Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiseres], uit [plaats], eiseres
Dienst Toeslagen, de Dienst
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
3.3. Over het advies van het Belastingkantoor Zwolle heeft eiseres toegelicht dat haar destijds is verteld dat zij geen bezwaar moest maken tegen de terugvorderingen, maar zo snel mogelijk een betalingsregeling moest aanvragen. Eiseres vindt dit achteraf geen juist advies, omdat zij het oneens is met de terugvorderingen.
De rechtbank merkt hierover het volgende op. Het beroep van eiseres is gericht tegen het besluit tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling en niet tegen de openstaande terugvorderingen. In dit beroep kan de rechtbank zich dan ook niet uitlaten over de rechtmatigheid van de terugvorderingen. Het advies van het Belastingkantoor Zwolle, juist of niet, kan daarom geen invloed hebben op het besluit dat voorligt, namelijk de persoonlijke betalingsregeling.
Verder merkt eiseres terecht op dat in het bestreden besluit ten onrechte het inmiddels vervallen artikel 25.5.7 van de LI 2008 is opgenomen, maar ook dit maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. De Dienst heeft op basis van het juiste wettelijk kader, namelijk de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsregeling IW), en de door eiseres aangeleverde gegevens een berekening gemaakt van de betalingscapaciteit. Het noemen van een inmiddels vervallen artikel in het bestreden besluit, heeft geen invloed gehad op deze berekening.
Door de opgelegde betalingsregeling kan eiseres niet meer voorzien in de basisbehoeften van haar en haar gezin. Dat is in strijd met artikel 25 van Pro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Ook is het bestreden besluit in strijd is met het recht van eiseres op ongestoord genot van haar eigendom, zoals opgenomen in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
De Dienst heeft in de aangevoerde bijzondere omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de Uitvoeringsregeling IW in het geval van eiseres buiten toepassing te laten omdat deze evenredig zou uitwerken. Eiseres heeft gesteld dat zij door het niet meenemen van haar werkelijke uitgaven niet meer kan voorzien in de basisbehoeften van haar en haar gezin, maar zij heeft dit niet onderbouwd. Eiseres heeft wel een overzicht van haar inkomsten en uitgaven overgelegd, maar de hierin genoemde bedragen heeft zij niet onderbouwd met stukken. Over de aflossing/betalingsregelingen met derden, waaronder de aflossing van de restschuld van de hypotheek, heeft de Dienst op zitting gesteld dat ook als deze zouden worden meegenomen in de berekening er nog steeds voldoende betalingscapaciteit beschikbaar is om het maandbedrag van € 260 te betalen. Dit heeft eiseres ook niet betwist. Dit komt de rechtbank ook niet onjuist voor. Daarbij acht zij van belang dat in het bestreden besluit is vastgesteld dat de betalingscapaciteit, berekend conform de normbedragen € 2.917 is en het maandbedrag is vastgesteld op € 260. Van strijd met artikel 25 van Pro het UVRM is dan ook niet gebleken. Ook is geen sprake van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de door eiseres ontvangen (en inmiddels teruggevorderde) voorschotten geen ‘possession’ zijn in de zin van dit artikel. [4] Dit betekent dat de terugvorderingen door het lager vaststellen van voorschotten ook geen inbreuk oplevert van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: