Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
[de eiser in conventie] is bij dat vonnis in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op
-uitsluitend- de inhoud van de akte van de Veiling.
Hierdoor wordt dus afgeweken van het procedurele uitgangspunt dat een door de rechter gegeven eindbeslissing alleen door het aanwenden van een algemeen of bijzonder rechtsmiddel kan worden aangetast.
In deze zaak dient enkel de inhoud van de door de Veiling met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten waarin geen kwaliteitseisen worden gesteld als uitgangspunt bij de beoordeling.
De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot heroverweging van dit oordeel.
“
Gelet op het uitvalpercentage van 8,5 % alsmede het feit dat [fruitkwekersbedrijf] haar per e-mail van 29 juni 2024 had laten weten dat in alle 5 de cellen holle peren waren aangetroffen, is het alleszins begrijpelijk dat de Veiling er geen vertrouwen meer in had dat de nog niet van [de eiser in conventie] afgenomen peren wel zouden voldoen aan hetgeen de Veiling op grond van de met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten mocht verwachten. Dit in verband met het feit dat - zoals de Veiling wist - de peren waren bestemd waren voor menselijke consumptie. Om die reden is -anders dan [de eiser in conventie] heeft aangevoerd- niet van belang dat niet meer kan worden vastgesteld hoeveel peren van de 750.000 kg als holle peren moeten worden beschouwd en er slechts sprake is van een aantoonbaar substantieel deel van een klein gedeelte van de voorgenomen leveringen.”
De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot heroverweging van dit oordeel.
Het sorteren van fruit is een gebruikelijk handelsstap die ook zonder de door de Veiling gestelde kwaliteitsproblemen zou hebben plaatsgevonden, zodat het causaal verband tussen de sorteerkosten en de gestelde tekortkoming van [de eiser in conventie] ontbreekt.
volgens afspraak” en “
bij u bekend zijn” wijst erop dat de Veiling deze kosten op basis van een eigen afspraak met [naam betrokkene] voor eigen rekening heeft genomen. Deze kosten kunnen daarom niet zonder mee op [de eiser in conventie] worden verhaald. Bij gebreke van betaalbewijzen betwist [de eiser in conventie] dat de Veiling in dit verband schade heeft geleden. De sorteerkosten kunnen niet als schade op [de eiser in conventie] worden verhaald.
De rechtbank heeft in r.o. 6.11. van het tussenvonnis vastgesteld dat die nadere afspraken inhielden dat een professionele partij de peren zou sorteren en dat deze de holle peren eruit zou halen en dat de Veiling alleen voor de niet holle peren zou behoeven te betalen. Vast staat dat de deskundige, [naam betrokkene] , het sorteren van de peren heeft moeten staken vanwege de slechte kwaliteit daarvan.
Deze kosten komen dan ook voor rekening van [de eiser in conventie] . Dit strookt overigens met de uit voormelde e-mail van 15 juli 2024 blijkende afspraak dat de kosten voor het sorteren van de uitval van de peren worden betaald door [de eiser in conventie] .
Deze post is dan ook -zonder dat de Veiling betaalbewijzen heeft overgelegd- toewijsbaar tot een bedrag van € 10.301,87 (exclusief btw). De rechtbank gaat er immers vanuit dat de door de Veiling betaalde btw door haar in vooraftrek kan worden gebracht en in zoverre voor haar geen schade heeft opgeleverd.
De Veiling heeft de overeenkomst bij brief van 24 juli 2024 buitengerechtelijk ontbonden. Door deze ontbinding is de verdere uitvoering van de overeenkomst komen te vervallen en kan de Veiling dus ook geen aanspraak maken op provisie.
Hooguit is sprake van gederfde winst. Voor vergoeding daarvan is vereist dat voldoende concreet wordt onderbouwd dat deze inkomsten daadwerkelijk zouden zijn gerealiseerd en dat het uitblijven daarvan het rechtstreeks gevolg is van de gestelde tekortkoming van [de eiser in conventie] . De Veiling heeft dat niet inzichtelijk gemaakt. Het bedrag van € 1.440,-- kan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Het door de Veiling overgelegde -door de Veiling zelf opgestelde- urenoverzicht wordt niet ondersteund door enig objectief onderliggend stuk waaruit blijkt dat deze uren daadwerkelijk zijn besteed aan werkzaamheden die rechtstreeks voortvloeien uit de gestelde tekortkoming van [de eiser in conventie] . Daarbij komt dat interne kosten van een onderneming, waaronder de loonkosten van eigen medewerkers, in beginsel niet als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen, tenzij sprake is van aantoonbare extra kosten die de normale bedrijfsvoering overstijgen en die rechtstreeks toerekenbaar zijn aan de schade veroorzakende gebeurtenis. De Veilig heeft niet inzichtelijke gemaakt dat hiervan sprake is.
De kosten van juridische bijstand in reconventie worden dan ook geacht te worden vergoed door middel van de proceskosten waartoe [de eiser in conventie] in reconventie zal worden veroordeeld.
Dit onderdeel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
De Veiling heeft geen valide reden aangevoerd waarom zij nog steeds in 2026 niet in staat is om de schadeposten onder 2.41., 2.42. en 2.43. te onderbouwen, terwijl de Veiling de met [de eiser in conventie] gesloten koopovereenkomsten reeds medio 2024 heeft ontbonden en het in deze om bederfelijke waar gaat.
De rechtbank zal de zaak voor het begroten van de nog niet onderbouwde schade om die reden niet naar de schadestaatprocedure verwijzen. Het staat de Veiling uiteraard vrij om daarvoor een nieuwe procedure jegens [de eiser in conventie] aanhangig te maken op het moment dat zij wel in staat is om haar schade te onderbouwen.
3.De afhandeling van het incident
4.De beslissing
29 april 2026.