Beoordeling door de rechtbank
19. De rechtbank beoordeelt of de teruggaafbeschikkingen te laag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Daarbij is met name in geschil:
- of recht bestaat op aftrek van voorbelasting en
- of belanghebbende terecht het nultarief heeft toegepast.
20. De inspecteur heeft de volgende standpunten ingenomen:
- Belanghebbende heeft niet voldaan aan de bewaarplicht;
- Het bestaan van de goederen is niet aannemelijk gemaakt;
- Dat belanghebbende de beschikkingsmacht over de goederen had is niet aannemelijk gemaakt;
- In samenhang met alle feiten bestaat er geen recht op aftrek van voorbelasting, omdat sprake is van schijnhandelingen;
- Het claimen van omzetbelasting ter zake van een niet op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur met de wetenschap dat de leverancier niet bestaat, is te kwalificeren als omzetbelastingfraude.
Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat niet is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de toepassing van het nultarief.
Meer subsidiair is de inspecteur van mening dat belanghebbende en haar bestuurder wisten of hadden moeten weten dat zij deelnemer waren in een keten van leveringen waarin partijen niet aan hun omzetbelastingverplichtingen voldeden.
21. Belanghebbende heeft, kort weergegeven, het volgende gesteld:
- Er is geen sprake van schijnhandelingen, de voorbelasting op de facturen van [naam bedrijf 1] is aftrekbaar.
- Het vervoer in het kader van een intracommunautaire levering is aannemelijk gemaakt.
- De CMR vrachtbrieven konden worden gebruikt en de gebreken zijn summier.
- Belanghebbende wist niet of had niet kunnen weten van de fraude in de keten en was zorgvuldig in haar handelen;
- het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid is geschonden;
- Belanghebbende heeft recht op integrale vergoeding van haar proceskosten.
Heeft belanghebbende recht op aftrek van voorbelasting ter zake van de facturen van [naam bedrijf 1]?
22. Voor het recht op aftrek is van belang of aannemelijk is dat [naam bedrijf 1] goederen heeft geleverd en gefactureerd aan belanghebbende en of belanghebbende de afnemer is van die goederen. Volgens de Hoge Raad brengen de artikelen 35 en 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 mee dat het, behoudens tegenbewijs, ervoor moet worden gehouden dat degene aan wie door een ondernemer een factuur wordt uitgereikt waarin hij wordt genoemd als degene aan wie de in de factuur vermelde levering of dienst is verricht en waarin hij verplicht wordt te betalen, degene is aan wie de ondernemer zijn leveringen of diensten heeft verricht in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet OB.Het gaat hier om een bewijsvermoeden.
23. Omdat belanghebbende in de onderhavige twee tijdvakken facturen heeft ontvangen waar op staat vermeld dat ze door [naam bedrijf 1] zijn gestuurd aan belanghebbende, wordt op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad vermoed dat belanghebbende de afnemer is van de op de factuur vermelde prestaties. De inspecteur kan dit bewijsvermoeden ontzenuwen.
24. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur daarin geslaagd door te wijzen op de omstandigheden van dit geval. De inspecteur heeft aangevoerd dat er geen link kan worden gelegd tussen de facturen en (gestelde) door [naam bedrijf 1] aan belanghebbende geleverde goederen.
25. Zoals uit het derdenonderzoek bij [naam bedrijf 1] naar voren is gekomen, zijn de door belanghebbende gestelde inkopen niet te verifiëren bij [naam bedrijf 1]. Dit houdt verband met het feit dat door de gestelde contante betaling van de goederen, door het niet gebruiken van kwitanties en door het niet storten van de gelden op een bankrekening, niet te verifiëren is of er ter zake van de gestelde leveringen is betaald. Met wie belanghebbende ter zake van de gestelde transacties contact heeft gehad bij [naam bedrijf 1] is ook niet duidelijk geworden. De onderhandelingen over de prijs zouden via Facebook en Whatsapp hebben plaatsgevonden. Die berichten zijn echter niet bewaard gebleven. De aandeelhouder van [naam bedrijf 1] woont in Frankrijk en heeft ontkend de goederen aan belanghebbende te hebben geleverd. Belanghebbende heeft deze stellingen van de inspecteur niet voldoende gemotiveerd weersproken, waardoor de gestelde omstandigheden vaststaan. De foto’s waar belanghebbende naar heeft verwezen zijn hiervoor onvoldoende, omdat ze niet duidelijk maken dat het gaat om de goederen die op de facturen van [naam bedrijf 1] zijn vermeld. Ook de overgelegde e-mailszijn onvoldoende, omdat het grotendeels e-mails betreft tussen belanghebbende en [naam bedrijf 2] en omdat er geen objectief verifieerbare gegevens zijn die onderbouwen dat [naam bedrijf 1] daadwerkelijk goederen aan belanghebbende heeft geleverd. Uit de e-mail van belanghebbende aan [naam bedrijf 1] van 19 mei 2020lijkt bovendien te volgen dat er geen sprake is van inkoop door belanghebbende bij [naam bedrijf 1], maar van bemiddeling tussen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]. Gelet op de vaststaande omstandigheden hebben de facturen niet de bewijskracht die zij normaal gesproken hebben en is het bewijsvermoeden ontzenuwd.
26. Daardoor komt de bewijslast weer te rusten op belanghebbende, die claimt recht te hebben op aftrek van voorbelasting op basis van door haar getoonde facturen. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat door [naam bedrijf 1] goederen aan haar geleverd zijn. Zij heeft nagelaten enig bewijs aan te dragen voor haar stelling dat de facturen juist zijn en daadwerkelijke transacties betreffen. Uit de vaststaande feiten is af te leiden dat [naam bedrijf 1] niets te maken heeft gehad met de op de facturen vermelde leveranties. Of er daadwerkelijk goederen aan belanghebbende geleverd zijn is ook niet duidelijk.
27. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zij zowel met [naam bedrijf 1] als met [naam bedrijf 2] heeft afgesproken dat de goederen zouden worden gestald bij een opslagplaats van [naam bedrijf 3] BV. Uit de overgelegde facturen van [naam bedrijf 3] B.V. volgt dat belanghebbende een vergoeding heeft voldaan aan [naam bedrijf 3] B.V. voor opslag van bepaalde goederen. Daaruit is evenwel niet op te maken dat het gaat om door [naam bedrijf 1] aan belanghebbende geleverde goederen zoals deze zijn gefactureerd. Bovendien is uit het derdenonderzoek bij deze door belanghebbende opgegeven opslaglocatie gebleken dat de loods in de periode tussen juni 2020 tot en met september 2020 niet gehuurd is door belanghebbende of door [naam bedrijf 1].Ook uit de facturen van [naam bedrijf 3] B.V. aan belanghebbende volgt niet dat de opslag waarvoor is betaald de goederen betreft die op de facturen staan die de (gestelde) leveringen door [naam bedrijf 1] vermelden. Verder staan op de factuur steeds 33 pallets vermeld, terwijl het er bij de gestelde leveringen door [naam bedrijf 1] 10 zouden zijn en er volgens belanghebbende alleen goederen van [naam bedrijf 1] door haar waren opgeslagen in de loods. Ook de verklaring van de bestuurder en van een werknemer van [naam bedrijf 3] en de foto’s zijn niet overtuigend, omdat daarmee niet duidelijk wordt of de opslag de goederen betrof die op de facturen van [naam bedrijf 1] aan belanghebbende zijn gefactureerd en ook niet wie de goederen naar de opslag heeft gebracht, terwijl de verklaringen bovendien vooral gaan over het ophalen van de goederen door [naam bedrijf 2].
28. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende niet het van haar te verlangen bewijs heeft geleverd en dus geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die op de facturen van [naam bedrijf 1] is vermeld.
29. De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe. Zelfs in het geval aannemelijk zou zijn dat de gestelde leveringen daadwerkelijk zouden hebben plaatsgevonden, dan nog zouden de beschikking geen teruggaaf respectievelijk de teruggaafbeschikking evenmin op hogere bedragen moeten worden vastgesteld. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het nultarief niet mag worden toegepast en dat dit via interne compensatie alsnog gecorrigeerd kan worden. De reden hiervoor is dat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van vervoer naar een andere lidstaat in het kader van de levering van belanghebbende aan [naam bedrijf 2]. De rechtbank verwijst daartoe naar al hetgeen de inspecteur in zijn verweerschrift daarover heeft uiteengezet, waartegen belanghebbende onvoldoende heeft ingebracht. Verder wijst de rechtbank op de eigen stelling van belanghebbende dat [naam bedrijf 2] de goederen zelf afhaalde bij de opslaglocatie van Veds.Daardoor vond de levering aan [naam bedrijf 2] al plaats in Nederland en vond het vervoer dus niet plaats in het kader van de levering. De afhaalverklaringen voldoen niet aan de daarvoor geldende vereisten, zodat ook om die reden het nultarief niet toch kan worden toegepast.
30. Gelet op dit oordeel komt de rechtbank aan beoordeling van de overige stellingen van de inspecteur niet toe.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
31. Belanghebbende heeft gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid is geschonden.
32. Belanghebbende heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat rondom het plannen van de start van het boekenonderzoek de inspecteur te weinig rekening hield met de gezondheidstoestand van [persoon D], dat een en ander niet in een vriendelijke sfeer is verlopen en dat het onderzoek erg lang heeft geduurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee niet het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De beschreven gang van zaken ziet immers niet op de inhoud van de teruggaafbeschikkingen. De inspecteur heeft juist uitgebreid onderzoek gedaan ter voorkoming van onzorgvuldige besluitvorming. Dat het onderzoek misschien onaangenaam is verlopen, maakt niet dat de beschikkingen onjuist zijn.
33. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het verbod van misbruik van bevoegdheid doordat hij de omzet op nihil heeft gesteld, kennelijk om te voorkomen dat TVL-subsidie (Tegemoetkoming Vaste Lasten) zou worden verleend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO). Deze stelling raakt niet de juistheid van de beschikkingen die in deze zaken aan de orde zijn, zodat ze niet relevant zijn voor de beoordeling. De stellingen maken ook niet duidelijk wat het gevolg zou moeten zijn van het gestelde misbruik van bevoegdheid. Voor zover hiermee een onrechtmatige daad van de inspecteur wordt gesteld, is alleen de civiele rechter bevoegd om hierover te oordelen.
Overschrijding van de redelijke termijn
34. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
35. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016.Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.
36. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 5 oktober 2022. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 1 jaar en 8 maanden (20 maanden) langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven vier keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 2.000 (€ 500 per half jaar). De laatste uitspraak op bezwaar is van 13 oktober 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 7/20 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 13/20 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 700 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.300 aan belanghebbende te betalen.