Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3970

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/05/466495 / FA RK 26/1645
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 WvggzArt. 10:10 lid 3 WvggzArt. 10:11 WvggzArt. 8:9 WvggzArt. 8:16 lid 1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klachten over verplichte zorg en afwijzing overplaatsingsverzoek

Verzoeker diende een klacht in tegen het toedienen en ophogen van medicatie, verplichte insluiting, toezicht en de afwijzing van een overplaatsingsverzoek binnen de zorginstelling Pro Persona. De klachtencommissie verklaarde deze klachten ongegrond, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat het besluit tot verplichte medicatietoediening noodzakelijk en doelmatig was ter voorkoming van ernstig nadeel, ondanks het beperkte motiveringsniveau in het besluit. De rechtbank passeerde dit motiveringsgebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat verzoeker hierdoor niet benadeeld werd. Ook de toepassing van verplichte insluiting en toezicht werd als proportioneel en voldoende onderbouwd beoordeeld.

Het verzoek tot overplaatsing werd afgewezen omdat de problematiek van verzoeker niet wezenlijk zou veranderen door overplaatsing en behandeling binnen de eigen regio het uitgangspunt is. De rechtbank verklaarde de klachten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klachten ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/466495 / FA RK 26/1645
Datum uitspraak: 21 mei 2026
beschikking over een beroep in de zin van artikel 10:7 Wet Pro op de geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
op het ingediende verzoekschrift van
[naam verzoeker],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteland] ,
hierna te noemen verzoeker,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. A. van den Berg in Arnhem.
ter verkrijging van een beslissing over een klacht die betrokkene op 26 februari 2026 heeft ingediend bij de klachtencommissie van Pro Persona (hierna: de klachtencommissie).
Als verweerder wordt aangemerkt de zorgaanbieder
Pro Personain Wolfheze,
hierna te noemen: Pro Persona.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met producties, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 24 april 2026;
  • de uitspraak van de klachtencommissie van 13 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026 op het terrein van Pro Persona.
1.3.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
  • verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
  • dhr. [psychiater] , als psychiater verbonden aan Pro Persona;
  • dhr. [geneesheer-directeur] , geneesheer-directeur van Pro Persona.
1.4.
De advocaat van verzoeker heeft tijdens de zitting nadere stukken overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 februari 2026 is voor verzoeker een aansluitende zorgmachtiging voor toepassing van verplichte zorg verleend die geldig is tot en met 19 februari 2027. In de zorgmachtiging zijn, voor zover hier van belang, onder meer de vormen ‘het toedienen van medicatie’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ en ‘opnemen in een accommodatie’ opgenomen.
2.2.
Op 19 februari 2026 heeft de instelling een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie, het insluiten, het uitoefenen van toezicht en het opnemen in een accommodatie en dit aan verzoeker kenbaar gemaakt.
2.3.
Verzoeker heeft 26 februari 2026 een klacht ingediend bij de klachtencommissie tegen de verplichte toediening van de medicatie, de insluiting in de EBK en het houden van toezicht. Ook heeft verzoeker geklaagd over de afwijzing van zijn verzoek tot overplaatsing. De klachtencommissie heeft deze klachten ongegrond verklaard in haar uitspraak van 13 maart 2026.

3.De beoordeling

3.1.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de klachtencommissie van 13 maart 2026. Hij verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
  • de klacht ten aanzien van de ophoging van de medicatie gegrond te verklaren en de geneesheer-directeur opdracht geven tot het onderzoeken of een lagere dosis medicatie toereikend is op grond van artikel 10:10 lid 3 Wvggz Pro;
  • de klacht ten aanzien van de verplichte insluiting en het houden van toezicht alsnog (inhoudelijk) gegrond te verklaren;
  • aan verzoeker een schadevergoeding op grond van artikel 10:11 Wvggz Pro toe te kennen ten laste van de zorgaanbieder.
Ontvankelijkheid
3.2.
Op grond van artikel 10:7 lid 1 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kan verzoeker een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Dat verzoek moet worden gedaan uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan betrokkene is medegedeeld.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat zijn verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro genoemde termijn is ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
3.4.
De Wvggz geeft in artikel 10:3 een Pro limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van betrokkene heeft betrekking op beslissingen die vallen onder deze limitatieve opsomming. De klacht gaat namelijk over het toepassen van verplichte zorg, meer specifiek het toedienen van medicatie, het insluiten en het uitoefenen van toezicht. Daarnaast gaat de klacht over het afwijzen van het verzoek tot overplaatsing. Deze beslissingen vallen onder respectievelijk artikel 8:9 en Pro artikel 8:16 lid 1 van Pro de Wvggz, die in artikel 10:3 zijn Pro genoemd.
3.5.
Op basis van de overgelegde stukken en de toelichting tijdens de zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om de klachten gegrond te verklaren. Zij legt hierna uit waarom.
3.6.
Op grond van artikel 8:9 Wvggz Pro mag de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing nemen tot het verlenen van verplichte zorg. De zorgverantwoordelijke kan dit alleen doen als hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. Bij de uitvoering van een zorgmachtiging worden van de verplichte zorg de proportionaliteit en subsidiariteit, waaronder begrepen de verplichte zorg in ambulante omstandigheden, alsmede de doelmatigheid en veiligheid beoordeeld op grond van artikel 2:1 lid 3 van Pro de Wvggz.
3.7.
Verzoeker is het niet eens met de verplichte toediening van medicatie, de verhoging daarvan en de recente wijziging van de medicatie. Hij heeft daarbij benadrukt dat hij bij voorkeur geen medicatie gebruikt. Volgens verzoeker zijn de door hem ervaren bijwerkingen een rechtstreeks gevolg van de verhoging van de medicatie. De huisarts die hij heeft geconsulteerd heeft dat bevestigd, waarna de medicatie iets is verlaagd. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van ernstig nadeel. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, had dit volgens hem kunnen worden weggenomen door een andere, niet-verplichte interventie of behandeling. Daarnaast voert verzoeker aan dat het besluit tot het toepassen van verplichte zorg niet frequent en onvoldoende uitvoerig met hem is besproken en dat ten onrechte niet is geprobeerd om veiligheidsafspraken met hem te maken. Daarbij heeft verzoeker benadrukt dat gedurende zijn gehele verblijf binnen de afdeling [afdeling] geen verplichte zorg hoefde te worden toegepast. Ook is verzoeker van mening dat de beslissing van 19 februari 2026 tot het verlenen van verplichte zorg te algemeen is en onvoldoende op zijn persoonlijke situatie is toegespitst. Volgens verzoeker volgt uit artikel 8:9 lid 2 Wvggz Pro dat de behandelaar gehouden is de beslissing van een schriftelijke motivering te voorzien. Verzoeker is van mening dat in dit geval niet is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in deze procedure uitsluitend ter beoordeling voorligt of het besluit tot het toedienen van verplichte medicatie op juiste gronden is genomen. De rechtbank treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de voorgeschreven medicatie, omdat daarover in het besluit niets is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit tot het inzetten van verplichte zorg (als zodanig) voldoende onderbouwd. Weliswaar is de formulering in het besluit erg kort, zonder vermelding van de precieze medicatie of de hoogte daarvan, maar de geneesheer-directeur heeft tijdens de zitting toegelicht dat de aanzegging van verplichte zorg ten aanzien van medicatie niet altijd heel specifiek wordt geformuleerd. Doorgaans wordt alleen de essentie van de noodzaak van de verplichte zorg weergegeven. De psychiater heeft aanvullend verklaard dat de noodzaak er in dit geval in was gelegen dat de instemming van verzoeker met het gebruik van medicatie wisselend is geweest. Ook is regelmatig bloedonderzoek verricht, waarna op basis van spiegelcontroles de medicatie is verhoogd. Omdat de huidige medicatie onvoldoende effect geeft, wordt verzoeker momenteel ingesteld op andere medicatie.
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is toegelicht dat het toedienen van medicatie noodzakelijk en doelmatig is ter voorkoming van ernstig nadeel en dat geen minder bezwarende alternatieven voorhanden zijn. Uit de verleende zorgmachtiging volgt al dat de rechtbank in principe van oordeel was dat medicatie noodzakelijk was. De rechtbank ziet op basis van het dossier geen grond om nu tot een ander oordeel te komen. Bij opname (die in eerste instantie vrijwillig zou plaatsvinden) was verzoeker psychotisch en bang. Al eerder tijdens de huidige opname is - onder de voorafgaande zorgmachtiging - besloten tot verplichte medicatietoediening. Er was sprake van onrust bij verzoeker, mede als gevolg van overtuigingen die door de behandelaars als wanen worden bestempeld. Medicatie is nodig om het beeld van verzoeker te stabiliseren. De belangrijkste vraag is dan of terecht is besloten deze medicatie verplicht toe te dienen. De psychiater heeft toegelicht dat verzoeker wisselend instemt met medicatie en met name ook zo min mogelijk medicatie wil. Bij de klachtencommissie is benoemd dat verzoeker als gevolg van zijn psychotische belevingen onder meer weigerde om op zijn kamer te slapen of om de voorgeschreven kalmerende medicatie in te nemen, waardoor hij in de nacht op de gang van de afdeling bivakkeerde, met overlast tot gevolg. Daarom acht de rechtbank het juist zorgvuldig dat de beslissing is geformaliseerd in een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. Op die manier wordt de rechtspositie van verzoeker gewaarborgd, omdat hij de beslissing nader kan laten toetsen.
3.10.
Wat de wijziging van de medicatie en de hoogte daarvan betreft, voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. In het huidige besluit is hierover niets vermeld. Uit de ter zitting door de advocaat van verzoeker overgelegde e-mailcorrespondentie met de klachtencommissie blijkt echter dat verzoeker ook niet de mogelijkheid heeft gekregen om een nieuwe klacht over de medicatie in te dienen. De klachtencommissie heeft het standpunt ingenomen dat sprake was van dezelfde klacht, die eerder al is afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het gevolg is van het feit dat er slechts één schriftelijke beslissing ligt, waarover al is geoordeeld, welke beslissing enkel gaat over het verplicht toedienen van medicatie (zonder nadere specificatie van het medicijn of hoeveelheden). Als verzoeker opnieuw een klacht wenst in te dienen die specifiek gaat over de soort medicatie of de hoogte daarvan, zal hij op grond van artikel 8:9 lid 1 Wvggz Pro eerst een nieuw besluit moeten aanvragen waarin dit nader wordt gespecificeerd. Nadat een dergelijk nieuw besluit is genomen, of bij een eventuele weigering van de psychiater om dat te doen, staat voor verzoeker in principe de mogelijkheid open om daartegen een nieuwe klacht in te dienen.
3.11.
De rechtbank is het overigens wel met verzoeker eens dat de beslissing van 19 februari 2026 op dit punt erg beperkt is gemotiveerd. Dit heeft klaarblijkelijk te maken met het feit dat het besluit tot verplichte medicatie al eerder is genomen en slechts is vernieuwd omdat op 19 februari 2026 een nieuwe aansluitende zorgmachtiging is afgegeven. De rechtbank beschikt echter niet over het oorspronkelijke besluit waarbij de medicatie als verplichte zorgvorm is ingezet. In de beslissing van 19 februari 2026 is enkel vermeld dat overeenstemming met de geneesheer-directeur is bereikt, dat de verplichte zorg wordt gegeven omdat uitstellen niet langer verantwoord is en onder het kopje “Waarom krijgt u deze zorg?”:
“U bent van mening geen medicatie nodig te hebben. Medicatie is nodig voor behandeling van uw psychiatrische stoornis.”
Hieruit volgt niet direct de noodzaak van verplichte medicatietoediening, omdat niet is toegelicht welk ernstig nadeel hiermee wordt afgewend en waarom een vrijwillig kader niet (langer) volstaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing in zoverre onvoldoende schriftelijk gemotiveerd. Uit de nadere toelichting bij de klachtencommissie en tijdens de zitting van 13 mei 2026 is de noodzaak echter voldoende naar voren gekomen, zoals hiervoor in 3.9 is overwogen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Verzoeker is hierdoor namelijk niet benadeeld, omdat de beslissing geen andere zou zijn geworden als de toelichting waarom verzoeker deze zorg krijgt uitgebreider was geweest. [1]
3.12.
Verder stelt verzoeker zich op het standpunt dat de vormen van verplichte zorg bestaande uit insluiting en het uitoefenen van toezicht ten onrechte zijn toegepast. Volgens verzoeker verbleef hij immers vrijwillig in de EBK, zodat de inzet van verplichte zorg niet noodzakelijk was. Hij heeft toegelicht dat hij bang was om op zijn eigen kamer te slapen en daarom vrijwillig bereid was in de EBK te verblijven. Op enig moment wilde hij echter op de gang blijven, waarna verplichte zorg werd toegepast. De psychiater heeft tijdens de zitting verklaard dat de spanningen bij verzoeker op dat moment waren toegenomen en dat verzoeker zich bedreigend opstelde naar de verpleegkundigen. Ook was sprake van ernstige slaapdeprivatie en een duidelijke toename van klachten. Verzoeker was niet langer bereid vrijwillig in de EBK te verblijven. Volgens de psychiater was het daarom noodzakelijk om verplichte zorg aan te zeggen, mede omdat de deuren van de EBK gesloten zijn en samenwerking met verzoeker op dat moment niet mogelijk was. Dit besluit is op 13 januari 2026 al genomen en op 19 februari 2026 onder de aansluitende zorgmachtiging herhaald, omdat volgens de psychiater de situatie van verzoeker op dat moment nog onvoldoende hersteld was.
3.13.
De rechtbank is van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden voldoende grondslag bestond voor het toepassen van de vormen van verplichte zorg, bestaande uit insluiting en het uitoefenen van toezicht om het ernstige nadeel te bestrijden. De rechtbank acht de beslissing ook proportioneel in de gegeven omstandigheden. In het besluit van 13 januari 2026 is uitvoerig toegelicht waarom de beslissing is genomen. Omdat dit besluit zich ook bij de stukken bevindt, kan de rechtbank deze motivering in de beoordeling betrekken. Het besluit van 19 februari 2026 bouwt daar immers op voort. De psychiater heeft toegelicht dat de situatie op 19 februari 2026 niet voldoende verbeterd was in die zin dat de samenwerking nog steeds moeizaam verliep. Ook hier geldt daarom dat het juist zorgvuldig is dat het besluit tot verplichte zorg is genomen, zodat betrokkene dit kan laten toetsen, te meer omdat het verblijf in de EBK automatisch betekent dat betrokkene wordt opgesloten en dat er cameratoezicht plaatsvindt. Vanwege de onrust die betrokkene ervaart was ook op 19 februari 2026 nog voldoende voorzienbaar dat dit nodig zou zijn, en dat betrokkene dat wellicht niet altijd vrijwillig zou toestaan.
3.14.
Ten slotte verklaart de rechtbank ook het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot overplaatsing op grond van artikel 8:16 lid 1 Wvggz Pro ongegrond. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zich onveilig voelt binnen de huidige accommodatie en dat hij eenzelfde gevoel van onveiligheid heeft ervaren tijdens eerdere verblijven binnen andere afdelingen van Pro Persona. Hij verwacht zich veiliger te voelen als hij wordt overgeplaatst naar een instelling in een andere provincie. Om die reden acht verzoeker een voortzetting van de behandeling op een andere locatie proportioneel en doelmatiger.
3.15.
De rechtbank volgt verzoeker hierin niet. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de angstklachten die verzoeker ervaart niet (volledig) door middel van medicatie kunnen worden weggenomen. De ideeën over mensen met kapmessen zullen blijven, aldus de psychiater en de geneesheer-directeur. Laatstgenoemde heeft daarbij toegelicht dat dit in de afweging om verzoeker niet over te plaatsen een grote rol speelt: omdat te verwachten valt dat deze klachten verzoeker ook bij een eventuele overplaatsing zullen blijven achtervolgen, is een overplaatsing niet doelmatig. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat behandeling plaatsvindt binnen de eigen regio en dat slechts bij hoge uitzondering tot overplaatsing daarbuiten wordt overgegaan. Gelet hierop en op de aard van de problematiek van verzoeker, die door een overplaatsing niet wezenlijk zal veranderen, is niet te verwachten dat een andere instelling bereid zal zijn verzoeker op te nemen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is toegelicht waarom het verzoek tot overplaatsing is afgewezen.
3.16.
Het oordeel is dat de klachten ongegrond zijn. Dat leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan het verzoek om een schadevergoeding toe te kennen. Zij zal dat verzoek daarom afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de klachten ongegrond;
4.2.
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Koopman, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel cassatie open.

Voetnoten

1.Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:921, en (specifiek over de mogelijkheid een motiveringsgebrek te passeren op grond van artikel 6:22 Awb Pro) 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.