordert de wettelijke rente over zijn vordering vanaf de datum van de uitspraak. Deze vordering wordt eveneens als niet weersproken en op grond van de wet (artikel 6:119 BW Pro) verschuldigd toegewezen over het toewijsbare deel van de vordering.
4.13.
Wat betreft het toegewezen bedrag wordt [de gedaagde] in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.
De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
954,00
4.14.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [de eiser] dat vordert en [de gedaagde] hier geen (kenbaar) verweer tegen heeft gevoerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 5.974,63 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging (conform artikel 7:625 BW Pro) en te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over het toegewezen bedrag vanaf de datum van deze uitspraak tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
40140 \ 560

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158; Haviltex