Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste hoogten zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. Belanghebbende is van mening dat de oorzaak van het vermogensverschil van
€ 219.384 (het verschil tussen € 691.607 en € 472.223) in het verleden is gelegen. Er is een computercrash geweest en veel gegevens zijn verloren gegaan. Om de aangifte IB/PVV 2019 sluitend te krijgen heeft belanghebbende het verschil in het kapitaal van [persoon C] (de andere vennoot) geboekt. Als er al plaats is voor een winstcorrectie, moet die correctie in oude jaren (2018 en eerder) worden doorgevoerd. Primair concludeert belanghebbende tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019. Subsidiair stelt belanghebbende dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd. De voorraad 2019 is € 6.500 te hoog gewaardeerd. Meer subsidiair eist belanghebbende dat de herwaardering in de toekomst ongedaan wordt gemaakt.
14. De inspecteur is primair van mening dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat dit omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt. De door de inspecteur gemaakte schatting is redelijk en belanghebbende heeft niet doen blijken dat, en in hoeverre, de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. Subsidiair is de inspecteur van mening dat belanghebbende het beginsel van balanscontinuïteit heeft geschonden en de herwaardering van de voorraad niet via de kapitaalrekening van de andere vennoot had mogen lopen, maar tot de fiscale winst in 2019 moet worden gerekend. De navorderingsaanslag IB/PVV 2019, na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar, houdt in beide gevallen (primair en subsidiair) stand.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
15. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) schrijft dwingend de omkering en verzwaring van de bewijslast voor, onder meer indien de vereiste aangifte niet is gedaan. Deze bewijsregel brengt mee dat de belastingrechter is gehouden om de bewijslast op grond van die bepaling om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven.
16. Niet in geschil is dat belanghebbende is uitgenodigd en aangemaand. Dit betekent dat de vraag naar de vereiste aangifte aan de orde kan komen.
17. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV 2019 heeft gedaan vóór de uiterste inleverdatum als vermeld in de aanmaningsbrief. Belanghebbende heeft pas in bezwaar tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag IB/PVV 2019 aangifte gedaan.
18. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat dit hem kan worden aangerekend. Dat belanghebbende in bezwaar alsnog aangifte heeft gedaan, maakt dit niet anders omdat dit geen aangifte in de zin van de AWR is, en bovendien op dat moment de aanslag IB/PVV 2019 al was vastgesteld.Dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende op het moment van doen van ‘aangifte’ nog niet was vastgesteld doet hier niet aan af. Belanghebbende heeft ter zitting ook toegegeven dat ‘omkering bewijslast volgens de jurisprudentie juist zal zijn’.
19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is.
Is de door de inspecteur gemaakte schatting redelijk?
20. Zoals hiervoor aangegeven rust de verzwaarde bewijslast op belanghebbende. Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur evenwel niet van zijn verplichting om de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.
21. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de herwaardering van de voorraad naar actuele inkoopprijzen op 1 januari 2021 tot de fiscale winst over 2019 moet worden gerekend. De inspecteur heeft uiteindelijk een deel, € 162.032 (€ 340.000 minus € 177.968), van de ‘vermogenssprong’ van € 219.384 (€ 691.607 minus € 472.223) in 2019 gecorrigeerd. Daarbij heeft de inspecteur acht geslagen op het bestand ‘Inkopen 2019’ van belanghebbende en het daarin vermelde bedrag aan voorraden per 1 januari 2019 ad
€ 340.000. Daarnaast heeft hij rekening gehouden met de winstgerechtigdheid van belanghebbende in de V.o.F.. Zodoende heeft de inspecteur uiteindelijk € 81.016 (50% van € 162.032) bij belanghebbende gecorrigeerd. Anders dan belanghebbende meent volgt hieruit dat de inspecteur in ieder geval in bezwaar wel degelijk ‘welwillend’ is geweest en hij niet enkel heeft volhard in zijn eigen visie, of ‘maximaal gecorrigeerd’ heeft.
Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is?
22. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd te doen blijken dat de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken aangedragen die zijn stelling dat de oorzaak van het vermogensverschil in oude jaren is gelegen, staven. De in beroep overgelegde ‘Tellijst’ en het document ‘Inkopen 2019’ volstaan daartoe niet. Veeleer onderschrijven die dat sprake is van een (al dan niet bewuste) herwaardering van de voorraad in 2019. En zelfs al zou de oorzaak van het verschil in oude jaren zijn gelegen, dan nog sluit dit correctie op grond van de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (2019) niet uit.Ook heeft belanghebbende niet doen blijken dat de inkopen in 2019 hoger zijn dan in de aangifte, zodat de winst uit onderneming € 6.500 lager dient te zijn.
23. De rechtbank merkt ten slotte op dat belanghebbende met zijn stellingen er telkens aan voorbijgaat dat de totaalwinst van de vennoten belast dient te worden, en dat dit uitsluit dat er van het ene (2018) op het andere jaar (2019) sprake is van een vermogenssprong die buiten de heffing blijft.
24. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.