ECLI:NL:RVS:2019:921
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving recreatief gebruik bijgebouwen en bouwwerken op Texel
Het college van burgemeester en wethouders van Texel legde appellant dwangsommen op om overtredingen te beëindigen op percelen te Den Burg, waaronder het gebruik van bijgebouwen voor recreatieve bewoning en het verwijderen van woonvoorzieningen. Appellant stelde dat het college niet bevoegd was tot handhaving vanwege eerdere toestemming en overgangsrecht, en dat bijzondere omstandigheden handhaving moesten verhinderen.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde delen van het collegebesluit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat aan zijn rechtsvoorganger een vrijstelling was verleend en dat het beroep op overgangsrecht niet was gehandhaafd. Tevens was geen sprake van bijzondere omstandigheden die handhaving in de weg stonden.
Verder oordeelde de Afdeling dat het ontbreken van een schriftelijk hoorzittingsverslag kon worden gepasseerd omdat appellant niet benadeeld was. Het college kreeg gelijk dat toiletten en keukens als woonvoorzieningen gelden en dat het besluit tot verwijdering daarvan terecht was. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het collegebesluit vernietigde met betrekking tot het toilet in een bijgebouw en de keuken in een ander bijgebouw.
De begunstigingstermijn voor het voldoen aan de last onder dwangsom werd vastgesteld op vier weken na verzending van deze uitspraak. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant en tot terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van het college gegrond, met vernietiging van delen van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van handhaving.