ECLI:NL:RBGEL:2026:314

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/6136
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van smartengeld aan politieambtenaar in verband met beroepsziekte en de beoordeling van het BI-percentage

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 16 januari 2026 uitspraak gedaan over de toekenning van smartengeld aan eiseres, een politieambtenaar, in verband met een beroepsziekte. Eiseres was het niet eens met de hoogte van het toegekende smartengeld van € 29.677,50, vastgesteld door de korpschef, en de wijze waarop dit bedrag was berekend. De rechtbank oordeelde dat de korpschef de hoogte van het smartengeld niet onzorgvuldig had vastgesteld, ondanks dat de termijnen in de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) niet waren nageleefd. De rechtbank concludeerde dat de korpschef de hoogte van het smartengeld terecht had gebaseerd op het blijvende invaliditeitspercentage (BI-percentage) van 15%, vastgesteld in juni 2023, en niet op het arbeidsongeschiktheidspercentage dat door het UWV was vastgesteld. Eiseres had haar aanvraag voor erkenning van haar beroepsziekte, posttraumatische stressstoornis (PTSS), in 2015 ingediend, maar de korpschef had de beoordeling van het BI-percentage pas in 2023 uitgevoerd. De rechtbank stelde vast dat eiseres niet was benadeeld door deze vertraging, omdat haar medische situatie in 2020 niet ernstiger was dan in 2023. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond, wat betekent dat zij geen recht had op een hoger bedrag aan smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6136

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.A. van Hecke),
en

de korpschef van Politie, de korpschef

(gemachtigde: mr. I.G.J. van den Broek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning door de korpschef van smartengeld aan eiseres in verband met een beroepsziekte. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het bedrag aan toegekend smartengeld en de wijze waarop de korpschef dat bedrag heeft vastgesteld. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van het smartengeld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de hoogte van het smartengeld dat aan eiseres is toegekend niet op onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft de korpschef aan eiseres een vergoeding van € 29.677,50 aan smartengeld toegekend in verband met de bij eiseres vastgestelde en erkende beroepsziekte.
2.1.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de korpschef bij het besluit van 25 augustus 2023 gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres samen met haar partner, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres was sinds 2004 als hoofdagent werkzaam bij de politie voor 36 uur per week. In 2014 heeft zij een schokkende gebeurtenis meegemaakt die – na eerder blootgesteld te zijn geweest aan ingrijpende gebeurtenissen, zowel in haar functie als in haar privésituatie – in 2015 tot de diagnose post traumatische stress stoornis (PTSS) heeft geleid.
3.1.
Op 12 maart 2015 heeft eiseres een verzoek bij de korpschef ingediend, om de bij haar vastgestelde PTSS te erkennen als beroepsziekte. Bij besluit van 13 januari 2016 heeft de korpschef op basis van een advies van de Adviescommissie PTSS Politie van 4 november 2015, de PTSS van eiseres als beroepsziekte erkend.
3.2.
In 2020 heeft eiseres (opnieuw) een reeks van ingrijpende incidenten meegemaakt, waardoor zij is teruggevallen in haar klachten en zij zich heeft ziekgemeld. Nadien heeft zij haar werkuren opgebouwd in het Flexteam, een ander team dan waarin zij voordien werkzaam was. Medio 2020 werkte eiseres nog niet volledig, maar eind 2020 wel.
3.3.
In juni 2021 is eiseres gedeeltelijk uitgevallen voor haar werk en sinds 12 oktober 2021 is eiseres als gevolg van een dienstongeval volledig uitgevallen. Daarna heeft zij haar werkzaamheden niet meer (volledig) hervat.
3.4.
Doordat bij de zaak van eiseres over de erkenning van de beroepsziekte geen casemanager was betrokken, heeft de afhandeling van het smartengeld vertraging opgelopen. Op 16 juni 2023 heeft een beoordeling plaatsgevonden van het percentage blijvende invaliditeit (hierna: BI-percentage). De mate van blijvende invaliditeit is in het rapport van Sazyes van 16 juni 2023 door psychiater S. Berk vastgesteld op 15%.
3.5.
Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) met ingang van 1 juni 2023 aan eiseres een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten [1] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3.6.
Bij besluit van 25 juli 2023 heeft de korpschef aan eiseres wegens arbeidsongeschiktheid eervol ontslag verleend.
3.7.
Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft de korpschef aan eiseres een smartengeldvergoeding van € 29.677,50 toegekend, gebaseerd op het BI-percentage van 15 ten gevolge van de beroepsziekte.
3.8.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de korpschef, in afwijking van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM, bij het besluit van 25 augustus 2023 gebleven.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft de korpschef onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [2] overwogen dat, het in de artikelen 3 en 4 van de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) vormgegeven systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van de invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. De artikelen schrijven voor dat de beoordeling plaatsvindt naar de stand van zaken op dat moment, laatstelijk op het moment dat de vijfjaarstermijn is verstreken. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. Eiseres heeft op 12 maart 2015 een verzoek ingediend om erkenning van haar PTSS als beroepsziekte. De beoordeling van het BI-percentage en het arbeidsongeschiktheidspercentage c.q. tweede percentage had naar de stand van zaken op uiterlijk 12 maart 2020 moeten plaatsvinden.
Volgens de korpschef brengt de overschrijding van de termijn van artikel 3 van het Rvbp in het geval van eiseres niet met zich dat ook het arbeidsongeschiktheidspercentage moet worden beoordeeld naar de stand van zaken in 2023. Daarbij acht de korpschef van belang dat de termijnen van artikelen 3 en 4 van het Rvbp geen beslistermijnen zijn, [3] dat aan het einde van de vijfjaarstermijn geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van eiseres en dat niet is gebleken dat eiseres is benadeeld, doordat het BI-percentage pas in 2023 is beoordeeld. De klachten gerelateerd aan PTSS zijn met name verergerd in 2021, onder meer als gevolg van het dienstongeval in oktober 2021. In dat jaar is eiseres ook langdurig uitgevallen wegens ziekte en is herstel helaas niet meer mogelijk gebleken. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat het BI-percentage lager was uitgevallen als dit beoordeeld was naar de stand van zaken in 2020. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat er al veel eerder dan in 2020/2021 sprake was van langdurige arbeidsongeschiktheid en dat er om die reden al eerder een WIA-beoordeling had moeten plaatsvinden. Een tijdige afwikkeling van de smartengeldaanvraag had daarom niet tot een voor eiseres gunstiger resultaat geleid, aldus de korpschef.
Beroep van eiseres
5. Eiseres betoogt dat de omvang van het smartengeld ten onrechte is vastgesteld aan de hand van het BI-percentage van 15 (het eerste percentage op grond van artikel 3 van de Rvbp) en niet op basis van het tweede percentage op grond van artikel 4 van de Rvbp, berekend aan de hand van het arbeidsongeschiktheidspercentage van het UWV van 80 tot 100, waarnaar bij besluit van 27 juni 2023 de WIA-uitkering is toegekend.
Het BI-percentage kon volgens eiseres in haar geval niet anders dan naar de stand van zaken van 2023 worden beoordeeld, omdat deze keuring is voorgeschreven alvorens er tot een uitkering kan worden gekomen
.Pas na deze keuring (ex nunc), [4] wordt conform artikel 4 van het Rvbp een tweede percentage vastgesteld. Het tweede percentage kan dus pas worden vastgesteld, nadat het eerste percentage is vastgesteld. Verwezen wordt naar de formulering in artikel 3 van de Rvbp, uitspraken van de CRvB over dit artikel, [5] de formulering in artikel 4, eerste lid, laatste regel, van het Rvbp [6] en de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 3 en 4 van en de Rvbp. [7] Dat de termijnen geen beslistermijnen zijn is daarbij irrelevant, aldus eiseres.
De korpschef heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiseres niet is benadeeld door de vaststelling van het BI-percentage in 2023, in plaats van in 2020, omdat de PTSS is verergerd in 2021. Deze redenering gaat er volgens eiseres opnieuw ten onrechte vanuit dat het peilmoment voor de bepaling van de omvang van het smartengeld als gevolg van arbeidsongeschiktheid, precies op vijf jaar na de datum van de aanvraag om erkenning van de beroepsziekte moet worden gelegd. Pas na het BI-percentage wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld. Verder zit achter de termijn van vijf jaar een beschermingsgedachte voor de ambtenaar. In het bijzonder mag door de korpschef niet worden gewacht op een verdere verbetering van de medische situatie, omdat dat in het nadeel van de ambtenaar zou zijn. Voor de vaststelling van het eerste percentage is in de toelichting op artikel 3 van het Rvbp een termijn opgenomen, maar voor het bepalen van het tweede percentage is dat niet het geval. Op voorhand weet men namelijk niet wanneer het eerste percentage bepaald zal zijn. Voor het tweede percentage moet, op grond van artikel 4 van het Rvbp, gekeken worden naar de meest recente informatie die van het UWV voorhanden was op het moment van het nemen van het bestreden besluit en na de vaststelling van het BI-percentage. Eiseres heeft in dit kader ten slotte een beroep gedaan op de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2024. [8] In die zaak oordeelde de rechtbank volgens eiseres dat de korpschef (die ook in die zaak de termijnen had overschreden) zelfs had moeten wachten op de IVA [9] -aanvraag, terwijl in de zaak van eiseres de WIA-uitkering al was toegekend maanden voordat het smartengeldbesluit werd genomen.
Toetsingskader
6. Conform rechtspraak van de CRvB [10] wordt op een aanvraag om smartengeld op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), in overeenstemming met de hoofdregel van het bestuursrecht, beslist met toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment van beslissen op de aanvraag. Tussen partijen is het van toepassing zijnde recht ook niet in geschil.
6.1.
Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp, zoals luidend ten tijde van de beslissing op de aanvraag, wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan een ambtenaar smartengeld vergoed tot een, jaarlijks te indexeren, maximum bedrag. Over de wijze van toekenning van de uitkering van het smartengeld zijn nadere regels uitgewerkt in de Rvbp.
6.2.
Uitgangspunt van de Rvbp is dat naar aanleiding van een aanvraag om smartengeld door een deskundige een BI-percentage wordt vastgesteld. Is er ook sprake van arbeidsongeschiktheid en is het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage, voor zover te relateren aan de beroepsziekte, hoger dan het genoemde invaliditeitspercentage, dan wordt van dat arbeidsongeschiktheidspercentage uitgegaan. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van invaliditeit of, indien van toepassing, arbeidsongeschiktheid, ten gevolge van de beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na melding van de beroepsziekte bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een eindsituatie of dat die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Als dat laatste het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd tot vijf jaar. Als er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie of als de eindsituatie na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. [11] Het smartengeld is gelijk aan het vastgestelde percentage, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het daar genoemde maximumbedrag.
Omvang van het geding
7. De rechtbank stelt vast – en tussen partijen is ook niet in geschil – dat de korpschef het smartengeld niet met inachtneming van de in de Rvbp genoemde termijnen heeft vastgesteld. De oorzaak hiervan is dat de korpschef de aanvraag van eiseres is vergeten in behandeling te nemen. De korpschef heeft niet binnen de in artikel 3 van de Rvbp opgenomen termijnen de door de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit laten vaststellen, maar heeft deze termijnen ruimschoots overschreden. Eiseres heeft immers op 12 maart 2015 haar aanvraag ingediend. De korpschef had dus in eerste instantie uiterlijk op 12 maart 2018 moeten toetsen of er sprake was van een eindsituatie dan wel of deze binnen een redelijke termijn bereikt kon worden. Dit heeft de korpschef niet gedaan. Als op 12 maart 2018 de eindsituatie nog niet was bereikt, had de korpschef de termijn met maximaal twee jaar kunnen verlengen tot 12 maart 2020 en dan uiterlijk naar de stand van zaken op 12 maart 2020 de mate van blijvende invaliditeit van eiseres moeten laten vaststellen. Ook dit is niet gebeurd.
In februari 2023 heeft eiseres een casemanager toegewezen gekregen en in mei en juni 2023 heeft psychiater Berk van Sazyes op verzoek van de korpschef onderzoek verricht naar de medische situatie van eiseres voor de afwikkeling van het smartengeld. Het BI-percentage is vastgesteld en vastgelegd in het rapport van Sazyes van 16 juni 2023.
7.1.
De rechtbank stelt verder vast – en ook dat is tussen partijen niet in geschil – dat de artikelen 3 en 4 van het Rvbp geen regeling geven voor de situatie, waarin bij het bepalen van het BI-percentage de termijnen in de smartengeldprocedure niet worden gevolgd.
7.2.
Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of de korpschef na de vaststelling van het BI-percentage had moeten overgaan tot het op grond van artikel 4 van de Rvbp laten vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspercentage aan de hand van de op 27 juni 2023 genomen WIA-beschikking.
Omdat er een WIA-beschikking is genomen ruim na afloop van de termijn van vijf jaar, genoemd in artikel 4 van de Rvbp, heeft de korpschef de hoogte van het smartengeld (uitsluitend) gebaseerd op het BI-percentage.
Eiseres is het hier niet mee eens. Op het moment dat het BI-percentage werd vastgesteld, was de WIA-beschikking al genomen. Gelet op de systematiek van de artikelen 3 en 4 van de Rvbp, had daarom ook een arbeidsongeschiktheidspercentage op grond van artikel 4 vastgesteld moeten worden. Bovendien is het BI-percentage ex nunc vastgesteld. Ook om die reden had het arbeidsongeschiktheidspercentage op grond van artikel 4 vastgesteld moeten worden. Eiseres heeft hierbij ook gewezen op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2024.
Doelstelling en uitleg van de Rvbp
8. De doelstelling van de artikelen 3 en 4 van de Rvbp is niet expliciet verwoord in de totstandkomingsgeschiedenis van de Rvbp. De rechtbank gaat er, gelet op de systematiek van de regeling, evenwel vanuit, dat met de artikelen 3 en 4 van de Rvbp is bedoeld de omvang van de schadevergoeding op een zo objectief mogelijke wijze én, met het oog op het ontstaan van duidelijkheid binnen een redelijke termijn en het beoordelen van alle gevallen op een gelijke wijze, uiterlijk na een termijn van drie dan wel vijf jaar definitief vast te stellen.
9. Gelet op de tekst van de laatste zin van de artikelen 3, eerste lid, en 4, tweede lid, van de Rvbp en de doelstelling van deze regeling, is de rechtbank van oordeel dat de laatste zin van de artikelen 3, eerste lid, en 4, tweede lid, van de Rvbp inhoudt dat, indien vijf jaar na de aanvraag nog geen eindsituatie is bereikt, het BI-percentage respectievelijk het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld naar de stand van zaken op het moment dat vijf jaar zijn verstreken na de aanvraag. In de situatie van eiseres was er, zoals de korpschef terecht heeft geconstateerd, vijf jaar na de aanvraagdatum nog geen WIA-beschikking genomen. Om die reden heeft de korpschef de hoogte van het smartengeld in beginsel terecht aan de hand van het BI-percentage bedoeld in artikel 3 van de Rvbp vastgesteld. De korpschef heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de vaststelling van een tweede percentage als bedoeld in artikel 4 van de Rvbp in dit geval niet wordt toegekomen. De beroepsgrond van eiseres over het peilmoment slaagt niet.
Is eiseres benadeeld door de wijze van beoordeling?
10. Het BI-percentage van eiseres is vastgesteld naar de stand van zaken ten tijde van die vaststelling, dus naar de stand van zaken in juni 2023. Dat is niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van de Rvbp, omdat volgens de laatste zin van dat artikellid het BI-percentage vastgesteld had moeten worden naar de stand van zaken op 12 maart 2020 (vijf jaar na de aanvraag).
10.1
De korpschef heeft zich in het bestreden besluit, in het verweerschrift en ook tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat eiseres niet is benadeeld, doordat de voorschriften van artikel 3 van de Rvbp niet zijn nageleefd. Volgens de korpschef is het niet onwaarschijnlijk dat het BI-percentage lager was uitgevallen, als dit beoordeeld was naar de stand van zaken in 2020. De klachten gerelateerd aan PTSS zijn met name verergerd in 2021, onder meer als gevolg van het dienstongeval in oktober 2021. In dat jaar is eiseres ook langdurig uitgevallen wegens ziekte en is herstel helaas niet meer mogelijk gebleken. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er al veel eerder dan in 2020/2021 sprake was van langdurige arbeidsongeschiktheid en dat er om die reden al eerder een WIA-beoordeling had moeten plaatsvinden.
10.2.
Eiseres heeft het standpunt van de korpschef dat eiseres niet is benadeeld doordat artikel 3 van de Rvbp niet is nageleefd, aanvankelijk niet betwist. Tijdens de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het maar de vraag is of het BI-percentage lager zou zijn uitgevallen bij een beoordeling naar de stand van zaken in 2020.
10.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar standpunt niet heeft onderbouwd met medische stukken of op andere wijze. Daar staat tegenover dat datgene wat de korpschef ter onderbouwing van zijn standpunt naar voren heeft gebracht, wordt ondersteund door de stukken die zich in het dossier bevinden.
Het rapport van Sazyes beschrijft dat eiseres in de periode 2015 tot 2020 stabiele periodes heeft gehad, maar dat door de ingrijpende gebeurtenissen in 2020 de klachten van eiseres toenamen. Verder is beschreven dat de klachten na behandeling afnamen, dat eiseres in verband met triggers op het werk ander werk is gaan doen (de rechtbank begrijpt: is gaan werken in het Flexteam) en dat sinds het dienstongeval op 12 oktober 2021 de klachten verder toenamen. Ook uit de samenvatting opgenomen in het rapport van Westerweel Intermediair van 5 januari 2024 komt hetzelfde beeld van de psychische klachten naar voren. In dit rapport is verder vermeld dat de psychische klachten chronisch van aard zijn geworden. Uit de bijlage bij het rapport van Westerweel Intermediair blijkt dat in 2017 de doelen van de cognitieve gedragstherapie grotendeels zijn bereikt, dat de traumatische herinneringen een plek hebben gekregen en dat de angststoornis volledig in remissie is. In 2020 kreeg eiseres negen behandelingen met onvoldoende resultaat. Verlenging van de behandeling was geïndiceerd, maar eiseres heeft haar werkuren wel gedeeltelijk opgebouwd. Het verzuimoverzicht, dat de korpschef voorafgaand aan de zitting op verzoek van de rechtbank in de procedure heeft gebracht, laat eveneens zien dat in 2020 sprake was van een verslechtering van tijdelijke aard, aangezien eiseres blijkens dit overzicht haar werkuren wel weer heeft opgebouwd. Er was rond die tijd in 2020, met andere woorden, sprake van re-integratiemogelijkheden.
Uit het medisch onderzoeksverslag van 26 juni 2023, opgemaakt met het oog op de beoordeling op grond van de Wet WIA, blijkt – zoals ook uit de hierboven aangehaalde rapporten – dat, nadat eiseres in 2021 volledig was uitgevallen, de klachten verder toenamen. Ten tijde van de WIA-beoordeling rond einde wachttijd in 2023, was er op grond van een intensieve medische behandeling sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Re-integratie was op dat moment in 2023 dus niet (meer) aan de orde.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank van de zijde van eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar medische situatie op grond van de bij haar vastgestelde PTSS in 2020 ernstiger was dan in 2023.
Bovendien vloeit uit wat eiseres zelf heeft verklaard hangende de smartengeldprocedure, bijvoorbeeld bij Sazyes of tijdens de zitting in beroep, niet voort dat zij zelf heeft ervaren dat in 2020 haar medische situatie slechter was dan in 2023. Zo heeft eiseres bijvoorbeeld niet gesteld dat zij zich in 2020 slechter voelde dan in 2023.
10.4.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk is dat eiseres, anders dan de eisende partij in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2024, [12] niet is benadeeld doordat de korpschef het BI-percentage buiten de in artikel 3 van de Rvbp genoemde termijnen heeft vastgesteld. De rechtbank ziet in het geval van eiseres geen aanknopingspunten voor het tegendeel. Dat betekent dat het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2024 haar niet baat, omdat het in die uitspraak om een andere situatie ging.
Beroep op gelijkheidsbeginsel
11. Tijdens de zitting heeft eiseres gesteld dat in andere gevallen na het verstrijken van de vijfjaarstermijn (en, naar de rechtbank begrijpt, zonder te treden in de beoordeling van de benadelingsvraag zoals bedoeld in overweging 10) het WIA-arbeidsongeschiktheidspercentage wèl is afgewacht, om tot vaststelling van het tweede arbeidsongeschiktheidspercentage over te gaan en de hoogte van het smartengeld vervolgens daarop te baseren. De korpschef heeft deze stelling betwist.
11.1.
De rechtbank beschouwt wat eiseres heeft gesteld als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep is evenwel niet met concrete gegevens van zaken onderbouwd, reden waarom deze beroepsgrond alleen daarom al niet slaagt.
(On)zorgvuldigheid
12. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat de korpschef in het geval van eiseres niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de hoogte van het toegekende smartengeld te baseren op het BI-percentage zoals vastgesteld in 2023 en het arbeidsongeschiktheidspercentage van de WIA-procedure niet te betrekken, omdat deze buiten de termijn van vijf jaar valt.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en niet in aanmerking komt voor een hoger bedrag aan smartengeldvergoeding. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L. de Vos, voorzitter, en mr. D.J. Post en
mr. J.M. Hollebrandse, leden, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regelgeving

Besluit algemene rechtpositie politie (Barp) – geldend van 7-3-2023 tot en met 31-12-2023

Artikel 54a

1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van
€ 197.850.
2 In geval de ambtenaar is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde een netto bedrag van € 98.935 uitgekeerd.
3 Artikel 46, derde en vierde lid, van het Besluit bezoldiging politie is van overeenkomstige toepassing.
4 Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.
5 De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriele regeling gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex.
6 In de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 gelden voor de toepassing van het eerste en het tweede lid achtereenvolgens de volgende maximumbedragen:
–In 2012: € 150.000,– en € 75.000,–;
–In 2013: € 154.020,– en € 77.010,–;
–In 2014: € 158.235,– en € 79.120,–;
–In 2015: € 159.915,– en € 79.960,–;
–In 2016: € 161.040,– en € 80.520,–.
Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) – geldend van 30-6-2020 tot en met 31-3-2025

Artikel 3

1. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar, uitgedrukt in procenten, vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar niet meer zal verbeteren of verslechteren. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar éénmalig met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld.
2 Het smartengeld is gelijk aan het in het eerste lid bedoelde percentage invaliditeit, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag. Indien op grond van artikel 4 een hoger uitkeringspercentage wordt vastgesteld, is het smartengeld gelijk aan dat percentage van het in artikel 54a, eerste lid van het besluit genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag.
3 Indien naar aanleiding van één of meer incidenten een ambtenaar beroep doet op uitkering van smartengeld op grond van zowel deze regeling als de Regeling smartengeld dienstongevallen politie, bedraagt het totale smartengeld niet meer dan het in artikel 54a, eerste lid, genoemde bedrag.
4 Indien de ambtenaar anders dan als gevolg van de beroepsziekte overlijdt voordat het uitkeringspercentage kan worden vastgesteld, wordt uitgekeerd naar het bedrag dat naar verwachting zou zijn uitgekeerd indien betrokkene niet overleden zou zijn.
5 Het bevoegd gezag draagt de kosten van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4

1. Indien op grond van artikel 3, eerste lid, een percentage is vastgesteld en de beroepsziekte tevens heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid wordt een tweede percentage vastgesteld, tenzij de ambtenaar het bevoegd gezag binnen zes weken schriftelijk verzoekt niet tot vaststelling daarvan over te gaan.
2 Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die het tweede percentage vaststelt aan de hand van de in het derde lid opgenomen tabel. Daarbij wordt uitgegaan van de mate van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in artikel 30, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de opgedane beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld.
3 Het tweede percentage wordt vastgesteld overeenkomstig onderstaande tabel:
Arbeidsongeschiktheidstabel
Percentage aan de beroepsziekte Uitkeringspercentage
toe te rekenen arbeidsongeschiktheid
5 5
6 5,8
7 6,5
8 7,3
9 8
10 8,8
11 9,5
12 10,3
13 11
14 11,8
15 < 25 12,5
25 < 35 25
35 < 45 37,5
45 < 55 50
55 < 65 62,5
65 < 80 80
80 of meer 100
4 Het bevoegd gezag draagt de kosten van de vaststelling, bedoeld in het tweede lid.

Voetnoten

1.WGA-uitkering.
2.Uitspraak CRvB 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2477.
3.Waarbij de korpschef verwijst naar uitspraak CRvB 26 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2011.
4.Dit betekent dat alle omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot aan het moment van de beoordeling zijn meegenomen.
5.Uitspraken CRvB 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1976, overweging 4.2 en CRvB 26 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2011, overweging 4.3.2.
6.Waaruit volgens eiseres volgt dat het tweede percentage pas kan worden vastgesteld minimaal zes weken nadat het eerste percentage is vastgesteld, omdat de ambtenaar binnen de termijn van zes weken het recht heeft om bezwaar te maken tegen het vaststellen van een tweede percentage.
7.Staatscourant 2015, 22401, vanaf p. 5.
9.Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
10.Uitspraak CRvB 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:607.
11.Zie artikelen 3, 4 en 5 van de Rvbp.
12.Zie ECLI:NL:RBMNE:2024:2200, met name overweging 25.