Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 8 mei 2026
[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur
de Staat.
Rechtbank Gelderland
Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van teruggaaf van omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2020. De inspecteur had de teruggaaf over het tweede kwartaal geheel geweigerd en over het derde kwartaal slechts gedeeltelijk toegekend. Belanghebbende stelde dat zij goederen had ingekocht van [naam bedrijf 1] B.V. en doorverkocht aan een Frans bedrijf, waarbij het nultarief van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen daadwerkelijk aan haar zijn geleverd door [naam bedrijf 1]. Uit het derdenonderzoek blijkt dat [naam bedrijf 1] niet beschikte over de goederen en dat de transacties vermoedelijk schijntransacties zijn. Ook is niet aannemelijk dat het vervoer naar een andere lidstaat heeft plaatsgevonden, waardoor het nultarief niet van toepassing is.
Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. De facturen en opslagfacturen zijn onvoldoende om de leveringen te staven. De rechtbank wijst de beroepen daarom af en bevestigt de beschikkingen van de inspecteur.
Daarnaast wordt belanghebbende een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten aan belanghebbende.
De overige stellingen van belanghebbende, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid, worden verworpen omdat zij niet leiden tot een andere uitkomst.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van teruggaaf omzetbelasting worden ongegrond verklaard en de beschikkingen van de inspecteur blijven in stand.