Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
2.De feiten
- In september 2024 was u plotseling meerdere dagen afwezig. Uw collega's, waaronder [de bestuurder] , wisten niet waar u was. U was onbereikbaar. Het bleek dat u zonder afstemming met uw collega's en/of een goede overdracht had besloten om vakantie te gaan en Delco stuurloos achter te laten. Dat Is onacceptabel als statutair bestuurder.
- Op 15 december 2024 stond een kerstlunch gepland voor het personeel van Delco. U kwam vervolgens niet opdagen, zonder dat u uw collega's daarover informeerde.
- Vanaf circa januari 2025 laat u zich onder werktijd (haast) niet meer zien bij uw personeel. U bent al lange tijd slecht bereikbaar voor uw personeel.
- U wordt vrijgesteld van arbeid, zodat vrijelijk nader onderzoek kan worden gedaan naar bovenstaande signalen;
- U bent bereikbaar om (vooruitlopend op de vergadering) vragen te beantwoorden en
U verricht vanaf heden géén banktransacties meer, behoudens op uitdrukkelijk en
U verleent uw medewerking om collega's toegang te geven tot de administratie van Declo;
- Your employment agreement ends effective immediately. The period of notice will not be taken into account.
- You will not be granted a transition payment, given that (i) your actions qualify as
- A final financial settlement will be drafted. However, Delco has a (substantial) claim against you regarding the unjustified withdrawals. Delco's claim and your claim against Delco (for example vacation pay and unused vacation days) will be set against each other. After the setoff, a (significant) amount remains due by you to Delco. We will initiate legal proceedings to recover this amount from you.
- You are hereby requested to return all company properties to Delco. If you fail to comply to this request, a report of embezzlement will be filed in this regard as well.
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking in het incidentele verzoek van
30 oktober 2025 voldoende aannemelijk geacht dat [de verzoeker] statutair bestuurder van Delco is en de zaak verwezen naar de handelsrechter van de Rechtbank Gelderland. Ingevolge artikel 71 Rv Pro bepaalt de rechter de vraag of verwijzing nodig is aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil. De rechtbank is na verwijzing niet gebonden aan dit voorlopig oordeel en dient hier aldus nog definitief op te beslissen. [1]
Bartelink/Ciris) en Hoge Raad, 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030 en NJ 2005/484 (
Eggenhuizen/Unidek)). Volgens die rechtspraak is voor een uitzondering op deze regel alleen plaats als een wettelijk opzegverbod aan die beëindiging in de weg staat of als partijen anders zijn overeengekomen. Dat dit laatste is gebeurd is gesteld noch gebleken.
3 oktober 2010, JAR 2001/231, rechtbank Utrecht, 4 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1741 en JOR 2012/211). Daarbij is de gedachte dat moet worden voorkomen dat de bestuurder zich kort voor een algemene vergadering ‘strategisch’ ziek kan melden, om daarmee een ontslag te voorkomen.
28 april 2025 van op de hoogte geraakt nadat namens Delco beslag was gelegd. Pas daarna is hulp ingeschakeld. Dit kon volgens [de verzoeker] niet eerder nu niemand van zijn situatie op de hoogte was. Hij heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat Delco wel van zijn ziekte op de hoogte was. Uit de berichten uit september 2024 dat hij er even doorheen zit en daarom op vakantie is en uit januari 2025 dat er sprake is van ‘struggles’ maar hij er morgen of overmorgen weer is, kan niet worden afgeleid dat Delco ervan op de hoogte was dat [de verzoeker] was uitgevallen door ziekte. Overigens volgt uit de overgelegde stukken ook niet dat [de verzoeker] reeds op 11 april 2025 door ziekte niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten. Dat geldt temeer nu hij ook altijd werkzaamheden voor Delco is blijven verrichten. Aldus houdt het ontslag geen verband met de ziekte.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 28). De reden hiervoor is dat de wetgever vindt dat het in beginsel niet aan de overheid is om te oordelen over de vraag of de arbeidsovereenkomst van een bestuurder kan worden opgezegd, als een aandeelhoudersvergadering rechtsgeldig heeft besloten dat de bestuurder niet aan kan blijven.
Artikel 2:244 lid 3 BW Pro staat overigens alleen in de weg aan de vernietiging van een arbeidsrechtelijke opzegging, niet aan de nietigheid of vernietiging van een vennootschapsrechtelijk ontslag(besluit) (zie: Hoge Raad, 26 oktober 1984, ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en NJ 1985/375 (
Sjardin/Sjartec)). Dat is echter niet verzocht, zodat de rechtbank ervan uit dient te gaan dat het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit onaantastbaar is.
€ 700.000 over de periode 2019 tot en met 2025. Gelet op de omvang van de overboekingen, het tijdsverloop en het feit dat [de verzoeker] getracht heeft de overboekingen verborgen te houden voor Delco door de boekhouding te manipuleren, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat sprake is geweest van opzet als bedoeld in artikel 7:661 BW Pro.
Krachtens de hoofdregel van bewijsrecht (artikel 150 Rv Pro) rust op [de verzoeker] de bewijslast van de aan zijn (bevrijdende) verweer ten grondslag liggende stelling dat hij zijn wil gedurende een lengte van jaren niet in vrijheid heeft kunnen bepalen.
Ter onderbouwing heeft [de verzoeker] een kopie van zijn behandelplan van het CACN van
28 april 2025, een verklaring van de heer [coach] van [coachingbedrijf] van 2 september 2025, een medisch onderzoeksverslag van het UWV van 17 december 2025 en de toekenning Ziektewet-uitkering van het UWV van 31 december 2025 in het geding gebracht. Uit het behandelplan van CACN volgt dat [de verzoeker] te kampen heeft met een ernstige gokverslaving. Ten aanzien van de depressie is in het behandelplan opgenomen: 'Depressieve stoornis: eenmalige episode - matig’. [de verzoeker] heeft volgens het behandelplan zelf aangegeven dat al ongeveer 10 jaar sprake is van een gokverslaving. Uit de verklaring van de heer [coach] blijkt dat in mei 2025 door een andere zorgverlener de diagnose gokverslaving is vastgesteld en hij die onderschrijft. Hij geeft verder aan dat een gokverslaving verregaande gevolgen kan hebben, maar geeft niet aan in hoeverre hiervan sprake is bij [de verzoeker] en, indien dat het geval zou zijn, sinds wanneer. Het UWV heeft enkel vastgesteld dat [de verzoeker] op 28 april 2025 ongeschikt was voor zijn arbeid als gevolg van ziekte of gebrek en dat zij begrepen heeft dat [de verzoeker] al langere tijd last van klachten had. Uit geen van deze verklaringen volgt aldus dat [de verzoeker] gedurende de periode van 2019 tot en met 26 april 2025 niet in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen. Daarnaast heeft [de verzoeker] tot september 2024 zijn werkzaamheden bij Delco overigens naar behoren verricht. Bovendien is hij, ondanks zijn opzegging van 30 september 2024 omdat hij geen toekomst meer in Delco zag, toch aangebleven en heeft hij zijn werkzaamheden voortgezet. Vervolgens was hij vanaf eind 2024 / begin 2025 hij regelmatig afwezig of niet bereikbaar. Dit had ook te maken met de afnemende activiteit van Delco en werd door Delco daardoor ook niet direct opgemerkt. Bovendien gaf [de verzoeker] op dat moment te kennen dat hij ‘struggles’ had maar de volgende dag of die erna weer op het werk zou zijn. Dit past niet bij het beeld van een psychisch gestoorde verslaafde wiens dagelijks denken en doen wordt beheerst door de stoornis van de verslaving waaraan hij lijdt.
€ 24.984,00 en € 19.640,00 in verband met de door Delco geleden schade uit hoofde van het niet betalen van belastingen. Deze verzoeken, alsmede de daarover gevorderde rente zijn door [de verzoeker] niet, althans onvoldoende, gemotiveerd weersproken en worden daarom toegewezen.
De proceskosten van Delco worden in het verzoek begroot op: