Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2759

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/992
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 15 Uitvoeringsregeling IWArt. 25 Universele Verklaring van de Rechten van de MensArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsregeling terugvorderingen toeslagen juist vastgesteld ondanks bezwaar eiseres

Eiseres maakte bezwaar tegen de door de Dienst Toeslagen vastgestelde betalingsregeling voor openstaande terugvorderingen. De Dienst had een maandbedrag van €260 vastgesteld op basis van normbedragen uit de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Eiseres betwistte deze berekening en stelde dat haar werkelijke financiële situatie onvoldoende werd meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat de Dienst in beginsel mag uitgaan van de normbedragen en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat dit tot een onevenredige uitkomst leidde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging was gedaan dat de terugvorderingen definitief buiten invordering zouden blijven. Ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel werd verworpen, hoewel de rechtbank erkende dat de bezwaarprocedure te lang had geduurd.

De rechtbank kende daarom een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank benadrukte dat eiseres een verzoek tot herziening kan indienen indien haar financiële situatie wijzigt. Het beroep werd ongegrond verklaard en de betalingsregeling bleef ongewijzigd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de betalingsregeling, maar kent een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

Dienst Toeslagen, de Dienst

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de met eiseres getroffen betalingsregeling voor een aantal terugvorderingen. Eiseres is het niet eens met de betalingsregeling en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de getroffen betalingsregeling.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst de betalingsregeling juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 500 omdat de behandeling van het bezwaarschrift te lang heeft geduurd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de Dienst verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor de op 22 september 2023 openstaande terugvorderingen. Met het besluit van 6 november 2023 heeft de Dienst aan eiseres uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat zij vanaf november 2023 gedurende 24 maanden een bedrag van € 260 terugbetaalt. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner van eiseres en de gemachtigden van de Dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Is het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel?
3. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Een medewerker van de Belastingtelefoon heeft eiseres verteld dat er een bevriezing was van de terugvorderingen, maar door een doorverwijzing naar een andere afdeling heeft daarvan geen bevestiging plaatsgevonden. Er wordt weliswaar gezegd dat er in de systemen van de Belastingdienst geen bevestiging is te vinden van het buiten invordering stellen van de toeslagenschuld, maar met de opgenomen telefoongesprekken kan eiseres aantonen dat systemen van de Belastingdienst niet zonder fouten zijn. Ook is tijdens contacten met de Belastingtelefoon en het Belastingkantoor Zwolle geadviseerd om zo snel mogelijk een betalingsregeling aan te vragen om financiële problemen te voorkomen. Dit advies wordt nu gebruikt als argument om het bezwaar van eiseres af te wijzen.
3.1.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [1]
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres hier niet in is geslaagd. Het telefoongesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een eerder getroffen betalingsregeling waarbij uitstel van betaling is verleend. Uit het door eiseres overgelegde transcript van het telefoongesprek blijkt niet dat de toezegging is gedaan dat de terugvorderingen voor altijd buiten invordering worden gesteld. Uit het transcript blijkt dat de medewerker in het systeem ziet staan dat de terugvorderingen staan bevroren op dat moment, maar dit is geen toezegging dat de terugvorderingen voor altijd buiten invordering worden gesteld. Bovendien blijkt uit het transcript dat de medewerker niet meer informatie kan vinden en zij de partner van eiseres moet doorverbinden met een andere afdeling om uitsluitsel te krijgen over de status van de terugvorderingen. Voordat eiseres is doorverbonden is de verbinding verbroken. Ook hieruit blijkt dat geen toezegging is gedaan door de medewerker van de Dienst, zodat geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel.
3.3. Over het advies van het Belastingkantoor Zwolle heeft eiseres toegelicht dat haar destijds is verteld dat zij geen bezwaar moest maken tegen de terugvorderingen, maar zo snel mogelijk een betalingsregeling moest aanvragen. Eiseres vindt dit achteraf geen juist advies, omdat zij het oneens is met de terugvorderingen.
De rechtbank merkt hierover het volgende op. Het beroep van eiseres is gericht tegen het besluit tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling en niet tegen de openstaande terugvorderingen. In dit beroep kan de rechtbank zich dan ook niet uitlaten over de rechtmatigheid van de terugvorderingen. Het advies van het Belastingkantoor Zwolle, juist of niet, kan daarom geen invloed hebben op het besluit dat voorligt, namelijk de persoonlijke betalingsregeling.
3.4.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
4. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De afhandeling van het bezwaar heeft namelijk meer dan één jaar geduurd en dat is in strijd met de wettelijke termijnen. Eiseres is gedurende deze periode in grote onzekerheid gehouden en zij is niet tijdig geïnformeerd over de voortgang. Daarna werd, zonder nadere toelichting, een hoger maandbedrag opgelegd op basis van normbedragen en een fictief berekende betalingscapaciteit. Dat eiseres tegen de definitieve berekening van de toeslagen niet in bezwaar is gegaan, maakt het voorgaande niet anders. Verder verwijst de Dienst in het bestreden besluit naar artikel 25.5.7 van de Leidraad Invordering 2008 (LI 2008) terwijl dat artikel is komen te vervallen per 1 januari 2025.
4.1.
Op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat de Dienst langer heeft gedaan over de afhandeling van het bezwaar van eiseres is niet wenselijk, maar dit maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. Deze omstandigheid speelt wel een rol bij de vraag of eiseres recht heeft op een schadevergoeding. Daar gaat de rechtbank op in onder overweging 7.2.
Verder merkt eiseres terecht op dat in het bestreden besluit ten onrechte het inmiddels vervallen artikel 25.5.7 van de LI 2008 is opgenomen, maar ook dit maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. De Dienst heeft op basis van het juiste wettelijk kader, namelijk de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsregeling IW), en de door eiseres aangeleverde gegevens een berekening gemaakt van de betalingscapaciteit. Het noemen van een inmiddels vervallen artikel in het bestreden besluit, heeft geen invloed gehad op deze berekening.
Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
5. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De gehanteerde normbedragen en de berekening van de betalingscapaciteit van eiseres zijn onrealistisch en houden geen rekening met de werkelijk financiële situatie. Eiseres heeft transparant inzicht gegeven in haar werkelijke inkomsten en uitgaven. Het niet meenemen van deze gegevens toont een gebrek aan maatwerk. [2] Bovendien biedt artikel 25.5.8 van de Leidraad Invordering 2008 de mogelijkheid voor een uitzonderlijke kwijtschelding in situaties waarin de normbedragen leiden tot een evidente onredelijkheid. Op zitting heeft eiseres toegelicht dat zij het vooral onevenredig vindt dat de aflossingen/betalingsregelingen aan derden niet worden meegenomen in de berekening van haar betalingscapaciteit. Zo is de aflossing van de restschuld een grote maandelijkse kostenpost voor eiseres, waar ten onrechte geen rekening mee wordt gehouden.
Door de opgelegde betalingsregeling kan eiseres niet meer voorzien in de basisbehoeften van haar en haar gezin. Dat is in strijd met artikel 25 van Pro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Ook is het bestreden besluit in strijd is met het recht van eiseres op ongestoord genot van haar eigendom, zoals opgenomen in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
5.1.
De Dienst is bij de berekening van de betalingscapaciteit uitgegaan van de normbedragen zoals die zijn opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling IW). Eiseres betwist niet dat de betalingscapaciteit is berekend aan de hand van deze normbedragen. Eiseres vindt deze normbedragen echter geen recht doen aan haar feitelijke situatie.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke betalingsregeling niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Dienst mag bij de berekening van de betalingscapaciteit in beginsel uitgaan van normbedragen zoals die zijn opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling IW. Dit is alleen anders als de hantering van deze normbedragen leidt tot een onevenredige uitkomst. [3] Daarvan is niet gebleken.
De Dienst heeft in de aangevoerde bijzondere omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de Uitvoeringsregeling IW in het geval van eiseres buiten toepassing te laten omdat deze evenredig zou uitwerken. Eiseres heeft gesteld dat zij door het niet meenemen van haar werkelijke uitgaven niet meer kan voorzien in de basisbehoeften van haar en haar gezin, maar zij heeft dit niet onderbouwd. Eiseres heeft wel een overzicht van haar inkomsten en uitgaven overgelegd, maar de hierin genoemde bedragen heeft zij niet onderbouwd met stukken. Over de aflossing/betalingsregelingen met derden, waaronder de aflossing van de restschuld van de hypotheek, heeft de Dienst op zitting gesteld dat ook als deze zouden worden meegenomen in de berekening er nog steeds voldoende betalingscapaciteit beschikbaar is om het maandbedrag van € 260 te betalen. Dit heeft eiseres ook niet betwist. Dit komt de rechtbank ook niet onjuist voor. Daarbij acht zij van belang dat in het bestreden besluit is vastgesteld dat de betalingscapaciteit, berekend conform de normbedragen € 2.917 is en het maandbedrag is vastgesteld op € 260. Van strijd met artikel 25 van Pro het UVRM is dan ook niet gebleken. Ook is geen sprake van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de door eiseres ontvangen (en inmiddels teruggevorderde) voorschotten geen ‘possession’ zijn in de zin van dit artikel. [4] Dit betekent dat de terugvorderingen door het lager vaststellen van voorschotten ook geen inbreuk oplevert van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
5.3.
Op de zitting is gebleken dat de partner van eiseres inmiddels zijn baan is verloren en een bijstandsuitkering ontvangt. Dat heeft gevolgen voor de betalingscapaciteit van eiseres. Deze wordt hierdoor immers aanzienlijk minder. De Dienst heeft op de zitting aangegeven dat eiseres een verzoek tot herziening van de betalingsregeling kan doen. De rechtbank geeft eiseres mee dat het raadzaam is om deze keer de door haar gestelde kostenposten te onderbouwen met stukken.
Verzoek tot kwijtschelding
6. Eiseres stelt tot slot dat de terugvorderingen buiten invordering moeten worden gesteld. De rechtbank begrijpt dit standpunt van eiseres zo dat zij verzoekt om definitieve kwijtschelding van de terugvorderingen. Dit kan zij echter niet bereiken met deze beroepsprocedure. In deze beroepsprocedure gaat het enkel om de vraag of, en zo ja, hoeveel eiseres maandelijks moet terugbetalen.
Is de redelijke termijn overschreden?
7. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding vanwege de constante stress waaronder zij en haar gezin al jaren moeten leven door de Dienst.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak [5] mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal twee jaar duren. Voor elk half jaar dat deze termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500 toegekend. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.
7.2.
De Dienst heeft het bezwaar van eiseres op 7 december 2023 ontvangen en met het besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft met de uitspraak van vandaag op het beroep beslist. Sinds 7 december 2023 en de uitspraak van vandaag zijn afgerond twee jaar en vier maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met afgerond vier maanden is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat deze overschrijding geheel is toe te rekenen aan de bezwaarfase, moet de Dienst de door eiseres geleden schade vergoeden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de betalingscapaciteit van eiseres juist is vastgesteld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt wel een schadevergoeding van € 500 van de Dienst, omdat de behandeling van het bezwaarschrift te lang heeft geduurd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer ABRvS van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.
2.Eiseres wijst ter ondersteuning van haar standpunt op ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
3.ABRvS 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2253.
4.ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1536.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5123.