Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4186

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25_2858
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 14 EVRMArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek intrekking en terugvordering AIO-aanvulling wegens geen nieuwe feiten

Eiseres verzocht herziening van besluiten tot intrekking en terugvordering van AIO-aanvulling over de periode 2010-2018, omdat zij meent dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een discriminerend vermogensonderzoek heeft verricht. De SVB wees het verzoek af, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en dat de oorspronkelijke besluiten niet onmiskenbaar onjuist zijn.

De rechtbank oordeelt dat de SVB terecht het herzieningsverzoek heeft afgewezen. De aangevoerde analyse van Wob- en Woo-documenten en de stelling van discriminerend onderzoek zijn onvoldoende om te concluderen dat er nieuwe feiten zijn die herziening rechtvaardigen. De eerdere onderzoeken waren gebaseerd op meldingen en informatie van eiseres en haar familie, niet op een steekproef of onderzoeksproject.

Ook is de afwijzing niet evident onredelijk, omdat de SVB haar beleid correct toepaste en de oorspronkelijke besluiten zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek is ongegrond verklaard en de oorspronkelijke besluiten blijven van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2858

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om herziening van de besluiten van 9 april 2018 tot intrekking van het recht op AIO-aanvulling [1] van eiseres en haar, inmiddels overleden, man over de periode vanaf 6 april 2010 en om een terugvordering van € 16.108,84, zijnde de over de periode van april 2010 tot en met maart 2018 gemaakte kosten van AIO-aanvulling. [2] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het herzieningsverzoek van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB het herzieningsverzoek van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een herzieningsverzoek ingediend. De SVB heeft dit verzoek met het besluit van 19 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een (aanvullend) verweerschrift. Eiseres heeft hier weer op gereageerd. De SVB heeft een nadere reactie ingebracht.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens de SVB: de gemachtigde en mr. [persoon A].

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De SVB heeft bij besluiten van 9 april 2018, na bezwaar gewijzigd bij besluit op bezwaar van 14 september 2018, het recht op AIO-aanvulling van eiseres en haar man met ingang van 6 april 2010 ingetrokken en de over de periode van 6 april 2010 tot en met 31 augustus 2017 gemaakte kosten van AIO-aanvulling teruggevorderd tot een bedrag van € 14.146,80. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiseres en haar man hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de eigendom van verschillende (delen van) woningen dan wel percelen grond in Turkije. Het onroerend goed dat is getaxeerd, heeft een waarde die hoger is dan de voor eiseres en haar man toentertijd geldende vermogensgrens. Daarom hadden zij geen recht op AIO-aanvulling. Deze besluiten staan in rechte vast. [3]
3.1.
Op 27 december 2024 heeft eiseres een verzoek om herziening van deze besluiten gedaan bij de SVB. Volgens eiseres is er nieuwe informatie waaruit blijkt dat de SVB destijds een discriminerend onderzoek heeft verricht. Eiseres verwijst hierbij naar door haar gemachtigde opgevraagde Wob [4] - en Woo [5] -documenten en de door hem gemaakte analyse van deze documenten. De besluiten zijn dan ook volgens eiseres in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet en het verbod van discriminatie zoals neergelegd in artikel 14 van Pro het EVRM.
3.2.
De SVB heeft het herzieningsverzoek afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en de afwijzing van het verzoek ook niet evident onredelijk is. Volgens de SVB zijn de oorspronkelijke besluiten niet onmiskenbaar onjuist. Daarbij heeft de SVB er op gewezen dat de aanleiding voor het vermogensonderzoek dat heeft geleid tot de besluiten van 9 april 2018 is gelegen in een telefonische melding van de (schoon)dochter van eiseres van 23 mei 2016 en door eiseres en haar man zelf gegeven informatie. De afwijzing is gebaseerd op artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beleidsregel SB1310.
Zijn er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
4. Eiseres voert aan dat wel sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om tot herziening van de oorspronkelijke besluiten van 9 april 2018 over te gaan. Die nieuwe feiten of omstandigheden bestaan uit de door de gemachtigde van eiseres ingebrachte analyse naar aanleiding van de door hem opgevraagde Wob- en Woo-documenten. Daarmee is onderbouwd dat de SVB structureel en beleidsmatig discriminatoir vermogensonderzoek heeft verricht waarbij autochtone AIO-gerechtigden nagenoeg niet aan (nader) onderzoek zijn onderworpen, terwijl AIO-gerechtigden met een geboorteland buiten Nederland stelselmatig zijn geselecteerd, vaak zonder concrete aanleiding, en aan (nader) onderzoek zijn onderworpen. Hiervoor is geen objectieve en redelijke rechtvaardiging. De eigen melding van de (schoon)dochter van eiseres waar de SVB naar heeft verwezen staat niet los van deze onderzoekspraktijk van de SVB. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij en haar inmiddels overleden man al vóór de melding van de (schoon)dochter waren opgenomen in het discriminatoire vermogensonderzoek van de SVB. Zij ontvingen namelijk op 17 mei 2016 een brief van de SVB waarin stond dat onder meer informatie over het op vakantie gaan naar het buitenland gemeld moest worden. Daarmee vielen zij in een door de SVB gehouden steekproef. Dit wordt bevestigd in rechtsoverwegingen 1.2 en 1.3 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 april 2020. [6] Dit wordt ook bevestigd in de namens eiseres ingebrachte productie 2 van de Wob-stukken (pagina 11, onder het kopje ‘Jaarlijkse herinneringsmailing’) waarin staat dat als iemand meldt dat hij op vakantie gaat naar het buitenland, die informatie wordt doorgestuurd naar de afdeling Handhaving. Die doen dan een fraudeonderzoek. Ook dat wijst erop dat eiseres en haar toenmalige man waren opgenomen in het discriminatoire vermogensonderzoek van de SVB. Dat onrechtmatige onderzoek werkt dan door in de melding van de (schoon)dochter die in het kader van dat onderzoek is gedaan en die daarmee uitgesloten moet worden van bewijs. [7] Als gevolg hiervan zijn de oorspronkelijke besluiten in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie.
4.1.
De SVB heeft op het herzieningsverzoek beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In een dergelijk geval moet de bestuursrechter eerst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. [8]
4.2.
De rechtbank oordeelt dat de SVB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van dergelijke nieuwe feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is. Dit is alleen al niet het geval vanwege het volgende. De CRvB heeft in de procedure tegen de oorspronkelijke besluiten van 9 april 2018 geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt, en door de SVB gemotiveerd is betwist, dat het onderzoek in het geval van eiseres en haar man heeft plaatsgevonden in het kader van een onderzoeksproject. Het onderzoek in Turkije heeft namelijk plaatsgevonden in verband met tegenstrijdige verklaringen over mogelijk bezit van vermogen in Turkije. De SVB heeft op 17 mei 2016 aan de man van eiseres een brief gestuurd waarin staat dat hij elk verblijf en vermogen buiten Nederland moet melden. De (schoon)dochter van de man van eiseres heeft vervolgens op 23 mei 2016 – onweersproken – aan de SVB gemeld dat eiseres en haar man in Turkije een eigen woning hebben. Daarop zijn aan de man van eiseres formulieren gezonden om hun vermogen na te gaan. Een week later heeft de zoon van de man van eiseres laten weten dat eiseres en haar man geen eigen woning hebben, waarna het onderzoek door de afdeling Handhaving is gestart. Uit het dossier blijkt niet dat de SVB aan eiseres en/of haar man een brief heeft gestuurd dat zij in een steekproef vallen. [9] Dit blijkt ook niet uit rechtsoverweging 1.2 en 1.3 van de uitspraak van de CRvB waar eiseres naar heeft verwezen. Daarin staat namelijk over de brief van 17 mei 2016 vermeld dat daarin ook staat: “Valt u binnen de steekproef? Dan heeft u hierover een tijdje geleden al een brief ontvangen.” Dat eiseres en/of haar man die brief hebben ontvangen blijkt niet uit de stukken en is door eiseres ook niet aannemelijk gemaakt. Ook uit de door eiseres nu ingebrachte analyse van Wob- en Woo-documenten blijkt niet dat zij in de steekproef vielen, noch is daarmee aannemelijk gemaakt dat het onderzoek in het geval van eiseres en haar man heeft plaatsgevonden in het kader van een onderzoeksproject. Dat blijkt ook niet uit de informatie in productie 2 van de Wob-stukken waar eiseres naar heeft verwezen. Daarin staat dat als de klant wel verblijf in het buitenland opgeeft, een kopie van het formulier naar de afdeling Handhaving moet worden gestuurd en die uit alle aangeleverde formulieren een selectie maakt van klanten die een huisbezoek krijgen. Dat dit ook de gang van zaken was in het geval van eiseres en haar man blijkt niet uit de stukken. Dat de SVB niet inhoudelijk op de documenten is ingegaan, levert dus geen strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel op, zoals eiseres nog heeft betoogd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk?
5. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. De omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan betrokken worden bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is.
Als het bestuursorgaan beleid voert met betrekking tot de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. [10]
5.1.
De SVB voert een dergelijk beleid. Dat beleid houdt – voor zover hier van belang – in dat de SVB terugkomt van een besluit als het onmiskenbaar onjuist is. Volgens het beleid kan dit het geval zijn als gevolg van een fout van de SVB. Daarvan is dan sprake als de SVB op basis van de gegevens die op de datum van dat besluit beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de SVB beschikbaar zouden zijn geweest, de AIO-aanvulling correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. [11]
5.2.
Voor zover eiseres ook bedoeld heeft te betogen dat de oorspronkelijke besluiten onmiskenbaar onjuist zijn, gelet op wat zij onder 4 heeft betoogd, slaagt dit niet. De SVB heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een dergelijke onmiskenbare onjuistheid geen sprake is. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat zij onder 4.2 heeft overwogen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de SVB het herzieningsverzoek van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een aanvullende inkomensvoorziening ouderen op grond van de Participatiewet (Pw).
2.Dit bedrag is bij het besluit op bezwaar van 14 september 2018 verlaagd naar € 14.146,80 (de periode is ingekort naar 6 april 2010 tot en met 31 augustus 2017).
3.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:878.
4.Wet openbaarheid van bestuur.
5.Wet open overheid.
6.Zie noot 3.
7.Eiseres verwijst hierbij naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9801.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 1 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1374 en 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
9.Zie uitspraak in noot 3, ro. 5.3.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:175 en 1 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1019.
11.Beleidsregel SB1310.