ECLI:NL:RVS:2024:5123
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering omzettingsvergunning woonruimte Den Haag wegens overgangsrecht en motiveringsgebrek
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende aanvankelijk een vergunning voor het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte voor zes personen. Na bezwaren trok het college deze vergunning in en weigerde een nieuwe vergunning op grond van gewijzigde beleidsregels en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (Hv 2019).
De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaar gegrond en vernietigde het besluit vanwege een motiveringsgebrek en onvoldoende onderbouwing van het gewijzigde beleid, met name voor woningen in het hogere segment. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college terecht een vergunningplicht voor omzetting hanteert, ook voor het hogere segment, maar dat het college het besluit op bezwaar van 14 augustus 2023 ten onrechte niet heeft beoordeeld aan de hand van het overgangsrecht. De Hv 2019 was op dat moment gunstiger voor de aanvrager dan de Hv 2023. Daarom wordt het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast is de redelijke termijn voor de procedure overschreden, waardoor aan de aanvrager een schadevergoeding van € 1500 wordt toegekend, te betalen door het college en de Staat. Het college wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De Afdeling bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij haar kan worden ingesteld, teneinde een efficiënte afdoening te bevorderen.
Uitkomst: Het besluit van het college tot weigering van de omzettingsvergunning wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met toepassing van het overgangsrecht.