Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3433

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/4124
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 AwbArt. 3.2 Keur Waterschap Rivierenland 2014Art. 6:2 Waterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Invordering verbeurde dwangsommen na niet-naleving last onder dwangsom in watergang

Eiseres bouwt een woning op een perceel waar een B-watergang is gedempt zonder vergunning. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena verleende een omgevingsvergunning voor de bouw, maar het waterschap stelde vast dat de watergang was gedempt en legde een last onder dwangsom op om herstel te bewerkstelligen.

Eiseres maakte bezwaar tegen de last onder dwangsom en vroeg om voorlopige voorzieningen, maar deze werden afgewezen. De last onder dwangsom werd onherroepelijk. Ondanks meerdere vergunningaanvragen die werden geweigerd of buiten behandeling gesteld, werd de overtreding niet beëindigd. Het college besloot tot invordering van de verbeurde dwangsommen van €30.000.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht tot invordering is overgegaan. De rechtmatigheid van de last onder dwangsom staat vast en het procesverloop vormt geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Ook het ontbreken van concreet zicht op legalisatie maakt invordering niet onredelijk. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en zij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de invordering van de verbeurde dwangsommen van €30.000.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. R.H.J.J. de Hoon),
en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland

(gemachtigde: mr. J. Uijlenbroek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarin is besloten om tot invordering van verbeurde dwangsommen van € 30.000,- over te gaan. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het invorderingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college mocht overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen
.Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 februari 2025 heeft het college € 30.000,- aan verbeurde dwangsommen ingevorderd. Met de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college samen met [persoon B] (toezichthouder).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres bouwt aan de [locatie], op het perceel sectie [sectie], nummer [perceelnummer], in [plaats 2] een vrijstaande woning. Voor de bouw van deze woning heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena (de gemeente) een omgevingsvergunning verleend. Op 5 december 2023 heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd op het perceel. Op het perceel bevindt zich een B-watergang met nummer [nummer]. Tijdens de controle heeft de toezichthouder geconstateerd dat deze watergang over ongeveer 17 meter was gedempt met grond. De demping heeft deels plaatsgevonden op het naastgelegen perceel [locatie] [huisnummer]. Ook is er geconstateerd dat er funderingspalen in de gedempte watergang zijn geplaatst.
3.1.
Volgens het college is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones. [1] Ook is het verboden om stoffen in een oppervlaktelichaam te brengen. [2] Daarom heeft het college op 20 december 2023 een last onder dwangsom opgelegd. De grond en funderingspalen moeten uit de B-watergang worden verwijderd en verwijderd gehouden. De watergang moet in de oorspronkelijke staat worden hersteld. Het college heeft hieraan een dwangsom verbonden van € 2.500,- per week dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 30.000,-. Daarbij heeft het college een begunstigingstermijn gegeven van vier weken.
3.2.
Tegen de last onder dwangsom heeft eiseres bezwaar gemaakt en gelijktijdig om een voorlopige voorziening verzocht. Het college heeft met het besluit van 16 januari 2024 de begunstigingstermijn verlengd tot na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. Met de uitspraak van 20 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland [3] de last onder dwangsom geschorst tot direct na het moment dat er een primair besluit genomen is op de tweede aanvraag voor een watervergunning.
3.3.
De eerste aanvraag om een watervergunning heeft het college op 31 januari 2024 geweigerd. De tweede aanvraag om een watervergunning heeft het college op 14 februari 2024 buiten behandeling gesteld. Dit betekent dat de begunstigingstermijn liep tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2024.
3.4.
Met de beslissing op bezwaar van 29 april 2024 heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en gelijktijdig om een voorlopige voorziening gevraagd. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2024 van de rechtbank Gelderland heeft de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. [4] Tegen de uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat de last onder dwangsom onherroepelijk is geworden.
3.5.
Op 19 september 2024 heeft de toezichthouder van het college opnieuw een controle uitgevoerd. Geconstateerd is dat de B-watergang niet is teruggebracht naar de oorspronkelijke staat. Op 16 oktober 2024 heeft het college daarom een voornemen tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen verstuurd naar eiseres. Omdat de overtreding niet is beëindigd, zijn in totaal € 30.000,- aan dwangsommen van rechtswege verbeurd.
3.6.
Eiseres heeft op 13 november 2024 haar zienswijze tegen het voornemen kenbaar gemaakt.
3.7.
Op 19 februari 2025 heeft het college het invorderingsbesluit genomen. Met de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2025 is het college bij het invorderingsbesluit gebleven.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
Toetsingskader
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de last onder dwangsom niet is nageleefd en dat de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd.
4.1.
Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb, gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [5]
Het procesverloop
5. Eiseres betoogt dat de samenhang in het procesverloop zorgt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Omdat de overtredingen te legaliseren zijn, heeft eiseres meerdere vergunningaanvragen ingediend. De eerste aanvraag is geweigerd, omdat sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De tweede aanvraag is buiten behandeling gesteld, omdat de toestemming van de eigenaar van het aangrenzende perceel zou ontbreken. De derde aanvraag is geweigerd omdat niet voldaan wordt aan de beleidsregels behorende bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland. Deze aanvragen voor een omgevingsvergunning liggen weliswaar niet ter beoordeling voor, maar tonen volgens eiseres wel aan dat zij er alles aan heeft gedaan om de overtredingen te legaliseren. Volgens eiseres was het vooroverleg over de derde aanvraag positief. Toch weigerde het college vervolgens om de begunstigingstermijn te verlengen. Daarom was eiseres genoodzaakt om een voorlopige voorziening aan te vragen om de last onder dwangsom te schorsen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, maar niet ambtshalve een ordemaatregel getroffen, terwijl dat volgens eiseres wel standaardpraktijk is. Direct na ontvangst van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft eiseres de aannemer opdracht gegeven om de watergang in oorspronkelijke staat te herstellen. Daarom heeft eiseres het college ook verzocht om twee weken te wachten met controleren. Dit alles tezamen zijn volgens eiseres bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien. Eiseres verwijst daarvoor ook naar de conclusie van advocaat-generaal [persoon C] [6] . De bijzondere omstandigheden die door [persoon C] in de conclusie zijn genoemd, zijn niet limitatief. Er moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, en niet alleen de opsomming die [persoon C] heeft genoemd. Eiseres meent daarom ook dat invordering in dit geval zeer onredelijk en disproportioneel is.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat het procesverloop geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien van invordering. De rechtbank stelt allereerst vast dat de rechtmatigheid van de last onder dwangsom vast staat. Eiseres heeft tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter geen hoger beroep ingesteld. Verder blijkt uit de last onder dwangsom niet dat legalisatie het doel is geweest. Onder het kopje “legalisatie” staat:
“In bepaalde gevallen kunt u, onder voorwaarden, voor bovengenoemde overtredingen een vergunning krijgen. Op dit moment kunnen wij niet beoordelen of u voor een vergunning in aanmerking komt, omdat de noodzakelijke gegevens ontbreken.”
De herstelmaatregel luidt:
“Uit te voeren maatregelen (last)
U dient de grond en de funderingspalen uit bovengenoemde B-watergang te verwijderen en verwijderd te houden. En u dient deze watergang weer in oorspronkelijke staat te herstellen zoals weergegeven op de bijgevoegde kaart.”
Het doel van de last onder dwangsom was het beëindigen van de overtreding, en niet het legaliseren ervan. Dat eiseres na het opleggen van de last onder dwangsom toch verder is gegaan met de werkzaamheden, betekent niet dat dit een bijzondere omstandigheid is om van invordering af te zien. Het komt ook voor risico van eiseres om met de werkzaamheden verder te gaan, voordat alle daarvoor benodigde vergunningen verkregen zijn. Dat de toezichthouder van het college één dag na de uitspraak van de voorzieningenrechter is gaan controleren, is naar het oordeel van de rechtbank ook geen bijzondere omstandigheid. De begunstigingstermijn was op dat moment al lange tijd verstreken en de dwangsommen waren toen al van rechtswege verbeurd. Het college heeft de toezegging gedaan om niet te gaan controleren tot uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter. Daar heeft het college zich aan gehouden. Bovendien had eiseres als zij hoger beroep had ingesteld bij de Afdeling gelijktijdig om een voorlopige voorziening kunnen vragen, als zij vond dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte geen ordemaatregel heeft getroffen.
5.2.
Voor zover eiseres betoogt dat concreet zicht op legalisatie ook moet worden meegewogen als bijzondere omstandigheid, oordeelt de rechtbank als volgt. Als op het moment van het nemen van het invorderingsbesluit concreet zicht op legalisatie bestond, is dat geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. [7] In dit geval is er bovendien geen sprake geweest van concreet zicht op legalisatie. De vergunningaanvragen van eiseres zijn ofwel buiten behandeling gelaten ofwel geweigerd.
5.3.
Alles in samenhang beschouwd is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het college geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van invordering. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de verbeurde dwangsommen mocht invorderen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.2, eerste lid, van de Keur Waterschap Rivierenland 2014.
2.Artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5126.
6.Conclusie van advocaat-generaal [persoon C] van 4 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152.
7.Uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2686.