De zaak betreft een boete van in totaal €10.800 opgelegd aan eiseres wegens twee overtredingen van het Arbobesluit, namelijk artikel 3.16, eerste lid, en artikel 4.45, tweede lid, onder a. De boete werd niet gematigd door de minister, waarop eiseres beroep instelde.
De rechtbank stelt vast dat de overtredingen onbetwist zijn, maar beoordeelt of matiging op grond van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving terecht is geweigerd. De rechtbank volgt de minister en oordeelt dat eiseres geen veilige werkwijze heeft ontwikkeld, onvoldoende risico’s heeft geïnventariseerd en geen adequate instructies of toezicht heeft geboden. Ook de na de overtreding genomen maatregelen zijn onvoldoende concreet en adequaat.
Wel constateert de rechtbank dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden met ongeveer twee maanden. Daarom matigt de rechtbank de boete ambtshalve met 5%, waardoor de boete per overtreding wordt vastgesteld op €5.130 en de totale boete op €10.260.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de boetehoogte betreft, herroept het eerdere besluit en stelt de boete definitief vast op het gematigde bedrag. Tevens wordt het door eiseres betaalde griffierecht vergoed, maar geen proceskostenvergoeding toegekend omdat de overschrijding ambtshalve is beoordeeld.