Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3355

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
ARN 24_8786
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.27 WaboArt. 6.5 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor voedselbos wegens strijd met bestemmingsplan en goede ruimtelijke ordening

Eisers hebben een perceel landbouwgrond gekocht en een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een voedselbos en het aanbrengen van verharding. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel wees de aanvraag af omdat het project in strijd is met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.

De rechtbank oordeelt dat het overgangsrecht van de Omgevingswet van toepassing is en dat de aanvraag onder de oude Wabo wordt beoordeeld. Het college hoefde geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad te vragen omdat het project valt onder een vrijstellingsbesluit voor grondgebonden landbouw.

De rechtbank bevestigt dat een voedselbos als een productieboomgaard moet worden gekwalificeerd en daarmee niet onder de agrarische bestemming valt, waardoor het project in strijd is met het bestemmingsplan. Ook de aangevraagde verharding overschrijdt de toegestane oppervlakte en is vergunningplichtig.

Eisers kunnen geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel omdat de toezeggingen van het college onder voorwaarden zijn gedaan die niet zijn vervuld. Het college heeft bovendien voldoende gemotiveerd dat het project de verkeersveiligheid schaadt en daarmee niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en het college mag de omgevingsvergunning weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , beiden uit [plaats 1] , eisers

(gemachtigden: mr. L.H. Steevensz en mr. M.M. Brinkman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel, het college
(gemachtigden: mr. N.L.H. Teijema, T. Lucassen en M. Dijkstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag van eisers voor de realisatie van een voedselbos in [plaats 2] .
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebbend deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers en de gemachtigden van het college.

Procesverloop

2. Eisers hebben in 2020 een perceel landbouwgrond aangekocht nabij de [locatie] [huisnummer] in [plaats 2] (het perceel). [1] Dit perceel behoorde eerst tot de agrarische onderneming die is gevestigd aan de [locatie] [huisnummer] in [plaats 2] .
2.1.
Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’.
2.2.
Op 7 november 2023 hebben eisers een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van het perceel als een voedselbos en het aanbrengen van verharding op het perceel (het project).
2.3.
Op 6 mei 2024 heeft het college het ontwerpbesluit tot afwijzing van de aanvraag van eisers gepubliceerd (het ontwerpbesluit).
2.4.
Op 23 oktober 2024 heeft het college besloten om de aanvraag van eisers af te wijzen (het bestreden besluit). Het college acht het gebruiken van het perceel voor een voedselbos in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verder is de aangevraagde verharding op het perceel in strijd met de regels uit het bestemmingsplan en is afwijken van het bestemmingsplan niet wenselijk, aldus het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank verklaart het beroep van eisers ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Leeswijzer

5. De rechtbank bespreekt als eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) heeft gevraagd aan de gemeenteraad voordat zij de aanvraag van eisers kon afwijzen. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden waarin eisers stellen dat het project niet in strijd is met het bestemmingsplan, zij een geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel en het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Overgangsrecht Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
6.1.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag van eisers voor een omgevingsvergunning is ingediend op 7 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft inzake de beoordeling van de verleende omgevingsvergunning.
Was er een vvgb vereist?
7. Het college kan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), is bepaald dat, indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet wordt verleend, dan nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Deze verklaring is ook vereist als het college voornemens is de aanvraag af te wijzen. [2]
7.1.
Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de raad categorieën gevallen aanwijzen waarin een vvgb niet is vereist. De raad van de gemeente Scherpenzeel heeft een lijst van deze categorieën in het besluit van 28 november 2013 vastgesteld (het vrijstellingsbesluit). Artikel 2 van Pro dit vrijstellingsbesluit luidt, voor zover relevant:

Activiteiten buiten de bebouwde kom
(…)
c) realiseren van (bouw)projecten ten behoeve van grondgebonden landbouw, niet zijnde glastuinbouw; (…)
(…)
h) realiseren van (bouw)projecten voor behoud en ontwikkeling van natuur
(…)
j) realiseren van een werk, geen bouwwerk zijnde voor het behoud en ontwikkeling van natuur.’
7.2.
Het college heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat voor het nemen van het bestreden besluit geen vvgb was vereist. Met het aangevraagde project wordt natuur ontwikkeld en daarmee valt het project onder de reikwijdte van artikel 2, aanhef en onder h en j, van het vrijstellingsbesluit, aldus het college.
7.3.
Eisers betogen dat hun project niet valt onder de reikwijdte van artikel 2, aanhef en onder h en j, van het vrijstellingsbesluit. Eisers stellen dat met het realiseren van een voedselbos geen natuur wordt ontwikkeld. Het realiseren van een voedselbos betreft namelijk het bedrijfsmatig gebruiken van het perceel, aldus eisers.
7.4.
De rechtbank oordeelt dat het college geen vvgb van de raad moest vragen voordat het besloot de aanvraag van eisers af te wijzen. Eisers merken terecht op dat de realisatie van een voedselbos op het perceel geen ontwikkeling van natuur betreft en daarmee de ingenomen stelling van het college onjuist is. Desondanks had het college geen vvgb nodig. Zoals deze rechtbank eerder in haar uitspraak van 13 februari 2024 heeft overwogen is een voedselbos aan te merken als een agrarisch bedrijf zijnde een productieboomgaard als bedoeld in het bestemmingsplan. [3] Hieruit volgt dat sprake is van grondgebonden landbouw en op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van het vrijstellingsbesluit is voor deze vorm van landbouw geen vvgb vereist.
Heeft het college terecht besloten dat het aangevraagde project in strijd is met het bestemmingsplan?
8. Eisers betogen dat het college ten onrechte heeft besloten dat de realisatie van een voedselbos op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Eisers stellen dat het gebruik van het perceel als voedselbos in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het gebruik van het perceel als een voedselbos kan volgens eisers gekwalificeerd worden als een akkerbouw- en tuinbouwbedrijf. Anders dan het college stelt kan een voedselbos niet worden gekwalificeerd als een productieboomgaard, aldus eisers. [4] De stelling van het college dat op grond van het bestemmingsplan sprake moet zijn van een elders gevestigd agrarisch bedrijf is volgens eisers geen verplichting die volgt uit het bestemmingsplan.
8.1.
Artikel 5.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan luidt:
‘De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
de uitoefening van het agrarische bedrijf.
Onder agrarisch bedrijf wordt in het bestemmingsplan verstaan:
‘een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf – niet zijnde een boomkwekerij, een productieboomgaard, een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerijbedrijf of een gebruiksgerichte paardenhouderij.’ [5]
8.2.
De rechtbank overweegt dat deze rechtbank op 13 februari 2024 uitspraak heeft gedaan over de aan eisers opgelegde lasten onder dwangsom vanwege verschillende overtredingen op het perceel. [6] In deze uitspraak is onder meer het volgende overwogen over het karakter van een voedselbos in verhouding tot het bestemmingsplan en de op het perceel geldende bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’:
‘De rechtbank stelt vast dat er in het bestemmingsplan geen definitie is opgenomen van het begrip ‘voedselbos’. In de plantoelichting zijn daarnaast ook geen aanknopingspunten te vinden voor de wijze waarop dit begrip moet worden uitgelegd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, kan voor de betekenis van een begrip, bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en in de plantoelichting, voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, aansluiting worden gezocht bij wat in het algemeen spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Daarbij mag de betekenis zoals deze in het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" (hierna: Van Dale) is gegeven, worden betrokken. [7] In de van Dale wordt onder ‘voedselbos’ verstaan: ‘aangeplant bos met vrucht- en notenbomen, bessenstruiken e.d.’ [8]
Gelet op de hierboven genoemde definitie van het begrip ‘voedselbos’ heeft het college kunnen besluiten dat een voedselbos gekwalificeerd kan worden als een ‘productieboomgaard’. Zo worden zowel bij een voedselbos, als bij een productieboomgaard vruchten geproduceerd via bomen. Gelet daarop valt een voedselbos niet onder de reikwijdte van een ‘agrarisch bedrijf’ als bedoeld in de planregels. De stelling van eisers dat in het bestemmingsplan geen gebruiksregels zijn opgenomen binnen de agrarische bestemming gaat niet op. In artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels is namelijk bepaald dat de gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Hierdoor is ander gebruik van het perceel dan voor een agrarisch bedrijf, niet toegestaan. Nu een voedselbos in strijd is met de bestemming is de opslag van materialen ten behoeve van de realisering van het voedselbos dat ook.’ [9]
8.3.
De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook overwogen in de uitspraak van 13 februari 2024, de definitie van het begrip ‘voedselbos’ is opgenomen in het ‘Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal’ (de Van Dale). De verwijzing door eisers naar de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2023 gaat daarmee niet op. In deze uitspraak is de betreffende rechtbank namelijk niet aangesloten bij de definitie die in de Van Dale is gegeven van het begrip ‘voedselbos’. [10]
8.4.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat de realisatie van een voedselbos op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Uit de uitspraak van 13 februari 2024 blijkt uitdrukkelijk dat een voedselbos gekwalificeerd moet worden als een productieboomgaard als bedoeld in het bestemmingsplan. Zoals ook is opgenomen in deze uitspraak worden zowel bij een voedselbos als bij een productieboomgaard vruchten geproduceerd via bomen. Gelet daarop valt een voedselbos uitdrukkelijk niet onder de reikwijdte van een ‘agrarisch bedrijf’ als bedoeld in de planregels. De stellingen van eisers brengen geen aanleiding om terug te komen van dit eerdere oordeel. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eisers in hun beroepschrift niet hebben gemotiveerd waarom de voorgaande uitleg van het begrip voedselbos door de rechtbank onjuist is. De stellingen van eisers dat er een veelvoud aan verschillen zijn tussen een voedselbos en een productieboomgaard volgt de rechtbank niet. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de door eisers aangehaalde kenmerken van een voedselbos niet volgen uit de definitie van het begrip ‘voedselbos’ zoals die is opgenomen in de Van Dale. De stelling van eisers dat het college ten onrechte heeft besloten dat het perceel alleen gebruikt mag worden voor een agrarisch bedrijf dat elders is gevestigd, ook als dat betoog juist zou zijn, behoeft om het voorgaande geen bespreking meer. Het aangevraagde gebruik van het perceel als voedselbos is namelijk reeds in strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte besloten dat het aan te leggen toegangspad in strijd is met het bestemmingsplan?
9. Eisers betogen dat het college ten onrechte heeft besloten dat het verharden van het toegangspad naar het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Eisers stellen dat de aan te brengen verharding is bedoeld voor de ontsluiting van het (agrarische) perceel. Verder stellen eisers dat het aan te brengen verharde pad korter is dan 150 meter en ook daarom niet in strijd is met het bestemmingsplan.
9.1.
Artikel 5.5.1, aanhef en onder a en 1, van het bestemmingsplan luidt:

Het is verboden op of in de tot 'Agrarisch met waarden - Landschap' bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden, geen normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden zijnde, uit te voeren:
a.
het aanleggen of verharden van voet-, fiets- en/of ruiterpaden of parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 150 m met uitzondering van:
1. het aanleggen en verharden van wegen ter ontsluiting van agrarische percelen en woonerven.’
9.2.
De rechtbank stelt vast dat eisers de onderstaande verharding op het perceel hebben opgenomen in hun aanvraag met de daarbij behorende toelichting:
(AFBEELDING)
9.3.
In het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Uitvoeren van een werk of werkzaamheden
(…)
Het maken van een rijbaan met parkeervakken met een oppervlakte van meer
dan 150 m² is vergunningplichtig.
(…)
Het Voedselbos met rijbaan en parkeerplaatsen is in strijd met het bestemmingsplan en door het uitvoeren van de genoemde werkzaamheden wordt de agrarische functie geschaad. (…)’
9.4.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat voor de aangevraagde verharding van het perceel een omgevingsvergunning was vereist. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eisers voor de aan te brengen parkeerplekken reeds meer dan 150 vierkante meter aan verharding willen toepassen. Zo is op de bij de aanvraag gevoegde plattegrond van de aan te brengen verharding te zien dat de parkeerplekken worden gerealiseerd op een strook verharding van 4 meter breed en 50 meter lang. Hierdoor is sprake van een aangevraagde verharding van 200 vierkante meter en daarmee een overschrijding van de op grond van het bestemmingplan toegestane oppervlakteverharding van 150 vierkante meter. De vraag of enkel het toegangspad vergunningsvrij is, omdat hiermee een agrarisch perceel wordt ontsloten, is gelet op voorgaande conclusie niet relevant. Dit omdat de aangevraagde parkeerplekken niet kwalificeren als wegen ter ontsluiting van een agrarisch perceel. De rechtbank merkt ook nog op dat, anders dan eisers hebben gesteld, uit de aanhef van artikel 5.5.1 van het bestemmingsplan niet volgt dat de lengte van de aan te brengen verharding het toepasselijke criterium is. In de planregel is namelijk nadrukkelijk het aanbrengen van verharding op de oppervlakte van een perceel gereguleerd. Voor de berekening van oppervlakteverharding geldt naar het oordeel van de rechtbank de omvang van de aan te brengen verharding als maatstaf en niet zoals eisers betogen de lengte van de aan te brengen verharding. Uit het woorddeel ‘oppervlakte’ in het woord ‘oppervlakteverharding’ blijkt dat de 150 m2 hier betrekking heeft op een maximaal aantal vierkante meters en niet op een maximale lengte. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen eisers een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
10. Eisers betogen dat zij een geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel omdat bij hen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het college een omgevingsvergunning zou verlenen voor het project. Eisers stellen dat bij hen dit vertrouwen is gewekt door het principebesluit van 22 maart 2021, het principebesluit van 22 december 2021 en het besluit tot afwijzing van hun eerste aanvraag van 18 juli 2022. Eisers voeren hiertoe onder meer aan dat in deze principebesluiten en afwijzende beschikking toezeggingen zijn gedaan, deze toezeggingen aan het college zijn toe te rekenen en er geen zwaarder wegende belangen zijn dan het honoreren van het gewekte vertrouwen. [11]
10.1.
Voor de bespreking van deze beroepsgrond hanteert de rechtbank het stappenplan zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019. [12] Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.
10.2.
De rechtbank overweegt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [13]
10.3.
In de zienswijzennota, behorend bij het bestreden besluit, is onder meer het volgende opgenomen:
d. Het college was eerder positief: er geldt een zware motiveringslast

Door indieners wordt een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Er zijn
verschillende redenen waarom door hen niet een geslaagd beroep op het
vertrouwensbeginsel kan worden gedaan:
  • Uitspraken zijn nooit onvoorwaardelijk gedaan;
  • Sinds deze uitspraken zijn indieners meerdere keren per brief geïnformeerd dat
door hen geplande, en ook uitgevoerde activiteiten niet passen binnen die voorwaarden;
  • De aanvraag omvat niet het hele voornemen van aanvragers, het hele voornemen past niet binnen de gestelde voorwaarden;
  • Het college is van mening dat, zelfs als er een toerekenbare toezegging is gedaan (hetgeen niet zo is naar mening van het college een (nieuwe) belangenafweging alsnog betekent dat er niet kan worden meegewerkt aan het voedselbos; en
  • Dit leidt niet tot een verplichting om schade te vergoeden omdat er geen sprake is van schade. Door het college is op meerdere momenten 'stuitend' gehandeld en zijn initiatiefnemers erop gewezen dat het hen niet is toegestaan een voedselbos te realiseren.
(…)

Uitspraken zijn nooit onvoorwaardelijk gedaan
(…)

Bedrijfsplan
De aanvraag om een omgevingsvergunning is in eerste instantie gedaan zonder bedrijfsplan. Later (na het gesprek d.d. 12 augustus 2024) bleek dat het bedrijfsplan dat hoorde bij de vorige aanvraag toch onderdeel uitmaakt van deze aanvraag. Bij navraag bleek dat het bedrijfsplan uitdrukkelijk niet een ruimtelijke onderbouwing is en dat het bedrijfsplan zo 'gelezen' moet worden dat bouwen of werkzaamheden daarvan geen onderdeel zijn. Indieners stellen overigens dat er door de gemeente is verzocht om een bedrijfsplan. Dat is niet het geval. Besluitvorming tot dit eerder genoemde moment heeft plaatsgevonden op grond van de ruimtelijke onderbouwing met bijlage 'lijst van bestelde planten', en andere stukken die via het omgevingsloket bij de omgevingsdienst zijn ontvangen. In de fase tussen het ontwerpbesluit en het besluit is dit bedrijfsplan nog getoetst, daaruit blijkt ook dat er dus wederom sprake is van activiteiten op het perceel. Zo wordt op pagina 7 de Nationale kinderboom plantdag aangehaald, wordt gesproken over rondleidingen en worden studenten van de WUR uitgenodigd om onderzoek te doen. Activiteiten zijn in de voorwaarden bij het oorspronkelijke principebesluit uitgesloten.’
10.4.
In de brief van 22 maart 2021 (door eisers gekwalificeerd als een principebesluit) heeft het college onder meer het volgende geschreven aan eisers:

Wij hebben gekeken of wij medewerking kunnen verlenen door af te wijken van het
bestemmingsplan.
Hierbij kwamen wij tot de conclusie dat wij onder voorwaarden mee willen werken aan
uw verzoek voor de realisatie van een voedselbos.
Hierbij hebben wij het volgende overwogen:
(…)
Voorwaarden:
  • Er dient een bedrijfsplan en inrichtingsschets te worden overgelegd, die door de gemeente moet worden goedgekeurd voordat medewerking kan worden verleend;
  • De gronden mogen alleen worden gebruikt ten behoeve van een voedselbos;
  • Er mag gaan bebouwing worden gerealiseerd op het perceel, ook geen tijdelijke bebouwing in de vorm van een tent;
  • De ontsluiting en parkeergelegenheid mag alleen gebruikt worden door degene die werkzaam zijn op het perceel.’
In de brief van 22 december 2021 (ook door eisers gekwalificeerd als een principebesluit) heeft het college onder meer geschreven aan eisers:
‘Wij hebben al in een eerdere brief aangegeven, dat wij op zich positief staan tegenover de
ontwikkeling van een voedselbos.
(…)
Wij zijn wel bereid via een wijziging van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning mee te werken aan het gebruik van de gronden ten behoeve van een voedselbos, maar bebouwing op het perceel zullen wij niet toestaan. Tevens mogen er ook geen activiteiten plaatsvinden en het perceel mag ook niet worden gebruikt ten behoeve van opslag van materialen. Het perceel zal alleen in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van een
voedselbos (beplanting).
In het besluit van 18 juli 2022, waarin de eerdere aanvraag van eisers voor de realisatie van een voedselbos op het perceel is afgewezen, heeft het college onder meer het volgende opgenomen:

Toetsing
Middels deze vergunningaanvraag heeft u uitvoering gegeven aan de gegeven principe medewerking. Wij zijn echter tot de conclusie gekomen dat niet aan de voorwaarden voldaan is die waren verbonden aan onze principe medewerking en in deze vorm dus géén medewerking kan worden ontleend.
Wij hebben besloten alleen mee te willen werken aan het realiseren van een voedselbos, waarbij geen bebouwing mag worden gerealiseerd, maar alleen het gebruik van de gronden toe te staan zonder bebouwing.’
10.5.
De rechtbank stelt vast dat eisers, blijkens de ruimtelijke onderbouwing, geen aanvraag hebben ingediend voor bouwwerkzaamheden op het perceel. De stelling van het college in het bestreden besluit en ter zitting dat eisers blijkens andere documenten dan de aanvraag voornemens zijn om wel bouwwerkzaamheden uit te voeren op het perceel, ook als dat betoog juist zou zijn, heeft niet tot gevolg dat het college dit mocht betrekken in het beoordelen van de voorliggende aanvraag van eisers. Zoals de Afdeling meermaals heeft overwogen is namelijk in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing omtrent een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. [14] Voor zover eisers bouwactiviteiten verrichten of bouwwerken oprichten op het perceel, kan het college hiertegen handhavend optreden. Dit laatste heeft het college, blijkens de uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2024 ook gedaan.
10.6.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat eisers geen geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat in de brief van 22 maart 2021 uitdrukkelijk een voorbehoud is gemaakt voor dit concrete geval. [15] In deze brief is namelijk uitdrukkelijk opgenomen dat een bedrijfsplan en een inrichtingsschets moeten worden overgelegd, die daaropvolgend ook nog door de gemeente moet worden goedgekeurd, voordat medewerking kan worden verleend. Zoals is verwoord in de zienswijzennota is het ingediende bedrijfsplan niet goedgekeurd door de gemeente. Hiermee is (ook niet ná de indiening van de aanvraag) aan de door het college gestelde voorwaarde voldaan. In de brief van 22 december 2021 is verwezen naar de eerdere brief, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat deze voorwaarde niet meer gold. Uit het besluit van 18 juli 2022 volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat een toezegging is gedaan dat de vergunning zal worden verleend. In dit besluit wordt namelijk verwezen naar de eerder gegeven voorwaarden. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging, maar van een toezegging met een uitdrukkelijk voorbehoud aan welk voorbehoud echter niet is voldaan. De verwijzing door eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020 gaat niet op. [16] In die betreffende procedure ging het niet om een vergelijkbare voorwaarde waarin was opgenomen dat ingebrachte stukken ook goedgekeurd moesten worden door de gemeente. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat het aangevraagde project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening?
11. Eisers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eisers stellen onder meer dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom, gelet op recente maatschappelijke ontwikkelingen, de realisatie van een voedselbos op het perceel niet wenselijk is. Verder stellen eisers dat het college ten onrechte heeft besloten dat door het project de verkeersveiligheid in het geding komt. Volgens eisers zijn de verkeerskundige gevolgen van het project beperkt. Zo is de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project beperkt en is het perceel niet gesitueerd aan de binnenbocht van de [locatie] . De door het college gehanteerde uitgangspunten voor de berekening van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het project zijn onjuist, aldus eisers.
11.1.
In de zienswijzennota, behorend bij het bestreden besluit, is onder meer het volgende opgenomen:

(…) Bij onderhavige aanvraag zijn geen verkeersgeneratiecijfers aangeleverd. Door de
gemeente is berekend dat het voor de gewenste situatie gaat om een verkeersgeneratie van tussen de 5 en 26 motorvoertuigen per etmaal. Dat is een grotere generatie dan voor een stuk cultuurgrond. Deze verkeersgeneratie komt bovenop de verkeersgeneratie die [locatie] [huisnummer] heeft bij een maximale juridisch-planologische invulling. De verkeersgeneratie op piekmomenten moet hoger verwacht worden door de indieners nu er 11 parkeerplaatsen zijn aangevraagd. Dat brengt bij eenmaal maximale bezetting al 22 motorvoertuigbewegingen met zich mee. Zeker nu er geen toiletvoorzieningen zijn zal dat aantal nog aanzienlijk hoger uitvallen. Door de aanvragers wordt het belang van de N802 als ontsluitingsweg onderschat. Idealiter zou de afdeling verkeer van de gemeente helemaal geen toename van verkeersbewegingen op de weg zien. Maar in het bijzonder niet remmend en afslaand verkeer op deze verkeersgevaarlijke plek. (…)’
11.2.
De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het project op deze locatie niet wenselijk is gelet op de verkeersveiligheid. Het college heeft gelet op de verwachte verkeersbewegingen als gevolg van het project kunnen concluderen dat de verkeersveiligheid in het geding komt. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat de verwachting bestaat dat, anders dan voorheen en onder verwijzing naar de aangehaalde CROW-normen, er meer bezoekers naar het perceel komen dan in de huidige situatie. Hierdoor ontstaat de situatie dat er meer voertuigen stoppen op de [locatie] ter hoogte van het perceel. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat dit kan leiden tot verkeersonveilige situaties, vooral omdat op de [locatie] de maximumsnelheid 80 kilometer per uur bedraagt. De bereidheid of de wens van eisers om bezoekers zoveel mogelijk met de fiets of gezamenlijk te laten komen brengt hierin geen verandering. Het college dient namelijk te beslissen op wat is aangevraagd. Met de enkele stelling dat de gehanteerde verkeersbewegingen van het college onjuist zijn, hebben eisers niet aannemelijk dat de door het college gehanteerde uitgangspunten niet reëel zijn. Bij de berekening van het verwachte aantal verkeersbewegingen heeft het college van belang kunnen achten dat er 11 parkeervakken zijn aangevraagd en dat er geen sanitaire voorzieningen op het perceel zijn. Het had op de weg van eisers gelegen om de te verwachten verkeersbewegingen nader in kaart te brengen en te onderbouwen dat de toename van verkeersbewegingen niet leidt tot strijd met de goede ruimtelijke ordening.
11.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee afdoende gemotiveerd waarom het project niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Reeds hierom komt de rechtbank tot de conclusie dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. De gronden of het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat een voedselbos op het betreffende perceel niet wenselijk is gelet op onder meer geldend beleid en veranderende maatschappelijke omstandigheden behoeven om die reden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kadastraal bekend als: [kadastrale aanduiding] .
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4415, r.o. 8.3.
3.Zie de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 13 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:698, r.o. 8.4.
4.Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:8692, waarin het begrip voedselbos is omschreven.
5.Artikel 1.7 van het bestemmingsplan.
6.Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 13 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:698.
7.Uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2020, r.o. 8.2 en de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2401, r.o.8.4
8.Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 13 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:698, r.o. 8.3.
9.Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 13 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:698, r.o. 8.4.
10.Uit rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de rechtbank Zeeland van 8 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:8692 volgt dat deze rechtbank voor de definitie van het begrip ‘voedselbos’ is aangesloten bij de definitie zoals die is opgenomen op de website [website]’
11.Ter onderbouwing hiervoor verwijzen eisers onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:953, waaruit volgens eisers volgt dat een principebesluit in beginsel gekwalificeerd kan worden als een toezegging.
12.Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
13.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.
14.Uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:577 en de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2665
15.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2.
16.Zie overweging 4.2. van de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:953.